is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 23, 08-03-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oorlog en revolutie

Het is een illusie te menen, dat de oorlog de kracht is, die anfi-militarisme en antioorlogsgezindheid oproept of versterkt. Zelfs de gruwelen van de oorlog zijn niet in staat op den duur een anti-oorlogsstemming in stand te houden. De anti-oorlogsgezindheid is een reactie kort na een oorlog. ledere nieuwe generatie beschouwt echter de ervaringen van de voorafgaande als overdrijving. Aangezien bovendien de mens de neiging heeft ook de bitterste ervaringen terug te dringen en er de „zonnige” kanten aan te zien, ontstaat spoedig een geromantiseerd beeld, dat de jongere generatie eerder bekoort dan afstoot.

Krijgshaftige dat is iets anders dan oorlogzuchtige volkeren ontstaan door herhaaldelijk aan de oorlogsfurie onderworpen worden. Joegoslavië 'bijv. onderging in de laatste halve eeuw vijf maal een oorlog. Men kan niet zeggen, dat de Joegoslaven oorlogzuchtig zijn. Krijgshaftig daarentegen zijn zij wel.

Overweegt men dergelijke feiten, dan dringt de conclusie zich aan ons op, dat de anti-oorlogsgezindheid van ons volk en het anti-militarisme voortvloeien niet uit de oorlogservaring doch uit de traditie van een lange periode van vrede. De discussies, die dan ook nu ten aanzien van het militaire vraagstuk zijn losgekomen, moeten verklaard worden uit het keerpunt in onze geschiedenis, dat de Duitse overval op 10 Mei 1940 heeft betekend.

De wijzigingen in ons staatsbestel hebben zich in de laatste eeuw zo schokloos voltrokken, dat de idee van de gewapende opstand buiten het Nederlandse bewustzijn is gedrongen. Ons‘ land en ons volk hebben geen revolutionnaire traditie. Daardoor is een principieel anfi-revolutionnaire gezindheid ontstaan. Alle wijzigingen en veranderingen zijn immers langs legale weg te veroveren!

Voor zover de principieel anti-revolutionnaire gezindheid betrekking heeft op de wijzigingen in de sociaal-politieke structuur van ons land, behoeft dit vooralsnog geen nadeel te zijn. Wanneer deze gezindheid echter de maatstaf, de norm wordt, waarmee we de verschijnselen buiten onze grenzen beoordelen, dan kan zij voor de vorming van ons politieke standpunt en het nemen van beslissingen rampzalig zijn.

De tragiek van ons volk en van zijn politieke partijen is, dat deze anti-revolutionnaire gezindheid belet heeft, het Indonesische probleem anders dan in het legale vlak te zien. Ondanks de eigen ervaringen in de tweede wereldoorlog is het antirevolutionnaire, zich op „rechtstitels” baserende denken niet gewijzigd. Men gaat daarom voort die vraagstukken in de wereldontwikkeling, die in het revolutionnaire vlak liggen met awfi-revolutionnaire maatstaven te meten. Men vermag blijkbaar de gewapende opstand, de revolutie als wezenlijke factor in wereldhistorische, wereldpolitieke vraagstukken niet in rekening te brengen. Integendeel. Terwijl het antimilitarisme en de anti-oorlogsgezindheid in ieder geval een uiterst belangrijk discussiepunt zijn geworden, is men aan het stellen van het probleem van de gewapende opstand, van de revolutie als factor in het tegenwoordige wereldgebeuren nog niet toe.

Dit alles is te opmerkelijker, omdat de verovering van de burgerlijke vrijheid en de democratische rechten langs de weg van

de gewapende opstand voor een groot deel van de mensheid een actueel vraagstuk is. Wij denken daarbij aan de millioenenmassa’s achter het Ijzeren Gordijn, in Franco-Spanje en in de heel of half koloniale gebieden. Terwijl bovendien, als de tekenen niet bedriegen, de val van het regime van Perón in Argentinië langs revolutionnaire weg aanstaande Is.

Bovendien is intussen wel gebleken, dat het vraagstuk van de vrede in onze tijd nauw gekoppeld is aan dat van het bestaan, resp. van de omverwerping van de totalitaire dictaturen. Men aanvaardt de tweedeling van de wereld als een onwrikbare, onontkoombare realiteit. Maar men vergeet bij de maatregelen, die men voor de handhaving van de vrede voorstelt dat, zolang deze onwrikbaarheid voortduurt en zij duurt voort, omdat voor de opheffing er van de omverwerping van de dictatuur onmisbare voorwaarde is de vrede niet gewaarborgd kan worden.

Diegenen, die dan ook om der wille van de verdediging van het Westen de bewapening aanvaarden, die dus van de onwrikbaarheid van de tweedeling uitgaan, verwerpen de mogelijkheid van de omverwerping van de dictatuur. Zij gebruiken daartoe het ogenschijnlijk sterke argument, dat het perfectionisme van de moderne dictatuur iedere omverwerping van deze macht van binnen uit, illusoir maakt.

Nu getuigt dit argument op zich zelf er al van, hoe zeer het principieel anti-revolutionnaire denken de vertegenwoordigers er van belet, tot het wezen van de gewapende opstand en de oorzaken er van door te dringen. Immers, geen enkele gewapende opstand in de geschiedenis tot nog toe is geslaagd of mogelijk geweest zonder dat de betreffende sociaal-politieke structuur vermolmd was, zonder dat ambtenaren, soldaten, politie etc. dus de vertegenwoordigers van „het gezag” althans voor een belangrijk en beslissend deel het vertrouwen in de bestaande macht verloren hadden.

Het anti-revolutionnaire denken in Nederland, gebaseerd op de relatieve stabiliteit van onze maatschappelijke en politieke verhoudingen, kan er blijkbaar niet toe komen, de toenemende desintegratie in deze verhoudingen in belangrijke delen van de wereld als de realiteit te accepteren en daar, waar de opstand een feit wordt, deze desintegratie als wezenlijke oorzaak te zien.

Wij veroorloven ons hier een nauwlettend gadeslaan van de Argentijnse ontwikkeling aan te bevelen, aangezien deze, naar wij vermoeden, een bevestiging van het vorenstaande te zien zal geven.

Gaat men van de onwrikbaarheid van de dictatuur uit, dan verklaart men de bewapening permanent. Men heeft dan immers als enig middel om het overgaan van de „koude” in de „warme” oorlog te beletten, de „gewapende vrede”. Zo men wil, de op bewapening en militair overwicht berustende „collectieve veiligheid”. Maar daarmee verklaart men de bewapening tevens onbegrensd! Want men huldigt dan de opvatting, dat de vrede alleen gehandhaafd kan worden door het voortdurende militaire overwicht op de tegenpartij. En omdat de sociaal-politieke structuur van de dictatuur onwrikbaar is, kan men er niet van uitgaan, dat zij zich bij dit militaire overwicht zal neerleggen. Integendeel! Zij zal, krachtens haar wezen als dictatuur dat immers is de bron van haar agressiviteit moeten trachten dit militaire overwicht ongedaan te maken, o.a. ter voorkoming van een door het Westen te ontketenen „preventieve oorlog”. Omgekeerd moet het Westen alle krachten inspannen om het militaire overwicht te behouden. De consequentie is dan een permanente en onbeperkte bewapeningswedloop die we refereren hier aan de opvattingen van Jaurès op den duur moet uitmonden in een derde wereldoorlog.

De opvatting, dat men door de „verwerven kracht” aan de conferentietafel de dictatuur „tot rede” kan brengen en dus tot ontwapening, komt ons voor in de politieke kinderkamer thuis te horen. Zij is een gevaarlijke illusie.

In een tweede artikel zullen wij onze zienswijze met betrekking tot de mogelijkheden van een andere bestrijding van de Russische dictatuur nader uiteen zetten,

FRITS KIEF

Win ook eens een prijs!

Onder titels als bovenstaande plegen artikelen van de meest verschillende aard zich listig aan de argeloze lezeres of lezer op te dringen. Te laat bemerkt men dan meestal, zijn tijd en aandacht te hebben besteed aan een product, waarvoor men werkelijk geen interesse heeft. Ik heb daarom een hekel aan zulke lok-titels. Eerlijkheidshalve krijgt dit artikel daarom een onder-titel: bespiegelingen over prijsvragen, rebussen en aanverwante zaken. Nee, daar steekt niets achter. Het zal werkelijk gaan over de prijsvragen en rebussen, die u regelmatig in dag-, week- en maandbladen aantreft.

Het valt namelijk op, dat al enkele jaren lang een verbazend groot aantal van die dingen op ons, lezers van genoemde bladen, wordt losgelaten. En wie zijn oor eens in diverse kringen te luisteren legt, merkt al gauw hoe intens en massaal men aan alle mogelijke prijsvragen meedoet.

Was het geen winstgevend zaakje, dan

zou het aantal prijsvragen, rebussen e.d. ongetwijfeld niet zo groot zijn.

Wat zit er toch achter dit verschijnsel?

Om die vraag te kunnen beantwoorden, lijkt het mij goed wel een paar onderscheidingen aan te brengen.

In een eerste groep zou ik dan die prijsvragen Willen onderbrengen, die in een overigens serieuze zaak een plezierig ontspannings- en spelelement proberen ce brengen en waarbij de uitgeloofde prijzen bescheiden en aardig zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan de aardige prijsvragen uit de „Boekengids”, die a.h.w. spelenderwijs onze literatuur-kennis testen en waarbij een klein aantal prijzen bestaat uit bescheiden bedragen, die voor boeken mogen worden besteed. Of bijvoorbeeld de bijzonder aardige prijsvraag van de „Cultuur-serie” (Zuidhollandse Uitgeversmij) waarin gevraagd wordt om in een bepaald aantal woorden te vertellen, waarom men een bepaald boek uit deze serie het mooist