is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 36, 07-06-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het jaarlijkse verhaal van de Nederlandsche Bank

Het verslag van de Nederlandsche Bank, ditmaal in de laatste week van April verschenen, wordt steeds met enige spanning tegemoet gezien. Het gaat nl. altijd ver het raam van een bankverslag te buiten en geeft een boeiende visie op de hele economische situatie. Wat breedheid betreft is wellicht de kwartaalspublicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek nog omvattender (in „Statistische en Econometrische Onderzoekingen”), maar de vrijheid van critiek en de zelfstandigheid van visie van de president van de Nederlandsche Bank zijn natuurlijk veel groter, wat in verband met zijn invloedrijke positie zijn jaarlijkse uiteenzettingen veel interessanter maakt. Natuurlijk overheersen de monetaire gezichtspunten ondanks de breedheid vrij sterk, maar daar staat tegenover dat de monetaire verschijnselen haast alle andere reflecteren en dus een zeer bruikbaar uitgangspunt vormen.

Daarom is het de moeite waard er ook hier enige aandacht aan te geven, te meer omdat het verslag ook ditmaal zeer boeiend maar tegelijk ook nogal moeilijk is.

Voor ons is natuurlijk de voornaamste vraag: wat zegt de Bank over de algemene lijn der ontwikkeling?

Men zal zich wellicht herinneren dat het vorige verslag verscheen toen we nog in de grootste betalingsbalans-ellende zaten en dat het de toen kras klinkende stelling poneerde dat beperking der algemene koopkracht met monetaire middelen het monetaire en het betalingsbalansevenwicht zou herstellen. Welnu, het nieuwe verslag kan constateren dat deze evenwichten in 1951 zijn bereikt. Laat ons royaal erkennen dat de Bank op indrukwekkende manier gelijk heeft gekregen, ook al is dit succes, zoals zij zelf ook verklaart, door bijzonder gunstige omstandigheden beïnvloed (in de eerste plaats door de Marshall-hulp). Slechts een enkel onderdeel dezer omstandigheden, nl. de verbetering van de ruilvoet, krijgt naar mijn mening daarbij niet geheel het volle pond.

De Bank betoogt dat het monetaire evenwicht het hele jaar door aanwezig is geweest, zij het dan met sterke schommelingen daaromheen, in de eerste helft naar de inflatoire kant (met een groot tekort op de betalingsbalans) en in de tweede helft naar de deflatoire zijde (met een groot betalingsbalansoverschot). Het tekort bedroeg 792 mln, het overschot 540 mln (per saldo was dus 252 mln): hoe enorm zijn toch de rukken waar een „open” land als het onze aan bloot blijkt te staan!

Nu is, zoals men weet, in 1952, aansluitend bij de ontwikkeling in de tweede helft van 1951, een geweldig positief saldo, geheel tegen de regel in, blijven optreden, wat op het moment waarop het Bankverslag werd afgesloten, bekend moet zijn geweest. Daardoor klinkt de ijver waarmede de Bank er tegen waarschuwt om aan het gunstige saldo van de tweede helft van 1951 al te rozige toekomstverwachtingen vast te knopen niet helemaal echt. Ook aan de redenering die de Bank daarbij geeft is dit aan te tonen (blz. 37). De Bank corrigeert (vermindert) dit saldo van 540 mln nl. allereerst met de op 300 mln geraamde abnormale voorraadintering en vervolgens trekt zij er de tweede helft van de op 450 mln gestelde seizoenbeweging van het betalingsbalanssaldo af. Zo heeft zij de 540 mln vrijwel geheel (op 15 mln na) tot nul gereduceerd. Als men daar maar bij zegt dat de aftrekken (uiteraard) uiterst ruw zijn geschat, is dat wel geoorloofd, maar men kan niet, zoals de Bank doet, beweren dat men met deze correcties de zgn trend, dat is de fundamentele ontwikkelingslijn, de ontwikkeling op lange termijn, heeft ge-, vonden. Deze laatste krijgt men immers niet te pakken door de schommelingen binnen eenzelfde jaar uit te smeren maar door schommelingen door verschillende jaren heen uit te schakelen. Dit is dus een tendentieus vlekje, dat aantoont dat een centrale Bank, zelfs als zij geleid wordt door een man met een zo brede visie als de heer Holtrop, een haast onbedwingbare neiging heeft om als een wat angstig huisvader boven op de centen (in casu: de goud- en deviezenreserve) te gaan zitten.

Meer dan een interessant vlekje is het echter niet. De beschouwingen over het monetaire evenwicht zijn, integendeel, in het algemeen nergens uit eng Bankstandpunt opgezet; zij zijn breed, diep, degelijk en met klaarblijkelijke vakmansliefde van tal van verfijningen in vergelijking met het vorige verslag voorzien.

Ons interesseert vooral, zoals gezegd, de verklaring dat van latente (verborgen) inflatie in 1951 geen spoor meer over was. U weet: dat is het euvel geweest waar we sinds de bevrijding mee hebben geworsteld (geldzulvering!). Op naar mijn mening overtuigende en interessante wijze bewijst de heer Holtrop dat we deze narigheid te boven zijn. Hij doet dit o.a. met een nog nimmer verrichte analyse van de aanwezige liquiditeiten (tabel 28), waar ik hier niet op in kan gaan. Deze blijken klein te zijn en hoogstwaarschijnlijk niet groter dan de houders er van op den duur wenselijk achten. Dit sluit inderdaad een situatie van latente inflatie uit.

Dat hij tegen te groot optimisme met betrekking tot het inflatiegevaar waarschuwt is overigens begrijpelijk. In de eerste plaats zou men daartoe kunnen wijzen op de sterke inflatoire krachten die in de landen om ons heen nog altijd in zo sterke mate het beeld beheersen, maar de heer Holtrop toont het ook voor de binnenlandse situatie in 1951 aan (tabel 30). Uit de cijfers blijkt nl. dat het monetaire evenwicht in 1951 de resultante van wel zeer wonderlijke factoren is geweest. Ik moet ook hier de lust bedwingen om er op in te gaan (de tabel is nieuw), maar voor de lezers die het verslag kennen, mag ik toch misschien één zeer kleine optelsom maken: uit de linkerzijde van de tabel kan men de geldschepping in totaal stellen op 880 mln (440-1-210-1-220+10), waarvan niet minder dan 390 mln onschuldig van aard was doordat zij de toeneming van de termijndeposito’s aangeeft. Reden voor waakzaamheid, inderdaad.

Zoals bij een labiele situatie past geeft de Bank zich eveneens rekenschap van wat er zou moeten gebeuren als de balans naar de deflatoire kant zou gaan doorslaan. Dit gebeurt in een passage (blz. 91) waar Het Vrije Volk al de vinger op heeft gelegd. Men moet in dat geval volgens de Bank herziening overwegen van loonstop, dividendstop en rentegamma ten einde de doorstroming van de inkomens te bevorderen. Het zijn heilige huisjes. Daar iedere precisering van de bedoeling in het verslag ontbreekt lijkt het echter niet goed mogelijk er in dit verband op in te gaan; we volstaan dus met het zetten van een vraagteken.

Naar twee belangrijke dingen moeten we tot slot nog even zien. Ten eerste: de betekenis van het bereikte monetaire evenwicht voor het loon. Deze betekenis is, zoals het verslag stelt, groot. Monetair evenwicht be – tekent een garantie voor vastheid van de waarde van het geld en daarmee ook van het arbeidersinkomen, een groot goed, een levensbelang voor iedere arbeider. De vakbeweging is daar, zoals bekend is, diep van doordrongen.

Ten tweede: wat denkt de Bank over de groei van de werkloosheid? Welnu, men kan het Bankverslag zien als een waarschuwing om niet het crisisrecept van de jaren 1930—1940 toe te passen: verhoging der algemene koopkracht zou thans verkeerd zijn. De Bank gebruikt daar een aardig beeld voor: evenmin als men een drinker, als hij de volgende dag een kater heeft, aanraadt om maar weer dronken te worden omdat die kater zo naar is, mag men thans weer tot inflatoire middelen grijpen. Dit geeft aardig weer wat de Bank bedoelt: de deflatoire krachten van de tweede helft van 1951 hebben niet geleid tot een deflatoire toestand maar tot evenwicht. De werkloosheid is dus een kwestie van vraagverschuiving, die onder meer ook wel verband houdt met de terugkeer tot het evenwicht. De Bank beveelt daarom aan dat alle maatregelen zullen worden bekostigd uit een sluitende begroting. Inderdaad zijn op deze wijze voldoende mogelijkheden aanwezig. R. BOUDEWIJNS

den als de mensheid aan de chaos en de terugkeer van de oorlog wil ontkomen. Het raadsel.

Dit is de korte inhoud van het artikel van John Foster Dulles. Waarom ik dit stuk een raadsel vind?

De lezers die de goede gewoonte hebben om „Tijd en Taak” te bewaren, moeten het nr van 8 September 1951 maar eens opzoeken. H. van Veen heeft daarin een artikel geschreven: „San Francisco”... het gaat over het Japanse vredesverdrag. Dit artikel slaat keer op keer de spijker precies op de kop.

Dan merkt u ook het ontstellende: in dat stuk van H. van Veen staan nog heei andere dingen dan de door John Foster Dulles genoemde. En het zijn harde en ware dingen...

Wat moeten we ermee? Waarom heb ik bij het lezen van Dulles’ stuk in de Christian Century zo’n vervelend gevoel? Daarover in een tweede artikel. KR. STRIJD

De Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers te Bentveld vraagt op korte termijn een

ADMINISTRATRICE

liefst inwonend. Steno en typen, alsmede kennis van boekhouden vereist. Belangstelling voor het werk van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers is onontbeerlijk voor het bevredigend vervullen van deze taak. Brieven met uitvoerige gegevens en verlangd salaris aan dr A. van Biemen, Bentveldsweg 5, Bentveld.