is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 11, 08-12-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnen de grenzen

3

In de beide voorgaande artikelen hebben wij ons opzettelijk zoveel mogelijk beziggehouden met enkele algemene bezwaren tegen het boek „Het christelijk leven in de maatschappij” van prof. dr G. Brillenburg Wurth. Opzettelijk, omdat, naar wij menen, bij de beoordeling van dit boek de vraag, of de schr. vóór of tegen het socialisme is, geen overheersende plaats mag innemen. Een boek, dat een bezinning op de sociaalethische vragen wil geven vanuit een zich als christen in zijn denken gebonden weten aan het Evangelie, mag niet alleen vanuit dit oogpunt worden bekeken. Voor een Christen is het woord socialisme nooit het laatste woord, dat gezegd kan worden.

Dat neemt niet weg, dat in ieder geval aan een werk als dit de eis mag worden gesteld, dat, als daarin over het socialisme wordt gesproken, dit op een juiste en verantwoorde wijze gebeurt. De wetenschappelijke pretentie van een dergelijk werk vereist dit al. Echter ook op dit punt stelt dit werk teleur en geeft het een onjuiste en vaak onbillijke voorstelling van zaken.

Tot slot willen wij daarom op deze kwestie nog wat nader ingaan.

Op pag. 70 heeft de schr. het over het Marxistisch- en over het plan-sociaiisme. Hij begint met de opmerking, dat ook in het „wetenschappelijk socialisme” van Marx de utopistische trekken nog alierminst ontbraken. Even verder zegt hij, dat dit niet minder geldt voor de nieuwere, meer revisionistische vormen van socialisme, zoals bijv. heel het moderne „plan-socialisme”. Als voorbeeld van dit iaatste wordt dan het socialisatie-plan van de Nederlandse S.D.A.P. genoemd.

Nu menen wij, dat het begrip „utopistisch” bij Marx e.a. een heel bepaalde inhoud krijgt. Het utopisme dat door Marx wordt afgewezen kenmerkte zich door de volgende elementen: het ontbreken van een wetenschappelijke analyse van de maatschappij en de daarin werkende krachten, het trachten maatschappelijke verhoudingen te veranderen zonder maatschappeiijkpolitieke machtsvorming, de romantische opvattingen in zake maatschappelijke hervorming door het beschrijven van een „ideale samenleving” of door het experimenteren met „kolonies”. Wij zouden graag sien, dat de schr. aantoonde, dat in deze zin het Marxistisch-socialisme „utopistisch” kan worden genoemd. En nog liever dat hij aantoonde, dat het niet-Marxistische socialisme (van revisionisme tot Labour en P. v. d. A.) niet minder utopistisch is. Het is uiteraard aan de schr. niet onbekend dat van het revisionisme af de ontwikkeling van het socialisme voor geen gering deel is bepaald door de nuchtere politiek der vakbeweging, waarin van „utopisme” geen sprake was. En weike utopistische trekken vertoonde bijvoorbeeld het „Plan van de Arbeid” of recente plannen van de P. v. d. A.? De argumentering van de schr. maakt de zaak niet beter. De meeste (welke van hoeveel? H.) van deze plannen gaan, volgens hem, nl. uit van een visie, die veel te weinig rekening houdt met de werkelijkheid van de zonde. De bedoeling van deze plannen is nl. om een nieuwe maatschappelijke orde in het leven te roepen, waarin de misstanden, die de levensontplooiing van enkeling en gemeenschap

verhinderen, in radicale zin weggenomen zullen zijn. Allereerst enkele vragen. Bedoelt de schr. met deze „misstanden” alleen misstanden in de sociale en economische orde van het maatschappelijk leven? Of bedoelt hij er alles mee? In het iaatste geval is zijn bewering pertinent onjuist. In het eerste geval zouden wij graag weten, welk socialistisch „plan” een radicaal wegnemen van alle misstanden heeft toegezegd. De opmerking van de schr. over de zonde is een wordt. Het omgekeerde iaat zich waarschijnlijk gemakkelijker bewijzen, nl. dat achter de gevoelde noodzaak aan „planning” een diep besef schuilt van de macht van het kwaad, die voortdurend het maatschappelijk leven tot een chaos en een onrechtvaardige orde dreigen te maken.

Heeft de schr. van deze dingen zelf iets beseft, als hij op pag. 90 opeens schrijft; „Vanaf Marx hebben de utopieën plaats gemaakt voor meer nuchtere sociale verwachtingen”? Op pag. 79 iezen wij: „In een pessimistische reactie op de economische ontwikkeling in het begin der vorige eeuw zijn in onze dagen, vooral in de socialistische kring, velen er toe gekomen ook in econo-

misch opzicht deze wereld alleen maar als een chaos te zien en onze bestaande maatschappelijke orde, gezien haar radicale verwording, als reddeloos ten ondergang gedoemd te beschouwen Was dat waar, dan zou verbetering van onze maatschappij alleen te verwachten zijn in de vorm van „nieuwe schepping”, van het verdwijnen van deze maatschappelijke orde en vervanging daarvan door een geheel andere. Dan zouden wij m.a.w. in sociaal-economisch opzicht moeten afzien van alle hervormingspogingen, gelijk bijv. onze christelijksociale beweging en ook onze christelijke politiek zich die ten doel heeft gesteld. Want wat in wezen slecht is, kan niet hervormd worden. Het is alleen waard, dat het te gronde gaat. En wij mensen doen dan goed in de weg van revolutie daar maar toe mee te werken, in de hoop, dat dan straks op de puinhopen van deze tegenwoordige een andere, betere maatschappij herrijzen zal.”

Als men zo iets leest, vraagt men zich toch werkelijk af, of men niet droomt. In de eerste plaats zijn wij benieuwd naar een duidelijke toelichting, waaruit blijkt, dat vooral in socialistische lering (hetzelfde socialisme, dat veel te weinig rekening houdt met de werkelijkheid van de zonde) dit moderne pessimisme leeft. In de tweede plaats laat deze passage geen andere conclusie open, dan dat de schr. meent dat de huidige maatschappij te redden is zonder diep-ingrij pende veranderingen in de sociaal-economische structuur. Op welke gronden? En dat, terwijl de schr. op pag. 223 zegt: „In de vorige eeuw heeft het liberalisme van Adam

HET JAAR

Het jaar is tot de draad versleten en ik verbaas mij dat ik nog besta.

Ik kan de dood van vader niet vergeten en weet nu goed, dat ook ik eenmaal ga.

Het jaar heeft uit ons leven als een wild dier dat langs kwam

zomaar stukken weggevreten; het heeft aan ons geroken, zich even in ons vastgebeten

en ons daarna weggesmeten op de keien van de tijd langs de weg naar eeuwigheid.

Ik vraag mij af, waarom het zoveel nam en zoveel heeft gebroken ...

Straks komt.

een ander cijfer op de rug, datzelfde wilde dier terug.

Is ieder jaar hetzelfde jaar, alleen vermomd?

Of is Kerstmis een verzoeningsgebaar dat ik niet kon begrijpen,

en komt het daarom elk jaar totdat wij eenmaal rijpen ..

THEO VESSEUR