is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 12, 15-12-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RONDOM

„ het geval-Stepinac”

De Linie heeft een rubriek „Van het Oostfront”, waarin in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de gebeurtenissen achter het Ijzeren Gordijn. Gemakshalve rekent de samensteller van deze rubriek ook Zuidslavië tot deze gebieden, zodat we bij tijd en wijle er een opgewonden verhaal over „het geval Stepinac” in tegenkomen.

Hoe zit dat eigenlijk? Joegoslavië is een land met vele godsdiensten. Met uitzondering van Boeddhisten kom je er in de practijk iedere grote godsdienstige richting tegen. Een anecdote moge dit belichten. Bij het verlaten van de vergaderzaal op het congres ter verdediging van de vrede, dat van 23 tot 27 October in Zagreb werd gehouden, zagen een Joegoslavische vakverenigingsman en ik, hoe een tweetal Mohammedanen elkander begroetten. De ene kenden we als een man uit Marokko, de ander, in een traditioneel Oosterse dracht, konden we niet thuisbrengen. „Stel je voor”, zei mijn Joegoslavische vriend, „dat hij uit Joegoslavië komt!”

Hij kwam, zoals ons bij informatie bleek, inderdaad uit Joegoslavië.

Het geval Stepinac is één van de naweeën van de tweede wereldoorlog. Het regime van Ante Pavelitsj had een sterk Roomskatholieke inslag. In Kroatië, waar deze Quisling heerste, werden de Grieks-orthodoxe Serven met geweld gedwongen de Rooms-Katholieke godsdienst aan te nemen. Deze actie heeft duizenden Serven het léven gekost. De eerste de beste inwoner van Zagreb, die ge aan een café-tafeitje ontmoet, ook al is hij zelf Rooms, zal u de gruweldaden van Pavelitsj’ Oestadsji verhalen. Zij zijn te afgrijselijk, om ze na te vertellen in een dag- of weekblad. Ik heb afbeeldingen door hen zelf gemaakte foto’s gezien van gewelddaden, waarbij het optreden van vele SS-ers in Hitlers concentratiekampen slechts een zachtaardige behandeling was. Er zijn slechts weinige overlevenden uit deze gruwelijke tijd. Deze weinigen zijn echter bijna zonder uitzondering voor hun leven geschonden of verminkt. Meer wil ik er niet van zeggen.

Er is in „De Linie” en helaas ook in een aantal protestantse bladen aandacht gevraagd voor Georghiu’s „Vijf en twintigste uur”. Helaas, zeg ik, want de schrijver van dit boek was gedurende het bewind van Pavelitsj diplomatiek vertegenwoordiger van Maarschalk Antonescu in Zagreb. Hij behoorde tot de medeplichtigen aan de misdrijven van de Oestadsji. Hij was schrijver van de meest bloeddorstige en tot geweld aansporende boeken en gedichten die op de Balkan verschenen zijn. Daarom is „Het Vijf en twintigste uur” zulk een oneerlijk boek.

En Stepinac? Stepinac heeft zich als aartsbisschop van Zagreb niet tegen de gedwongen geloofsveranderingen verzet, in-

tegendeel. Hij was kind in huis bij Pavelitsj en hij heeft de geloofsvervolgingen tegen niet-Roomse Serven niet alleen gedekt, doch aan de gedwongen doop deelgenomen.

Zijn arrestatie en zijn proces werd en weer, ge behoeft maar met willekeurig wie ook in Zagreb te spreken door het volk afgedwongen. Stepinac was onhoudbaar geworden en hij kan met Uylenspiegel zeggen, dat hij het er naar gemaakt heeft.

Stepinac bevindt zich thans in de gevangenis. Hij heeft daar een eigen kamer en een eigen kapel, hij krijgt regelmatig bezoek en zijn voeding wordt verzorgd door de dorpspastoor in de gemeente, waar de gevangenis ligt.

Enige tijd geleden heeft een groep Amerikaanse Quakers hem een bezoek gebracht, hoewel hij hen niet wilde ontvangen. Op het verzoek van de autoriteiten, met mij een gesprek te hebben, heeft hij afwijzend gereageerd, hoewel het mij er alleen om te doen was een objectief onderzoek naar zijn positie in te stellen.

De Volkskrant heeft nu op 28 November een bericht gepubliceerd, dat de zaak Stepinac door Tito binnen een maand geregeld zal worden. Het Vrije Volk bracht op dezelfde dag de mededeling wat verstopt tussen het andere nieuws dat Stepinac zou worden vrijgelaten en overgebracht zou worden naar een klooster.

Het is, gezien de houding van Stepinac gedurende de oorlog, voor de Joegoslavische regering onmogelijk, hem in zijn ambt te laten terugkeren. Het gaat hier om collaboratie en welk een collaboratie! met de vijand. Om misdaden, die de Joegoslavische regering de grootste moeilijkheden zouden bezorgen met het volk, als zij Stepinac als aartsbisschop opnieuw zou accepteren.

Is het geval Stepinac dan geen uiting van de vervolgingen, waaraan de Rooms-Katholieke kerk in Joegoslavië blootstaat? Ge kunt bij iedere kerk in Joegoslavië gaan staan en ge zult de gelovigen de kerk zien bezoeken. Ge kunt er de priesters en de religieuzen op straat vrij aantreffen. Ge kunt achter het parlementsgebouw in Zagreb een oude stadspoort vinden, waar een altaar is ingericht en waarvoor de voorbijgangers neerknielen, om voor het herstel van zieken te bidden.

Ten einde mij op de hoogte te stellen van dat, wat er nu eigenlijk gaande is, heb ik op 8 November 1.1. een bezoek gebracht aan de oude Monsignore dr Svetozar Ritig, minister zonder portefeuille in de Kroatische regering en voorzitter van de commissie voor religieuze aangelegenheden van Joegoslavië.

Mgr dr Ritig was tot 1941 pastoor van de stadskerk van Zagreb, de St Marcuskerk. De St Marcuskerk ligt aan het vroegere St Marcusplein, het tegenwoordige Stjepan Raditsj plein in het hart van het oude

Zagreb. Dit plein was in het verleden het centrum van het Kroatische politieke leven. Juist tegenover de kerk bevindt zich Sabor, het Kroatische parlementsgebouw. Aan de andere kant de zetel van het stadsbestuur en het paleis, waarin vroeger de vertegenw'oordiger van de Hongaarse regering, de Banus woonde. Daar, op dit plein heeft mgr dr Ritig bijna dertig jaar geresideerd en een grote invloed uitgeoefend. Wegens zijn grote verdiensten voor de R.K. Kerk werd hij door de paus bekleed met de rang van bisschep en werd hij titulair deken van de St Helene te Zagreb.

Laat ik hem nu zelf aan het woord laten, waarbij ik aanteken, dat ik de thans 78- jarige mijn tekst heb laten lezen.

„In 1941 moest ik voor de Oestadsji van Ante Pavelitsj vluchten. Dit was het gevolg van een oude vete uit 1929, toen ik in de gemeenteraad van Zagreb mij tegen Pavelitsj gekeerd had. Ik vond aanvankelijk onderdak bij mijn broer, prof. Ivan Ritig, hoogleraar aan de agrarische faculteit van Zagreb, die te Novi, ten zuiden van Fiume een kleine villa bezat. Later trok ik mij terug in mijn eigen kleine villa in Seltze, eveneens gelegen in het door de Italianen bezette gebied. Daar bleef ik tot in de zomer van 1943, tot aan de Italiaanse capitulatie.

De Duitsers en de Oestadsji ondernamen nu pogingen, het gebied waarin ik woonde te bezetten. Ik ontving toen een uitnodiging van de partisanen, mij bij hen aan te sluiten. Aan deze uitnodiging heb ik gevolg gegeven, aangezien ik voor de keuze stond door de Oestadsji te worden vermoord of wel in het door de partisanen bezette gebied een normaal kerkelijk leven te herstellen. Ik koos dit vooral omdat deze taak door de zich onder het gezag van Pavelitsj bevindende bisschoppen schromelijk werd verwaarloosd. Een uitnodiging evenwel, in de toenmalige voorlopige regering van maarschalk Tito een plaats te bezetten, heb ik afgewezen.

Na de bevrijding in 1945 ben ik naar Zagreb teruggekeerd. Daar werd ik eerst benoemd tot voorzitter van de commissie voor kerkelijke aangelegenheden en later tot minister van de Kroatische Volksrepubliek. Bij het plechtige Te Deum, dat ik in mijn oude St Marcuskerk opdroeg, waren niet alleen de communistische ministerpresident van Kroatië, Bakaritsj en andere hoge functionarissen van het nieuwe regiem aanwezig, doch ook de Pauselijke nuntius mgr Marione.”

Ik trof mgr dr Ritig bij het bestuderen van het officieuze antwoord van het Vaticaan in de „Osservatore Romano” van 5 November op de opmerkingen, die Tito gemaakt had naar aanleiding van vragen, die de Franse katholieke journalist Pierre Corval gesteld had tijdens het ruim vier uren durende interview, dat Tito ons op 31 Octobej: te Belgrado had toegestaan.

De „Osservatore Romano” maakte gewag van een tweetal lezingen van Tito’s antwoord. Ten eerste de Italiaanse. Tito zou hebben gezegd dat het Vaticaan geen reden heeft, zich in Joegoslavische aangelegenheden te mengen, aangezien in Joegoslavië volledige vrijheid van godsdienst heerst. Verder, dat er geen onoplosbare vraagstukken tussen Joegoslavië en het Vaticaan bestaan. De oplosbaarheid van de vraagstukken echter wordt bepaald door de houding van het Vaticaan.

Ten tweede, de officiële van het Joegoslavische persagentschap „Tanjug”. Deze luidt; Joegoslavië heeft geen behoefte zich in aangelegenheden van het Vaticaan te mengen. Er is geen enkele kwestie tussen Joegoslavië en het Vaticaan, die niet opgelost zou kunnen worden. Joegoslavië stelt