is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 26, 29-03-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Engelse Budget

De vraag die je, vanuit een land als het onze, dat*zo intens van een groei van de internationale ruil afhankelijk is, met enige beklemming stelt is; of de plannen van minister Butler, waarvan het nieuwe budget de voltooiing, de „laatste ronde” vormt, het pond sterling van de dreigende catastrophe zal redden. Zal het gat van de Engelse betalingsbalans, dat voor de directe verantwoordelijkheid van de Engelse regering komt en dat ondanks de tot nu getroffen maatregelen haast onverminderd is blijven bestaan, verdwijnen?

Op de kortste termijn kan dat misschien door de nieuwe importbeperkingen die hij tegelijk aankondigde; maar op de lange termijn kan dat alleen als de inflatie, die de wortel van het kwaad is, wordt aangetast. Inflatie betekent: te veel aan koopkracht in verhouding tot het nationale product na goederenruil met het buitenland. Men geeft te veel uit, voor consumptie of voor investeringen of voor allebei; te veel, omdat het meer is dan het nationale product. Het teveel wordt precies weergegeven door het betalingsbalanstekort.

Als dit het euvel is moet het totaal van de bestedingen (consumptie plus investeringen) naar beneden.

Het eerste antwoord van minister Butler vormt het begrotingssaldo; er wordt een overschot geraamd van ca 500 mln pond. Of dat genoeg is valt van hier uit moeilijk te zeggen; daar een gezaghebbend blad als „The Economist” meent dat het 200 k 300 mln te weinig is, is onze ongerustheid echter niet helemaal weggenomen.

Bij nadere beschouwing is er trouwens nog wel verdere reden tot twijfel. De koopkracht wordt natuurlijk weggezogen door belastingen en door prijsmaatregelen. Daarbij hangt er veel van af wddr de last precies wordt gelegd. Bezien we het geheel, dan blijkt dat de hele last wordt gelegd op de Investeringen, terwijl de consumptie, naar Butler uitdrukkelijk heeft verklaard, vrijwel op het bestaande peil kan worden gehandhaafd. Dat was voor de Engelsen een onverwachte wending: leder had zich op een periode van ontberingen Ingesteld, er was een vrij algemeen gevoel (Bevan deelde dit niet) dat dit moest worden aanvaard en ziet: het kan zonder.

Als de minister van Financiën dit verklaart, dan lijkt het een beetje dwaas om vraagtekens te zetten. Desniettemin is het werkelijk mogelijk om, terwijl het productieapparaat volledig is bezet, de export te vergroten zonder de binnenlandse consumptie aan te tasten? En dan: als men bovenop de voor de bestaande consumptie en de bestaande export werkende bedrijven productiecapaciteit wil scheppen voor exfra-export, snijdt men zich dan niet in de vingers door met het belastingmes juist de investeringen te treffen? Dat kan alleen zólang geen kwaad als men bijvoorbeeld bij het besnoeien van de investeringen buitensporige voorraadvorming afsnijdt en het bedrijfsleven dwingt om op abnormaal grote voorraden te gaan teren; maar daar komt een einde aan en dan kan men de gestelde vraag niet meer ontlopen. Gelukkig kan men over de ontwikkeling van het monetaire evenwicht (met name in een vreemd land) nooit met zekerheid spreken; als het laatste woord gezegd is, het laatste argument afgevuurd, moet een verstandig

mens erkennen, dat het in hoofdzaak een kwestie blijft van „feeling”. En minister Butler geeft niet bepaald de indruk dat hij moeilijkheden wil ontlopen.

Dat blijkt in de eerste plaats doordat hij het heilige huisje van de levensmiddelensubsidies aantast. Ook al heeft hij dit dan niet gedaan om er de consumptie door te verlagen, dan blijft dit toch nog nuttig, omdat de gezinnen zich in hun uitgaven rekenschap behóren te geven van de verhouding waarin de reële kosten staan, die voor de door hen gekochte artikelen zijn gemaakt. En die verhouding wordt door de prijssubsidies helemaal onzichtbaar.

In de tweede plaats heeft hij bij de belastingverlagingen voor de gewone man, die de stijging van de kosten van levensonderhoud voor hem moeten compenseren, voornamelijk gebruik gemaakt van de (evenals bij ons sterk progressieve) inkomstenbelasting. En hij heeft dit zó gedaan dat in veel sterker mate dan tevoren de vrucht van een sterker inspanning ook aan de betrokkene ten goede komt. Wanneer de belastingen zeer hoog moeten zijn (zoals in deze tijd) is een van de gevaren van een sterk progressief belastingtarief dat de bate van extra-inspanning vrijwel geheel aan de fiscus kan gaan toevallen. Daardoor doet dan niemand meer bijzonder zijn best, wat

voor het land uiteraard funeste gevolgen heeft. Als het gevolg van de originele verbeteringen van minister Butler nu bijvoorbeeld eens zou zijn, dat het absenteïsme in de steenkolenmijnen verdween, dan zou dit een extra-productie van miilioenen tonnen betekenen, die men vrijwel voor 100% voor export zou kunnen bestemmen. De minister heeft dus zonder enige twijfel op een uiterst belangrijk punt de koe wèl bij de horens gepakt, en er is stellig alle reden om hem enig crediet te geven. Daarmee is de ongerustheid echter natuurlijk niet helemaal uit ons hart verdwenen.

De betekenis van een begroting hangt voor een belangrijk deel af van de vraag of zij harmonisch past in het geheel van, de economische en financiële politiek. Het zou veel te ver voeren daar nu op in te gaan. Slechts zij nog even gememoreerd dat minister Butler tegelijk met zijn begroting een sterke verhoging van het disconto van de Engelse Bank aankondigde (tot 5%). Hij toont zich daarmee een aanhanger van een ouderwets geneesmiddel tegen inflatie, waarvan het effect in de laatste 20 jaar sterk wordt betwijfeld (in Engeland door Keynes, bij ons door Tinbergen), behalve dan voor bepaalde sectoren. Het zal interessant zijn om te zien hoe het werkt.

Voor ons land zal het gevolg van de nieuwe importbeperklngen natuurlijk slecht zijn. Maar daar kom. ik in ander verband misschien nog wel eens op terug. Als Engeland zijn deviezencrisis overwint komen we dit tijdelijke nadeel vanzelf wel weer te boven. R. BOUDEWIJNS

B RIE FWISS E LI N G

Aan de Redactie van „Tijd en Taak” L.S.

Reeds enige tijd loop ik met de gedachte rond dat er toch nog wel iets gezegd moet worden naar aanleiding van het artikel van L. H. R. in Tijd en Taak van 29 September 1951. Puntsgewijze heb ik de volgende grote bezwaren tegen dat artikel:

1. Zou de Oecumene voor een dergelijke verklaring te vinden geweest zijn? Dus voor een verklaring van Christenen en Humanisten beide? Een van de studiegroepen binnen de Oecumene is bezig geweest met de vraag: „Kunnen Christenen en niet-Christenen op politiek en sociaal gebied met elkaar samenwerken?” Is de Oecumene dus nog niet klaar met die vraag? Dan is ook een gecombineerde verkiaring vooralsnog niet te verwachten. En dan is hier het halve ei (verklaring van Vrijzinnig Christendom en Hum. Verbond) beter dan de lege dop (geen verklaring van alle Christenen en Humanisten te zamen).

2. Een verklaring, die werkelijk wat te zeggen heeft, heeft altijd zin, ook als de macht om het gewenste in practijk te brengen, ontbreekt. Ter vergelijking kan bijv. dienen het Communistisch Manifest van 1848.

3. Wel samenwerking tussen Christenen en Humanisten? (vgl. ook punt 1). Maar geen gezamenlijke verklaringen over een zelfde verontrusting? Tegenover L. H. R.’s bewering zonder enig bewijs stel ik de vraag: „Waarom is uw bewering juist? Zij schijnt mij onjuist.”

4. De Troomede wordt door L. H. R. slechts even genoemd, doch verder met stilzwijgen behandeld. Zij past ook niet naast de urgentieverklaring van de P.v.d.A. Waar is de macht van de P.v.d.A. om in een regering haar verklaring door te voeren? De Troonrede moge in haar vage woorden voldoende bewijs leveren dat de P.v.d.A. weer eens het zoveelste compromis heeft moeten sluiten. Waar blijft dan de macht achter de urgentieverklaring? Conclusie: Macht is niet nodig, voor elke verklaring en kanselboodschap is voldoende de geestelijke

macht die er achter staat, ja, als het goed is, er achter moet branden. Zie ook het hoofdartikel in Tijd en Taak van 1 Sept. 1951.

En welke macht, anders dan geestelijk, stond achter de verklaringen van 1943? 5. Inderdaad, er moeten niet te veel verklaringen komen, maar onze tijd vraagt, evenals in de donkere bezettingsjaren, om goede, verantwoorde en klemmende voorlichting, ook in de vorm van verkiaringen die blijk geven van verontrusting. Samenwerking op brede basis is daarbij zeer gewenst. Hoogachtend, D. WEMES ANTWOORD

1. Of de oecumene voor een dergelijke verklaring te vinden zou zijn geweest is niet te zeggen, het is niet gevraagd. 2. De vergelijking met het Communistisch Manifest gaat waarlijk niet op. In het C.M. trof een diepe analyse, een duidelijke weg en een aantal practische eisen.

3. Samenwerking tussen Christenen en Humanisten is geboden op die punten waar men samen handelen kan. Mijn grote bezwaar was, dat er geen duidelijke weg gewezen werd. Was dit wel het geval, dan zou dat ook duiden op een gemeenschappelijk inzicht en een gemeenschappelijke wil. Hier was het teveel een vrijblijvende opmerking.

4. Het is jutst dat er geen politieke macht nodig is, die zich onmiddellijk kan effektueren om een verklaring en een kanselboodschap af te leggen. Wanneer dit een geestelijke macht is, is het wel van groot belang. Maar juist die geestelijke macht zie ik niet wanneer het gaat tussen twee groepen die zulke verschillende uitgangspunten hebben. Ik betreur dit en ik meen, dat de consolidatie van het Humanisme in het Humanistisch Verbond het humanistisch element in het christendom zal verarmen.

5. Accoord. Ook ik vraag goede, verantwoorde en klemmende voorlichting. Was deze verklaring dat heus wel? T TT o L. H.