is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 2, 06-10-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dienst van een huis

In het komende weekeinde zullen wij met enige nadruk in Bentveld het feit herdenken, dat het A.G.-gebouw in dit jaar zijn vierde lustrum viert. In 1931 waagde het toenmalige A.G.-bestuur het een patriciërshuis en een stuk grond aan te kopen in Bentveld, vlak bij een halte van de blauwe tram, tussen Haarlem en Zandvoort. Banning kwam er te wonen, een vleugel werd er bij gebouwd, later nóg een vleugel en werklozen bouwden het lezingzaaltje aan het eind van het slingerende duinpad.

Ik ga geen herdenkingsartikel schrijven. Banning zou daarvoor de eerst-aangewezene zijn. Tot mijn schande moet ik bekennen niet bij de opening geweest te zijn, en aan het werk van de A.G. had ik toen, student in Leiden, practisch geen deel. In Bentveld zullen straks de vele getrouwen, opnieuw onder het gehoor van Banning en V. d. Kieft financieel genie! meer horen èn vertellen kunnen uit eigen ervaring dan wat ik van overlevering weet.

Het gaat er mij nu om op het feit te wijzen, dat met de opening van het A.G.- huis te Bentveld een ontwikkeling van samenkomen geaccentueerd werd, die toen nog betrekkelijk nieuw was en die steeds meer ingang heeft gevonden.

Bentveld groeide uit Barchem. D.w.z. uit het werk, dat mensen samenbracht in iets anders dan congressen en vergaderingen. Barchem zo is het in die tijd zeker gevoeld kwam tegemoet aan de steeds sterker wordende behoefte naar retraite. Sommigen vonden dat week, sentimenteel, onmannelijk gedoe (hevig scheldwoord óók in verlichte kringen), maar de initiatiefnemers hadden de lijn te pakken, die de huidige deskundigen in de wetenschap van de benadering van de groep óók hebben ontdekt. Zij wisten, dat mensen ruimte nodig hebben en rust. Dat zij onthecht moeten worden van hun gewone doen, hun dagelijkse drukte op een afstand moeten zien en wachten moeten op een nieuwe kameraadschap, een nieuw, haast niet te schetsen verband, tussen mens en mens, dat met het woord sfeer nauwelijks is getypeerd.

In Bentveldkringen spreekt men wel eens over mensen, die door Bentveld zijn heengegaan. Dit vlakke woord typeert de wijze van spreken: vooral niet te zware accenten leggen, liever een vlak, dan een scherp woord om wezenlijke dingen aan te duiden. Preciezer zou zijn, als men sprak van mensen, die er doorheen gesluisd zijn. Dè,t is zo’n huis: een sluis. Men vaart binnen, op de stroom van een beweging. Maar men moet even rust nemen. Het peil van het bestaan moet zich wijzigen. Voor de een moet het wat stijgen, voor de ander dalen. Dat element van stilstaan en van rusten en wachten wil Bentveld in het leven brengen van hen, die op de stroom der socialistische beweging meegaan en die gevoelig zijn voor de wind, die in de bijbel óók Geest heet.

Daarvoor dan dat gebouw.

Was Bentveld oorspronkelijk?

Neen. Zoals gezegd: Barchem bestond al, maar ook andere „bezinningsgebouwen” werden geëxploiteerd. Ik denk aan de Internationale School voor Wijsbegeerte te Oud-Leusden. „Hardenbroek”, later „Woudschoten” waren conferentie-oorden voor de christen-studenten geworden, „Oolgaardthuis” kreeg die functie in de vrijzinnigchristelijke jeugdwereld. De „Paasheuvel” ontstond en het „Troelstra-oord”. Wij merken, dat al dit werk na de oorlog 1914—’18 tot uiting kwam in gebouwen en dat die gebouwen een begrip werden. Het was duidelijk: alom drong het verlangen naar afzondering, naar verzameling, naar sfeervorming, naar retraite. In het bijzonder dus onder die groepen, die het minst „gesettled” waren, het minst hun vaste centra hadden in het dagelijkse leven, te weten de studenten en de jeugd, de arbeiders en de intellectuelen. Tegelijkertijd zien wij een verschrompeling van die organen, die te voren een sterk bindende functie hadden. Het kleinsteedse sociëteitsleven doet het niet meer, de vergaderingen in alle mogelijke verbanden bloeien alleen nog maar op de dorpen, waar ze vaak het karakter van algemene sociëteiten krijgen. (Nut, Volksonderwijs, Staatspensioen). Het kerkelijk en het burgerlijk gemeenschapsleven komt op een smalle basis te rusten. Zie de samenstelling van onze kerkeraden, die moeite hebben met het aantrekken van de goede, d.w.z. geschikte mensen.

De conferentie-oorden gaan opvangen, wat in het snelle leven niet meer tot vorming kan komen: open contact, rust, bezinning. Ook Bentveld, later Kortehemmen zijn in dat licht te zien.

Nu moeten wij daarbij bovendien opmerken, dat deze huizen een vormende kracht hebben, die tegelijkertijd „isoleert”. D.w.z. bepaalde huizen hebben door hun inrichting, hun stijl, hun leiding en de aanpak van het gesprek een klimaat, waardoor mensen zich er direct thuis gaan voelen... of niet. Dit thuisvoelen hangt van vele factoren af, niet alleen van de grondslag (christelijk, socialistisch). Het hangt ook af van de kleur van de gordijnen, van het gelaat der directrice, van de aard der regelmaat in de bedrijfsvoering. De vormende waarde daarvan is groot. Het betekent, dat eenzame mensen een thuis krijgen. Maar het betekent ook dat speciale eenzame mensen daar en nergens anders een thuis hebben. Dat is de isolerende tendens, die er in deze tehuizen ligt. Het lijkt wel, of de huizen een ziel krijgen, er een zielsverwantschap ontstaat tussen mens en huis en daarmee diezelfde mens een trouw krijgt tegenover dat huis, die maakt dat hij voor andere huizen wordt afgesloten. U moet van mij aannemen, dat dit zeer reëel is. Mijn werk brengt mee, dat ik véél huizen zie en het bedrijf meemaak. Ik merk bij mijzelf terdege, dat ik de ene keer met veel meer animo naar een bepaalde conferentie ga dan de andere keer. Een-

voudig vanwege het huis, dat ons samenroept.

Wij zagen, dat na 1918 de stichting der conferentie-oorden begon. Maar na 1945 ging het in versneld tempo verder. Dat stelt voor nieuwe problemen, die wij terdege moeten zien.

De vloed van nieuwe conferentie-oorden (Eykmanhuis, Teylingerbos, Oud-Poelgeest, Alerdinck, enz., enz.) werd veroorzaakt door twee krachten: het verlangen naar diepere vorming, in vele kringen levend geworden om de gevaren van de voortgaande ontbinding tegen te gaan. En de mogelijkheid om oude panden, niet meer door particulieren te bewonen, tegen niet te grote kosten te bemachtigen. Bovendien was na vijf jaar leegte, vijf jaar gespannen-zijn op maar een paar problemen, het verlangen naar brede contacten levender dan ooit, dus al die huizen liepen vol ook. Sommige werden nieuw ingericht en deden daarmee op den duur concurrentie aan de oudere huizen, die niet in staat waren geweest zich tijdig te vernieuwen. En nu zien wij dit verschijnsel opkomen: het huis, in de meeste bewegingen als een stuk dienst opgericht, werd soms een zorg, een last.

Want de reactie moest komen. Opnieuw zijn er, sinds 1945, vijf jaar verstreken. Men wordt moe van het confereren. Men heeft er ook het geld niet meer voor. En dit, terwijl deze huizen veelal op lasten zitten en door verhoging van alle kosten op steeds zwaardere lasten komen. Daardoor ontstaat er, ondergronds, een concurrentiestrijd, die men ook in de prijsbepaling kan merken. Dit is, om'dat het dienend-cultureel werk is, waartoe al deze tehuizen geroepen zijn, uiterst ongewenst. De lasten worden tevens groter, omdat de eisen der bezoekers hoger worden. Wat 20 jaar geleden, toen het huis te Bentveld geopend werd, nog kon, kan nu niet meer. Men wil niet meer op slaapzalen logeren. Men wil liever geen corvée meer doen. Beter gezegd: de bezoekers van heden hebben een andere traditie achter zich, waarbij dit kampeerachtige minder aanslaat, en niet als een vreugde, maar als een last beschouwd wordt.

Het gevolg is ook, dat sommige huizen zeker niet meer exploitabel zijn. Reeds sneuvelde Teylingerbos. Ik ken de positie van andere tehuizen niet, maar ik ben er zeker van, dat menig penningmeester zucht.

Welke kant moeten wij uit? Die van concurrentie of ordening? Juist omdat dit geestelijk werk is, is vrijheid geboden. Maar ook juist daarom is concurrentie uit den boze. Ik zie geen andere oplossmg, dan dat er ordening van onder op komt, gesteund door de overheid. Reeds maakt men ten departemente van O. K. en W. • terecht plannen om al het vormingswerk in internaatsverband als een cultureel verschijnsel te bestuderen en men vraagt zich af, of hier niet sprake moet zijn van een overheidssubsidie. De grote kapitalen vloeien niet meer toe. Daar zorgt de belastingwetgeving voor. Maar dan zai de overheid ook wel moeten gaan inzien, dat een krachtige steun in financieel opzicht èn een behulpzame hand bij het coördineren van al dit en niet alleen van het volkshogeschoolwerk, zoals tot nu toe geboden is. Laat men daarbij niet direct ach en wee roepen, omdat nu alweer vadertje staat te hulp geroepen wordt. Die is meer dan een politie-agent, zo weten wij langzamerhand wel.

Ziet, dat zijn de overpeinzingen, die opduiken als wij ons opmaken straks in Bentveld op bescheiden èn vreugdevolle wijze de dienst van het huis gedurende twintig jaar te gedenken.