is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 27, 05-04-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZIET GIJ ONS ZO,

PROFESSOR?

Nadat wij ons artikel „Geen Derde Christelijk Sociaal Congres” geschreven hadden, verscheen er in het „Gereformeerd Weekblad” van 28 Maart een artikel van de hand van professor dr G. Brillenburgh Wurth over de trieste geschiedenis van het Derde Christelijk Sociaal Congres onder de titel „Getuigenis en Bezinning”.

Het Derde Christelijk Sociaal Congres wilde een getuigenis zijn. De opzet mislukte echter en bleek niet voor verwerkelijking vatbaar. Wel komt er nu een Christelijk Sociale Conferentie, die meer in het teken van bezinning zal staan. Die bezinning is volgens professor Wurth broodnodig.

Tot zover hebben wij geen enkel bezwaar, zijn wij het integendeel met professor Wurth volkomen eens.

Maar wanneer deze zijn uitspraak gaat toelichten, zegt hij enkele dingen, die wij toch wel buitengewoon betreuren, niet het minst omdat zij door hem gezegd worden.

Professor Wurth wil niet misverstaan worden, warmeer hij zegt, dat wij niet meer leven in „een periode van geestelijke verzekerdheid” en er daarom „misschien meer aanleiding voor de bezinning” is. Hij schrijft:

„Wij bedoelen dat zeker niet in de zin, waarin sommigen van onze medechristenen in Nederland vandaag van geen enkele vastheid meer willen weten en alles wat vroeger geloofd en beleden werd in de kerk en in het leven weer eens op losse schroeven willen gaan zetten en „in de waagschaal” vsdllen gaan werpen, afwachtend, of wij daarna dan nog weer iets nieuws ervoor in de plaats zullen vinden”.

Wij zouden professor Wurth in volle ernst willen vragen: ziet gij ons want wanneer gij ons niet bedoelt, wie bedoelt gij dan? inderdaad zo? „Sommigen van onze medechristenen in Nederland.” Wie zijn dat?

Wij vragen dit, omdat hier zonder enige nadere toelichting en motivering gezegd wordt, dat deze „sommigen van onze medechristenen in Nederland” van geen enkele vastheid meer willen weten en alles wat vroeger geloofd en beleden werd in de kerk en in het leven, weer eens op losse schroeven willen zetten en in de waagschaal willen werpen. De woorden „in de waagschaal” (tussen aanhalingstekens) wijzen in een bepaalde richting, al behoeven wij niet uitsluitend aan het weekblad „In de Waagschaal” te denken. Wij kunnen evengoed aan „Tijd en Taak” denken.

Professor Wurth is een oud vriend van mij en ik geloof, dat wij in ons hart nog altijd vrienden zijn gebleven. Daarom doet zo’n uitspraak dubbel pijn. Mijn beste vriend Wurth, zeg mij nu eens, wie die sommigen zijn. En verzacht je uitspraak daarbij niet.

Je zegt dat wij van geen enkele vastheid meer willen weten en alles N.B. alles wat vroeger in de kerk geloofd en beleden werd, weer op losse schroeven willen gaan zetten. En je hebt er aan toe gevoegd, dat „een dergelijke toepassing van de theologie der crisis op christelijk sociaal terrein” je „hoogst bedenkelijk” toeschijnt.

Wil je van mij geloven, dat ik het in dit opzicht geheel met je eens ben?

Het is nogal geen kleinigheid: van geen enkele vastheid meer willen weten en alles wat vroeger door de kerk geloofd en beleden werd, op losse schroeven willen zetten. Je weet heel goed, wat je lezers wanneer ze je artikel op zich laten inwerken, over ons In de Waagschaal en Tijd en Taak zullen denken. Zij moeten wel een groot vraagteken zetten achter je kwalificatie „sommigen van onze medechristenen in Nederland”.

Je kent onze bezwaren. Je weet, dat wij inderdaad van bepaalde vastheden niet meer willen weten, omdat wij nu eenmaai te recht of ten onrechte tot de overtuiging gekomen zijn, dat het geen wezenlijke vastheden zijn, en dat wij inderdaad een en ander, dat door de kerk vroeger geloofd en beleden werd, in de waagschaal willen werpen. Maar wat heb je van ons gelezen, dat je er toe brengt te beweren, dat wij van geen enkele vastheid meer willen weten en alles wat door de kerk vroeger geloofd en beleden werd, in de waagschaal wiUen werpen?

Zulke dingen moest je toch niet zeggen. Zij zijn met de waarheid in strijd en als zij gezegd worden door mensen, die als jij toch wel een en ander van ons gelezen hebben, doen zij pijn. Met opzet gebruik ik geen sterker woorden, maar je begrijpt mij wel. Wat betekent medechristen zijn en wat betekent vriend zijn in de zin, waarin wij toch vrienden willen zijn, als je zo over

ons denkt en schrijft en als aan het gereformeerde en anti-revolutionnaire publiek zulke voorstellingen over ons door jou worden bij gebracht?

Zeg dan niet verderop in je artikel: zo lang als het „christenen” zijn, „mogen wij elkaar tot geen prijs uit moedeloosheid loslaten”.

Natuurlijk, je hebt gelijk, warmeer je zegt: „Het is momenteel moeilijk, met doorbraakchristenen tot een bevredigend gesprek te komen”, maar je zult moeten begrijpen, dat wij met even veel recht zeggen, dat het momenteel moeilijk is, om met gereformeerde en anti-revolutionnaire christenen tot een bevredigend gesprek te komen, zeker, wanneer er over de doorbraakchristenen gedacht en geschreven wordt, zoals jij het doet.

Geloof mij, ik schrijf dit artikel niet in felheid en opgewondenheid. Ik doe het veeleer in een gevoel van grote teleurstelling en ook met een innerlijk verdriet.

Daarom vraag Ik je zeer dringend, je uitspraak nog eens ernstig te overwegen en haar zo mogelijk terug te nemen. Zeg niet, dat je het zo niet bedoeld hebt. Dat is alleen maar irriterend, want je hebt het zo wel gezegd en geschreven. Handhaaf je uitspraak, maar zet het gesprek stop, want dan is het hopeloos en zonder uitzicht, of neem haar royaal terug. Als je je uitspraak handhaaft, kan er van vriendschap geen sprake meer zijn. Hoe kunnen wij vrienden zijn, indien wij elkaar in het geheel niet meer verstaan? Dan bhjft er alleen een weemoedige herinnering aan vroegere vriendschap over.

Neem je uitspraak terug, want ik geloof nog altijd, dat je evengoed als ik weet, dat wij er niet over denken, om van geen enkele vastheid meer te willen weten en alles, wat vroeger in de kerk geloofd en beleden wérd, weer op losse schroeven te willen zetten. J. J. BUSKES Jr

STEDELIJKE

EN PLATTELANDSLONEN

De vorige maal vertelde ik dat de Gommissie-Kruyt, ingesteld door de minister van Sociale Zaken, een half jaar geleden een mooi rapport heeft gepubliceerd over deze ingewikkelde materie, die de levensomstandigheden van honderdduizenden Nederlanders direct raakt. Het probleem is dit: wat te denken van de stand die het, stellig al een eeuw voortschrijdende nivelleringsproces op het ogenblik heeft bereikt, waarbij de uiterste verschillen, die in 1939 nog 40—50% bedroegen, tot 10—15% blijken te zijn gereduceerd? Het uiterste loonverschil tussen stad en platteland is thans nog slechts 10 cent per uur: gaat dat te ver, of gaat het nog niet ver genoeg?

De Commissie-Kruyt komt tot de conclusie, dat de bestaande verschillen in de loonniveau’s vrijwel overeenkomen met de verschillen in de prijsniveau’s en dat er dus wel nog verschil is tussen het nominale loon van de arbeider in de stad en op het platteland, maar dat er in het algemeen van een verschil in reëel loon niet meer kan worden gesproken. Het verschil tussen de nominale lonen wordt nl. blijkens een zeer zorgvuldig en breed onderzoek, in hoofdzaak verklaard uit (1) het verschil in

huurpeil, (2) verschillen door de consumptie-stimulerende werking die van de grote stad uitgaat en (3) door de hogere vervoerskosten die het platteland noodzakelijk maakt (reizen naar de stad voor ziekenbezoek, schoolbezoek, enz.). De beide eerste factoren vormen te zamen een nadeel voor de stad, neerkomend op een loonverschil van 12 cent per uur, (6 cent voor het huurverschil), de laatste, die een nadeel voor het platteland weergeeft, wordt gesteld op een loonverschil van 2 ct per uur. Het loonverschil van 10 cent, dat thans aanwezig is, wordt daar dus geheel door verklaard,

De Commissie is van mening dat naarmate meer nieuwe woningen zullen worden gebouwd deze loonverschillen zullen kunnen gaan verdwijnen; de huren ten plattelande zullen daardoor immers steeds meer gelijk worden aan de stedelijke.

De Commissie vindt dat we op dit opnblik het loonverschil van 10 cent als juist moeten aanvaarden. Dat wil dus zeggen zij spreekt het zelf ook uitdrukkelijk uit dat haar uitgangspunt is: gelijk reëel loon voor gelijk te achten arbeid bij gelijke prestatie van de arbeider.

, .. Dit uitgangspunt bevredigt, dunkt mij.