is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 4, 20-10-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer behoort de aarde en haar j volheid, V Psalm 24 : 1

fïjd en Taah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE EN SOCIALISME VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 50STE JAARGANG VAN ~DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 20 October 1951 Nr 4

Redactie: ds J. J. Buskes Jr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. Bomhoff

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H.J. de Wijs Mej.drM.Rv.d. Zeyde e.a.

Abonnement per jaar f5,— ; halfjaar f2,75; kwartaal f 1,50 plus f 0,15 incasso. Losse nrsf0,15; Postgiro 21876; Gem. giro V4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekeheld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

WAAROM ZIJT GIJ NIET SUSJA GEWEEST?

Er kan in het contact met sterke persoonlijkheden voor minder sterke persoonlijkheden een gevaar schuilen.

Dat kan al het geval zijn, wanneer een gewoon mens de gehele dag werken moet in de onmiddellijke nabijheid van een ander, die door wilskracht en uithoudingsvermogen ontzaglijk veel verzet. Dit dagelijks contact kan tot gevolg hebben, dat die gewone mens, die zijn prestaties van uur tot um- vergelijkt met die van zo’n krachtfiguur, aan minderwaardigheidsgevoelens gaat lijden. Een minder begaafd kind kan op analoge wijze door minderwaardigheidsgevoelens aangetast worden, wanneer het jaren lang onder de druk leeft van een hoogbegaafde vader, die het zich als voorbeeld stelt, zonder in staat te zijn dit voorbeeld na te volgen.

Op religieus terrein kunnen wij hetzelfde constateren.

In mijn werk kwam ik in aanraking met een ontwikkelde vrouw, voor wie het leven steeds meer een ondragelijke last werd, doordat het lezen van biografieën van grote figuren op godsdienstig gebied haar steeds meer doordrong van het besef, dat zij in haar geloofsleven op geen stukken na was, wat al die grote figuren waren. De autobiografie van Andrews „Wat ik aan Christus te danken heb”, maakte haar wanhopig.

Alle vertrouwen en blijdschap worden op deze wijze ondermijnd. Een mens leeft dan onder de voortdurende druk van de gedachte, dat zijn leven niets betekent. Hij is een grote nul, die tot niets in staat is. Bij sommigen lijdt dit tot een volstrekte lijdelijkheid, die het leven uitholt en zinloos maakt. Bij anderen heeft het tot gevolg, dat zij op krampachtige wijze trachten zich op te vijzelen tot een hoogte, die ze toch nooit bereiken, van welke pogingen het enige resultaat is, dat zij steeds meer de moed verliezen.

Ik heb de indruk, dat talloos velen, zonder het zichzelf bewust te zijn, met minderwaardigheidsgevoelens rondlopen en daarom geen wezenlijke levensvreugde kennen.

Het kan voor ons allen alleen maar goed

zijn, te luisteren naar de levenswijsheid, die Martin Buber in het Chassidisme, de mystiek religieuze beweging, welke in het midden van de achttiende eeuw in het Oost-Europese Jodendom ontstond, gevonden heeft en van welke hij ons vertelt in het kleine maar kostbare boekje „De weg van de mens”.

Rabbi Baer van Radoschitz vroeg eens aan zijn leermeester, de ziener van Lublin: „Wijs mij een algemene weg om God te dienen”.

De zaddik antwoordde: „Het is niet mogelijk, de mens te zeggen, welke weg hij moet gaan. Want er is een weg, om God te dienen door de leer en één door het gebed, één door te vasten en één door te eten. leder zal terdege moeten uitmaken, tot welke weg zijn hart hem trekt en dan moet hij kiezen met alle kracht, die in hem is, voor zichzelf kiezen”.

Hiermede wordt ons iets gezegd over onze verhouding tot datgene, wat vóór ons aan ware dienst is verricht. Wij moeten er van leren, maar wij moeten het niet nadoen. Wat er aan groots en heiligs is volbracht, dient ons tot voorbeeld, daar het ons aanschouwelijk maakt, wat grootheid en heiligheid is, maar het is geen model, dat wij moeten natekenen. Hoe weinig wij ook in staat zijn tot stand te brengen, gemeten aan de grootheid der daden van onze vaderen, de waarde er van ligt hierin, dat wij het op onze wijze en uit onze kracht voortbrengen.

Een Chassid vroeg de maggid van Zloczow: ~Er staat: ieder in Israël is verplicht te zeggen: wanneer zal mijn werk tot aan de werken mijner vaderen. Abraham, Isaac en Jacob reiken? Hoe moet dat opgevat worden? Hoe zouden wij ons durven vermeten te denken, dat wij onze vaderen zouden kunnen evenaren?” De maggid verklaarde: „Zoals de vaderen nieuwe wijzen van dienen in het leven riepen, ieder een nieuwe dienst volgens zijn aanleg, de ene die der liefde, de andere die der kracht, de derde die der schoonheid, zo moet ieder van ons, elk op zijn eigen wijze, in het licht van de leer en van het dienen iets nieuws

stichten en niet het reeds gedane, doch wat nog gedaan moet worden, doen”.

Wanneer een mens geboren wordt, wordt iets nieuws ter wereld gebracht, dat er nog niet was, een eerste en enig iets: „Het is ieders plicht in Israël te weten en te bedenken, dat hij in zijn hoedanigheid enig is ter wereld en dat zijns gelijke nog niét op aarde is geweest, want ware zijns gelijke reeds hier geweest, hij zou er niet behoeven te zijn. ledere enkeling is een nieuwe verschijning op aarde en zijn taak is het, zijn aanleg te vervolmaken in deze wereld. Want waarlijk, dat dit niet geschiedt, zulks is wat de komst van de Messias vertraagt”. Dit enige en uitzonderlijke is het, dat ieder vóór alles is opgedragen te ontwikkelen en vorm te geven, niet echter, nog eens te doen, wat een ander, al is het de grootste, reeds heeft verwezenlijkt.

De wijze Rabbi Bunam zei op hoge ouderdom, toen hij reeds blind was: „Ik zou niet met vader Abraham willen ruilen. Wat zou God er aan hebben, indien aartsvader Abraham gelijk de blinde Bunam zou worden en de blinde Bimam gelijk Abraham?”

Rabbi Susja zei het nog met groter kracht: „In het toekomende Rijk zal mij niet gevraagd worden: waarom zijt gij niet Mozes geweest? Mij zal gevraagd worden: waarom zijt gij niet Sus ja geweest?”

Geen mens is gelijk en behoeft gelijk te zijn aan een andere mens. Alle mensen hebben toegang tot God, maar ieder heeft een andere toegang. Juist in de verscheidenheid der mensen, in de verscheidenheid van hun aanleg en hun neigingen, ligt de grote mogelijkheid voor het mensdom. Het kan slechts op een dwaalspoor voeren, indien iemand er naar kijkt, hoever een ander het heeft gebracht en hij probeert, hem dit na te doen, want daardoor ontgaat hem juist datgene, waartoe hij en uitsluitend hij geroepen is.

De Baalsjem zo wordt de stichter van de Chassidische beweging genoemd. Rabbi Israël ben Elieser: Meester van de Godsnaam zegt: „leder moet zich gedragen overeenkomstig de trap van innerlijke ontwikkeling, die hij heeft bereikt. Gebeurt het echter niet zo, gedraagt hij zich overeenkomstig de trap van ontwikkeling van zijn metgezel en laat hij de zijne los, dan zal hij zich noch de éne, noch de andere eigen maken”. „leder draagt iets kostbaars in zich, dat in geen ander te vinden is”.

Zouden wij niet veel minderwaardigheidsgevoelens, die ons vertrouwen en onze blijdschap van dag tot dag aan vreten, overwinnen en de vreugde in God en in ons leven vinden, indien wij er wat meer aan dachten, dat ons in het toekomende Rijk niet gevraagd zal worden: waarom zijt gij niet Mozes, maar: waarom zijt gij niet Sus ja geweest?

J. J. BUSKES Jr.