is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 24, 15-03-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over praten en preken

Azië wordt bedreigd door het uiteenvallen van zijn levensgemeenschappen. De gezinnen en families dreigen hun kracht als eenheid te verliezen, doordat ze opgelost worden in aantallen individuen. Dat is ook het lot van de plattelandsgemeenschappen, de dorpen. Indonesië beleeft een sterke stroom van het land naar de steden. Daar vormt zich een stadsproletariaat. De eenlingen zijn, bandeloos, omdat de enige vredestichtende kracht: de gemeenschap, ontbreekt. China bezweek voor de verleiding, dit afbraakproces acuut te „bevriezen” met militaire en politionele macht, ten einde de voortgaande desintegratie tegen te gaan. Nehroe en Hatta vechten tegen de verleiding van deze „oplossing”; omdat niemand weet hoe de ban naderhand te verbreken.

Het is het- probleem van de gemeenschap die breekt. Wij leven dagelijks in de gebroken gemeenschap. Tij d en Taak lezende van 23 Februari werd ik getroffen door het feit, dat op de een of andere wijze dit probleem in alle artikelen doorschemert. Twee artikelen stellen het direct aan de orde: een over het gesprek en een over de preek. Hier gaat het over het woord als gemeenschapstichtende factor. Maar zoals het daar gezegd wordt, geeft het aanleiding tot vragen. Wat verwachten wij van het woord? Waarom klagen wij over devaluatie van onze woorden? Wat is er mis met de preek en met het gesprek? Is de zaak gezond als het woord weer waarde heeft? Met andere woorden: wekken deze beschouwingen niet min of meer het idee, dat er bovenal aan de gezondmaking van het menselijke woord gedokterd moet worden?

Azië wordt getroffen door het lot, dat ons in het verleden trof. Het kwam tot ons als een langzaam afbraakproces, het komt tot Azië als een blikseminslag. De devaluatie van het woord is echter niet de oorzaak maar een begeleidend verschijnsel. Het woord heeft een functie op grond van gemeenschap. Men kan dit waarnemen in het Oosten, wanneer daar een westers gebruik van het woord wordt gemaakt. Niet de inhoud van de toespraak maakt indruk op de massa, maar de sfeer die de spreker weet te creëren. Die sfeer is de sfeer van het vertrouwen en van de gemeenschap. De spreker hoeft „niets te zeggen” om zijn doel bij de massa te bereiken. (Een van de redenen waarom Nehroe de verkiezingen aandurft!) Maar dit is slechts een voorbeeld. Ik geloof niet dat, zoals Ruitenberg zegt, het woord het geleidemiddel bij uitstek tussen mensen is geweest-sinds Mozes. Wij zijn dat, door verlies van andere waarden, in het woord gaan zien. Wij hebben ook veel meer behoefte aan woorden door dat verlies. In oud Israël was het zo: op grond van de gemeenschappelijke ervaring van Gods in het volk kan het woord een geleidemiddel worden. Maar niet elk woord: dat van de charismatische leider, de vorst, de priester, de profeet of de patriarch. Zij schiepen de gemeenschap door hun optreden en door hun woord.

Wij zijn deze natuurlijke verbanden kwijt. Wij kunnen ze niet doen herleven. Waarom zouden wij echter klagen over machteloosheid van het woord? Waar wij nog gemeenschap vinden, daar leeft ook

het woord! Men kan het illustreren aan de kerkdienst in een dorp op de Veluwe. (C’est Ie ton qui fait la musique.) Maar ook het woord van Tijd en Taak heeft waarde, omdat het ontvangen wordt door een aantal mensen die geestverwanten zijn in vele opzichten. De conferentie ontleent haar waarde aan het samen zijn en samen werken, wat, naar men vaak kan horen, „haast nog belangrijker is dan hetgeen er gesproken wordt”. Wij weten deze dingen wel, maar mogelijkei*wijs realiseren wij ons te weinig, dat de moeiiijkheden ons steeds meer deden grijpen naar woorden als laatste middel.

In een gemeenschap hervindt het woord dadelijk zijn kracht. Het gesprek om tot elkander te komen is een moderne vinding, en in feite iets tegenstrijdigs. In de prac-

tijk houden wij daar rekening mee. Wij brengen de mensen bij elkaar in een bepaalde vorm van gemeenschap. Dan kan men gaan spreken. Wij moeten bij preek en gesprek ons er van bewust zijn, dat zij alleen niet tot het doel kunnen voeren.

Ik wees op het Oosten, omdat daar de dingen zeer duidelijk zijn. Wat wij in onze maatschappij herontdekken ten aanzien van de gemeenschap, vindt men daar nog zonder moeite. Ik wijs nog op twee verschijnselen: Onderhandelingen hebben ginds pas nut, als het vertrouwen er is. Het klinkt platvoers, maar het is essentieel. En het tweede is dit: wanneer er vertrouwen is, dan zijn er niet veel woorden meer nodig. Ook dat ervaart men ginds. Het is de persoonlijke relatie op grond waarvan preken of praten zinvol is. H. J. F.

Het verzet van de burger

De politieke allures van mannen als Gerretson of Duynstee in één adem noemen met de Franse revolutie, lijkt misschien een vreemd en zelfs boosaardig bedrijf. Toch kon het wel eens blijken niet zo verschrikkelijk vreemd te zijn.

De Franse revolutie is namelijk de revolutie-van-de-burger geweest. Van de „derde stand”, de klassen van de zich, door handel en industrie en economisch steeds sterker en daardoor zelfstandiger voelende „burgerij” in de betekenis, die dat woord vroeger had. De beroemde vrijheid en gelijkheid, waarom naast de broederschap geroepen werd, beoogde die vrijheid, welke op economisch en politiek terrein zijn uitdrukking vond in het klassieke liberalisme. De gelijkheid betekende: gelijkheid voor deze „burgers” met de tot nu toe heersende groepen van adel en geestelijkheid.

De 19e eeuw wordt dan ook in sterker mate de eeuw van de burger. Economisch ,en politiek betekent dit: de eeuw van het liberalisme en van de beperkte democratie. Beperkt in tweeërlei zin: vooralsnog blijven de politieke democratische rechten meestal en grotendeels voorbehouden aan de „burgers” en de vroegere heersende groepen; van een economische en sociale democratie is in het geheel geen sprake.

Tegen het midden van deze eeuw-vande-burger begint een nieuwe, massale groep zich te laten horen en langzamerhand ook te laten gelden: die van de arbeiders van het „proletariaat”.

De politieke en sociale strijd in de tweede helft der 19e eeuw, die in de 20e eeuw wordt voortgezet, is in sterke mate een strijd tussen de „burger” en de „proletariër”.

Voor de laatsten zijn er in die strijd twee mogelijkheden: hij kan proberen de „burger” achterna te gaan, met de „burger” gelijk te komen, zich in de wereld van de „burger” een redelijk comfortabele plaats te veroveren. Of: hij kan trachten door zijn strijd te komen tot een nieuwe ordening der samenleving, waarin het redelijke recht van de „vierde stand” verwerkelijkt wordt. Hierover aanstonds nog iets meer. Vooraf echter deze opmerking: de wereldvan-de-burger veronderstelt een bepaald „patroon” der samenleving, zoals ook de wereld van de middeleeuwse ridders en die van de daarop volgende nationale staten het deden. Door uitbreiding van de handel, uitvinding van het buskruit enz. viel het „patroon” weg, waarop de wereld-van-deridder zich kon handhaven. De opkomst der

industrie, samen met verschillende geestelijke factoren, deed het „patroon” verdwijnen, waarop het tijdperk, dat aan de eeuwvan-de-burger voorafging, kon steunen.

Maar ook deze wereld-van-de-burger veronderstelt een bepaald „patroon” der samenleving, nl. dat „patroon”, dat we gewend zijn aan te duiden met de woorden: kapitalistische maatschappij.

De grondtrek van het patroon is het individualisme. De wereld-van-de-burger is gebouwd op de grondstelling, dat ieder individu zich onbelemmerd moet kunnen ontplooien. Voor zover er in de wereld van de burger spelregels nodig zijn, mogen die alleen dienen, om deze vrijheid van de burger te beschermen.

De democratie wordt in deze wereld dan ook individualistisch opgevat. Grondregel: iedere individuele politieke mening heeft gelijk recht en moet gèlijkelijk en vrij tot uiting kunnen komen. Spelregel: van de individuele meningen worden sommetjes gemaakt, de meeste stemmen gelden. Grens: de bovengenoemde vrijheden van de burger mogen niet worden aangetast.

Deze wereld-van-de-burger veronderstelt ook een economische constellatie, waarbinnen deze „vrije” ontplooiing mogelijk is.

Voor de „vierde stand”, voor de arbeiders-klasse wezen we hiervoor op twee mogelijkheden. Zien we het goed, dan heeft deze „vierde stand” het ook in beide richtingen gezocht. Onze indruk is, dat met name in Amerika de arbeiders tot op heden in vrij sterke mate de eerste weg zijn gegaan. Men heeft de wereld-van-de-burger (kapitalistische maatschappijvorm, free enterprise) aanvaard en tracht in die wereldvan-de-burger een grote plaats te veroveren. Het socialisme heeft o.i. voor de tweede weg gekozen vanuit de overtuiging, dat de ontwikkeling van de economische en politieke situatie in de wereld de veronderstellingen voor de wereld-van-de-burger in steeds sterker mate deed verdwijnen en dat bijgevolg de enige weg tot een goede en rechtvaardige samenleving ligt in een structuurverandering der samenleving. Wat dit wegens het socialisme inhoudt, behoeft hier nu niet uitvoerig te worden uiteengezet. Men leze daarvoor bijv. het nieuwe plan van de P.v.d.A.

Met het wegvallen van het noodzakelijke „patroon” wordt echter de wereld-van-deburger een onmogelijkheid. De burger zal

(Vervolg op pag. 8)