is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 3, 13-10-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het toezicht op het credietwezen

Nadat ik een haif jaar geleden de lezers een felle strijd voorspelde, is een ware orkaan over ons heengegaan. Binnenkort komt nu de openbare behandeling in de Tweede Kamer, die, naar het zich op het ogenblik laat aanzien, tot een groot poiitiek debat zal uitdijen en nieuwe verbittering zal brengen in de tegenstelling tussen de P.v.d.A. en de niet-socialisten. Aan K.V.P.- kant heeft het rapport der Commissie Groeneveld het subsidiariteitsbeginsel er bij te pas gebracht (om de door de minister in het wetsontwerp voorgestelde vrijheidsbeperking van de credietbanken te veroordelen) en men heeft het ontwerp als staatssocialistisch uitgekreten. Omgekeerd heeft de P.v.d.A. zich, als ik goed ben ingelicht, in het ontwerp vastgebeten als in een wezenlijk onderdeei van socialistische politiek. De minister heeft eind Augustus enige wijzigingen aangebracht, in het algemeen echter van ondergeschikte aard en hij houdt, zoals de zaken thans staan, op de grote strijdpunten het been volkomen stijf.

Men kan zich afvragen of deze verscherping geoorloofd is, want... over de hoofdzaak zijn voor- en tegenstanders het eens! Die is: dat momenteei, nu de betalingsbalans door het aflopen van de Marshallhulp en door de postkoreaanse prijsbeweging in grote moeiiijkheden verkeert, credietrestricties door een wet mogelijk moeten worden gemaakt. Men is het er ook over eens, dat daarvoor alle in het huidige ontwerp voorkomende restrictiemogelijkheden nodig zijn, zowel de kwantitatieve die de omvang van het bankcrediet raken als de kwalitatieve die de Nederlandsche Bank het recht geven algemene voorschriften te maken met betrekking tot de soorten en vormen van credieten.

Het geschil betreft in hoofdzaak de vraag of men de Nederlandsche Bank deze bevoegdheden permanent moet toekennen (ontwerp-Lieftinck) dan wei tijdelijk, bijv. voor 3 jaar. De minister heeft eind Augustus toegegeven op het punt van de kwalitatieve controle, een niet onbelangrijke concessie, want dit soort van ingrijpen is een wel heel ver gaande bemoeiing met het bankbeleid, maar, aangezien kwalitatief ingrijpen altijd wel tot de hoge uitzonderingen zai behoren zijn de tegenstanders natuurlijk allerminst bevredigd. Het gaat inderdaad om de kwantitatieve controle.

Hoewel de minister voor zijn standpunt, dat deze bevoegdheden permanent behoren te zijn, zeer sterke argumenten heeft, vind ik het jammer dat hij de zaak dermate op haren en snaren zet. Mag men, ook als men gelijk heeft, deze politieke verscherping riskeren wanneer het niet gaat om hoofdzaken? Hoofdzaak is, dat wij in de eerstkomende jaren het schip door hard pompen in een haven binnenloodsen. De grote reparaties moeten, als er over de daarbij toe te passen middelen onenigheid blijkt te bestaan, wachten tot het schip in het dok kan worden gezet.

Een tweede vraag waar het geschil over loopt, en waar de oren van de lezer bij het Kamerdebat wel van zullen tuiten, loopt over de mogelijkheid van zgn. monetisatie van de kortlopende staatsschuld. Monetisatie betekent, dat de banken, wanneer zij hun geld meer rendabel emplooi kunnen geven in het bedrijfsleven, het schatkistpapier dat zij bezitten (ca 3 mrd) laten aflopen. Voor de staat is dat natuurlijk een

ramp en ook voor ons volk, omdat het kan leiden tot inflatie. De bepalingen van het wetsontwerp voorzien tegen dit gevaar; de Nederlandsche Bank kan de banken nl. voorschrijven een zeker deel van hun liquide middelen in deze vorm te houden (de concessie, die de minister op dit punt heeft gedaan, is van niet heel groot belang). Het bedrijfsleven, de banken voorop, vinden dit een ergerlijke bevoordeling van de staat, te meer omdat, naar zij menen, het vele schatkistpapier het gevolg is van wanbeleid.

Ook op dit punt staat de minister sterk, ja, hij kan hier onmogelijk toegeven, Monetisatie heeft nl. al sinds zowat een jaar regelmatig plaats gevonden. De zoéven genoemde verwijten tegen het regeringsbe-

leid zijn in hoge mate overdreven, omdat de overgrote massa van het schatkistpapier onder het Duitse wanbeleid is geschapen. Maar het spreekt vanzelf, dat we met een noodregeling voor de tijd van 3 jaar voorlopig best zouden zijn geholpen. Ik geloof, dat deze concessie de tegenstand ineens zou doen verdwijnen.

De P.v.d.A. en de minister schijnen zich echter, zoals ik in de aanhef al zeide, in dit ontwerp als een principieel stuk socialistische politiek te hebben vastgebeten, zodat een ernstig politiek conflict dreigt en een verbittering van de verkiezingsstrijd. Ook als op het laatste moment in het debat concessies worden gedaan, zal, naar het lijkt, de atmosfeer toch weer een stuk méér bedorven zijn dan zij het de laatste jaren al is geworden. En dat, terwijl men toch wel enige twijfel aan de zin er van kan hebben. Banning schreef de vorige week over het verzwakken van de politieke belangstelling, ook in onze rijen; ligt voor een deel ten minste, de verklaring niet voor de hand? R. EVERTS

De raad der Goden

Deze door Kurt Maetzig geregisseerde film verloochent haar herkomst uit de Oost-zone van Duitsland niet. Het is een politieke 'tendensfilm. De propaganda werd er echter niet dik opgeiegd doch op handige en onopvallende wijze in het geheel verwerkt. Zodoende krijgen wij aanvankelijk de indruk met een geheel objectieve voorlichting te doen te hebben. Het onderwerp is de duistere invloed, die anonieme kapitalistische machten op de wereldpolitiek uitoefenen. De film ontleent haar titel aan een groot wandtapijt in een van de conferentiezalen van de I. G. Farben, Duitslands grote chemische industrie. Op dit wandtapijt ziet men het aardse strijdgewoel afgebeeld met hoog daarboven de Olympus, waarop de góden tronen. Dit beeld beheerst eigenlijk de gehele film. Het is het kapitalisme zowel in Duitsland als in Amerika, dat zulk een raad der góden vormt. Aan de belangen van deze kapitalistische machthebbers worden het geluk, de welvaart en de vrede van de volkeren opgeofferd.

De film voert ons nu eens naar de top van deze moderne Olympus, dan weer temidden van de strijd om het bestaan van de gewone mensen. De regisseur zag zich voor de moeilijke taak gesteld enerzijds een stuk contemporaine geschiedenis op het witte doek te brengen, anderzijds te laten zien hoe dit historisch gebeuren inwerkt op het leven van zijn hoofdpersoon. Hoewei hij de overgangen tussen de beide ontwikkelingsiijnen in het filmverhaal soms op voortreffelijke wijze wist te bewerksteiligen en van documentaire fragmenten een goed gebruik maakte, is hij uiteindelijk noch in het één noch in het ander geheei geslaagd. De weergave van de historische ontwikkeling is te incidenteel en te opzettelijk ook om geheel overtuigend te zijn, de weerslag in het leven van de enkeling het gewetensconflict van de geleerde in de bewapeningsindustrie komt ook niet uit de verf. Dominerend biijft de politieke strekking, deze zal dan ook bij de beoordeiing van deze flim wel doorslaggevend moeten zijn.

Allereerst laat de film ons zien hoe de Duitse industrie-baronnen de opkomst van Hitler hebben gefinancierd. Wanneer het ~derde rijk” eenmaal gevestigd is en de winst van de bewapening toestroomt, zorgen zij ervoor, dat de Duitse belangen over de gehele wereld veilig gesteld worden. Wij

Scene uit de film „De raad der Goden”

krijgen dan ook een beeld van de goede verstandhouding, tussen het Duitse en het Amerikaanse kapitalisme. Zelfs tijdens de oorlog gaat deze verstandhouding niet geheel verloren en zodra de Duitse industriële leiders bemerken, dat zij opnieuw de verliezende partij zullen zijn, worden via Zwitserland de banden met Amerika weer nauwer aangehaald. Wanneer de nederlaag eenmaal een feit is, blijkt dan ook dat de geallieerde bombardementen een groot deel van de Duitse industrie intact gelaten hebben. Door het ingrijpen van machtige vrienden uit Amerika wordt voorkomen, dat men in Neurenberg de Duitse kapitalistische kopstukken al te hard aanpakt. Velen van hen komen er af met een korte gevangenisstraf, hoewel zij toch allen hebben meegewerkt aan de vervaardiging van het gifgas voor de concentratiekampen ... Al spoedig blijkt, dat onder Amerikaans regiem de vervaardiging van oorlogstuig wordt voortgezet. De fiim besluit dan ook met een feile aanklacht tegen de kapitalistische oorlogsdrijvers.

En nu enkele bezwaren tegen deze voorstelling van zaken: in feite hebben wij hier te doen met de traditioneei-marxistische opvatting van de jongste Duitse geschiedenis. Fascisme en nationaal-socialisme worden zonder meer als geprononceerde vormen van het kapitalisme beschouwd. In zijn eenzijdigheid is deze opvatting die irrationele en buiten-economische factoren buiten beschouwing laat onjuist.