is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 9, 24-11-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer behoort de aarde en haar J volheid. Psalm 24 : 1

fyd en Taah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 50STE JAARGANG VAN ~DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 24 November 1951 Nr9

Redactie: dsJ.J. Buskesjr ds L.H. Ruitenberg dr J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.; Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. Bomhoff

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H. J. de Wijs Mej. dr M. H. v. d. Zeyde e.a.

bonnementperjaarf 5 — ; halfjaar f 2,75; kwartaal/1,50plusf 0,15 incasso. Losse nrs/0,15; Postgiro 21876; Gem.giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

Moe van critiek

Zie ik goed, dan zijn wij moe van critiek. Op ons zelf en ook, zij het in mindere mate, op anderen. Men gelooft het wel. Praten heeft geen zin meer.

Ben ik pessimistisch?

Ik behoef alleen maar te wijzen op het geestelijk klimaat vlak na de bevrijding. Er was openheid, contact links en rechts. Wij waren bereid langgekoesterde meningen te herzien, althans onder de critiek van anderen te stellen. Er was ontdekkersvreugde, wanneer wij bemerkten, dat anderen, die wij mijlenver van ons waanden, dicht bij ons stonden. Er was hoop, dat de verschillen die er nog waren wel zouden te overbruggen zijn en jegens hen, die radicaal tegenover ons stonden, gedroegen wij ons als vrienden.

Nu zijn wij moe van veel, vooral van het aanhoren van critiek. Het „gesprek” in velerlei vorm wil niet, want men heeft zo weinig resultaat gezien. Men heeft standpunten en meningen, en al kan men die misschien niet goed verdedigen, die van anderen kan men helemaal niet verdedigen.

Zo is de situatie.

Nu moeten wij voor één ding direct al oppassen. Hiervoor, dat wij de toestand, de gestemdheid vlak na de bevrijding voor „onecht”, „idealistisch” „niet-reëel” gaan houden en tegen elkaar met sombere gezichten zeggen, dat wij nu ten minste weer met onze beide benen op de grond staan. Wie zo spreekt, neemt zijn uitgangspunt verkeerd. Het moet nog bewezen worden, dat deze situatie normaal is, omdat ze zo duurzaam en hardnekkig is. Wie dat zegt, snijdt zichzelf de weg af tot het begaan van een andere weg. Daarover straks.

Het is een teken van innerlijke onzekerheid en van wantrouwen in de waarheid, waardoor men gegrepen is, wanneer men geen critiek duldt en gesprek mijdt. Het is mijn lot veel vergaderingen bij te wonen. Ook wel vergaderingen, waarin diepgaand verschil van inzicht bestaat. Waarom

spreekt men zo vaak langs elkaar heen? Omdat men alleen maar woorden hoort en die woorden direct omzet in zijn eigen toonaard, toepast op zijn eigen verhouding, hanteert in zijn eigen schema. Voorbeeld: „Wij zijn tegen het kapitalisme” zegt de rooms-katholiek, de man van de christelijk-sociale beweging, het lid van de Partij V. d. Arbeid en de communist. Ze menen het echt en ze bedoelen allemaal wat anders. Zowel met het woord „kapitalist” als met het woord „tegen”. Mensen, die aan het gesprek tussen rooms-katholieken en protestanten deelnemen, of die ergens pogen een contact tussen mensen van verschillende partijen tot stand te brengen, kunnen er van getuigen, dat een dieper gesprek tot vervreemding leidt en dat er steeds een punt komt, waarop men wanhopig zegt, dat men door de ander in zijn wezenlijke bedoelingen niet begrepen wordt. Wat dó,ar gebeurt, herhaalt zich duizend malen in duizend gesprekken op kantoor en bij de toevallige visite-ontmoetingen. Wanneer men ten minste daar nog andersgezinden toelaat. De ander randt ons aan. Hij begrijpt ons verkeerd. Wij worden in onze bedoelingen, ja zeggen wij soms wat potsierlijk in onze eer aangetast. En dan valt daarna het grote zwijgen, dat zich verhult in nietszeggende woorden. Men gaat zijn eigen weg en men betrekt zijn stellingen, hoe wrak die soms ook mogen zijn. Beter wè,t dan niets.

Ik zeide, dat het een teken van innerlijke onzekerheid was, dat men zich niet in open wateren durft begeven. Nu mene men niet dat ik de voorkeur geef aan figuren, die met een keiharde zekerheid anderen te lijf gaan. Laat hen gerust geestelijk geweld uitwasemen. Het doet hun goed! Het zijn altijd mensen, die spreken, voordat zij geluisterd hebben en die alleen maar een heleboel feiten weten om hun inzicht mee te staven. Maar zij hebben één ding nog niet gedaan, nl. achter de woorden van een ander het oor te luisteren gelegd en zij hebben de feiten

niet in een breed perspectief gezet. Zij zijn aan de moeheid nog niet toe. Als ze de moed hebben om moe te worden, dan zijn ze verloren. Men vindt dit soort apologeten en propagandisten overal en men doet goed hun wervingskracht niet ai te hoog aan te slaan. God alleen weet, hoe onzeker ze van binnen zijn.

De innerlijke onzekerheid van de zwijgzamen en de moedelozen is een gevolg van het verbreken van de band tussen de waarheid, waaruit men leeft en het eigen bestaan. Wie bv. gereformeerd of socialist is de waarheid, waaruit men leeft maar dit alleen maar als een gegeven, als een vanzelfsprekendheid beleeft, zal op den duur innerlijk uiterst onkwetsbaar worden. Hij trekt zich terug en houdt zich doof voor critiek. Vaak komt daar dan het besef bij, dat het er ook niet veel toe doet wat men geestelijk is, omdat ’t leven toch zijn gang gaat. Gods gang, zeggen de vromen;, ’s levens gang, zeggen de anderen.

Moeheid kan alleen overwonnen worden door te erkennen, dat het moeheid is. Waarvan men uit moet rusten. D.w.z. afstand nemen, pauseren. Maar met het besef: straks ga ik weer aan de gang. Zo is het ook met de moeheid van de critiek. Het is niet erg een ogenblik te pauseren. Dat is zelfs nodig. Maar het is wel erg om geestelijk met pensioen te gaan. Dat is een moeheid ten dode. De moeheid van critiek moet overwonnen worden door een levend, altijd actief zelfonderzoek. Een onderzoek naar wat men geestelijk werkelijk bezit. Als men steeds weer (ja, steeds wéér!) met zichzelf in het gericht gaat, dan ontdekt men allerlei, dat géén bezit was, al leek ’t zo. Men ontdekt ook, dat men iets bezit omdat men in bezit genomen is. Dit onderzoek is heilzaam. En de critiek van buiten kan daarbij helpen. Mits men de ander in zichzelf dwingt niet bij de oppervlakte te blijven.

Wie verkeert in een kerk of een partij of in beide, waar men het niet eens is, ondergaat de heilzame mogelijkheid van zulk een gesprek, dat steeds critisch is. Wie dat met vreugde ondergaat ontdekt hoeveel zegen daarin ligt. En hij zal dat niet willen uiten voor levensverbanden, die veiliger zijn. Critiek van een ander zeeft het eigene. Laat men niet te spoedig toegeven a,an de moeheid van critiek. Hoogstens uitrusten is geoorloofd. L. H. R.