is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 40, 05-07-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

machteloze galm en formule. In deze paar verzen breekt het weer stromend door”.

Coster zegt, dat, zelfs al zou De Mérode opnieuw in de vaagheid der rhetoriek verloren gaan, al zou hij niets meer geven dat zo elementair en hevig is, niets meer dan deze enkele uitbarstingen van liefde en zielsangst, hij enkele der merkwaardigste verzen van onze taal met zijn naam heeft kunnen ondertekenen.

Na Coster hebben Nijhof en Vestdijk de betekenis van De Mérode’s poëzie tot gelding gebracht.

De eerste bundel van De Mérode, die ik leerde kennen, was „Het Kostbare Bloed”, die in 1922 verscheen en waarin de vijf verzen, waarover Coster schreef, ojjgenomen werden: Bij het Kruis, Berouw, Belijdenis, Voorbereiding, Heilig Avondmaal, Nabetrachting. Al ben ik het met Heeroma eens, dat De Mérode zijn eigenlijke vorm pas vond na zijn veertigste, evenals Vondel, deze bundel is my altijd het liefste gebleven, en ik ben Coster wel zeer dankbaar, dat hij juist voor deze verzen de aandacht heeft gevraagd.

Willem de Mérode heeft veel verzen geschreven en gebundeld, het laatste zonder veel zelfcritiek. Het is daarom zeker geen gebrek aan eerbied voor de dichter, dat de commissie, die uit zijn werk een monument voor hem opricht (Ad de Besten, Jaap Das en dr Heeroma), besloot, niet alle gedichten te bundelen, maar een keuze te doen. Er zullen drie delen verschijnen, twee met reeds gepubliceerde gedichten, één met een uitgebreide keuze uit ongebundelde gedichten. Het eerste deel is verschenen bij de uitgeverijen Holland te Amsterdam en Bosch en Keuning te Baarn (256 bladzijden, ƒ 8,90). Het bevat de gedichten uit de jaren 1916 tot 1920 en wordt ingeleid door dr Heeroma, die een voortreffelijke karakteristiek van De Mérode geeft.

Heeroma plaatst het werk van De Mérode tegen enkele achtergronden: de plattelandssamenleving, het christelijk milieu en de erotische aanleg van de dichter. Hij laat zien, dat het De Mérode niet gegeven werd, in de verbeelding een werkelijk definitieve oplossing van de diepste problemen van zijn bestaan te vinden. Zijn ontwikkeling is er één geweest van aesthetische vrijheid naar geestelijke tucht en gebondenheid en zijn dichterschap was een dichterschap in de gemeente.

Vele gedichten van De Mérode kan ik moeilijk waarderen. Zij zijn voor mij onaanvaardbaar. Ik ben geneigd Hendrik de Vries bij te vallen, wanneer hij zegt, bij De Mérode telkens getroffen te worden door iets halfslachtigs en compromisachtigs. Vele van zijn gedichten worden voor christelijk versleten, terwijl zij met Christus niets te maken hebben. Ik herinner mij, hoe op de jongelingsvereniging iemand enkele gedichten van De Mérode voorlas en zei, dat de dichter Christus bedoelde, terwijl hij om de woorden van Hendrik de Vries te gebruiken uitsluitend zijn zoetgeurige en geparfumeerde jongetj esidealiseringen gaf.

Willem de Mérode is een pseudoniem. Bloem veroordeelde het als een lichtzinnig pseudoniem: Willem de Mérode klinkt werelds en decadent. De pages en de prinsjes, die in zijn gedichten ronddartelen, zijn niet bepaald bijbelse of christelijke figuren. Zij zijn voorwerpen van een sentimentele en religieuze, maar tegelijkertijd wufte en soms zelfs wulpse aanbidding en verering. In deze verzen liggen erotiek en religie op een voor de religie noodlottige wijze dooreenverweven. Hendrik de Vries zegt het heel scherp, m.i. niet te scherp: een Idyllisch waas van christelijke romantiek werd benut als parfum en een strijd op

leven en dood werd ontgaan in pseudoargeloosheid. Zo komen zelfs vele bijbelse figuren in de gedichten van De Mérode in de buurt van deze pages en prinsjes. Tussen al deze onaanvaardbare verzen staan echter onverwacht de gedichten, waarin de levensechtheid de literaire verfraaiing doorbroken en vaak zelfs geheel overwonnen heeft. Daarom is het naar mijn overtuiging zeker onjuist, om met Herman van den Bergh, naar aanleiding van „Het Kostbare Bloed” te schrijven over De Mérode’s god als over een tweederangs décor, al hebben sommige gedichten deze criticus reden gegeven tot de uitspraak, dat De Mérode met zijn heidens hart het gevaarlijkste spel speelt dat een dichter spelen kan. Daarom geloof Ik ook niet, dat dr Heeroma gelijk heeft, wanneer hij zegt, dat Dirk Coster De Mérode’s Avpndmaalsverzen te eenzijdig naar voren gehaald en beroemd gemaakt heeft. Juist in deze verzen is de literaire verfraaiing geheel overwonnen door de levensechtheid en is er een zeer wezenlijk besef van menselijke schuld en goddelijke vrijspraak, niet doortrokken van de essence der erotiek, die zoveel andere gedichten in religieus opzicht bederft.

De Mérode had een heidens hart, maar dit heidens hart geloofde on voorwaardelijk in Gods onbegrijpelijke genade. In zijn verzen vindt men de ervaring zowel van verdoemenis als van begenadiging. In de Verzamelde Gedichten wil de geestelijke gemeenschap, waarin hij stond, een monument voor hem oprichten.

Dit monument heeft De Mérode als dichter zeker verdiend.

Wij besluiten de aankondiging van dit waar de volle boek met enkele kwatrijnen, waarin wij De Mérode met zijn heidens hart en zijn onvoorwaardelijk geloof ten voeten uit leren kennen:

Gij weet te goed, dat ik gebonden ben; Dat ik verloren in mijn zonden ben. Al mag ik uw vergiffenis verwerven.

Dit blijft: dat ’k aan mijn ziel geschonden ben. ’t Is goed, dat wij zo vaak ons handen wringen.

Vertwijfeld trachten tot Uw hart te dringen.

Wiens stem niet brak in lust en hevig leed. Kan straks niet met de hemelingen zingen.

Die nooit verdwaasd Uw wetten heeft geschonden. Die nooit verloren ging in schaamte en zonden.

Wat weet hij van Uw goddelijk geduld?

Uw diepste liefde heeft hij nooit gevonden.

’t Hart, dat niet zwierf, kan nimmer thuis geraken. Die wereld won, kan haar alleen verzaken.

Die zich verloor, hervindt zich zelf in U.

Slechts zondaars kunnen Uw genade smaken. Wie kent de koop, voor hij de koopwaar mijnde?

Wie voelt de wonde, voor de wonde schrijnde? Wie rouwt de zonde, eer hij in zonden viel? Wie kent zijn leven, eer zijn leven eindde? Leid mij niet in verzoeking, houd mij staande. Nu Gij mijn weg dwars door de rozen baande.

Hoe zal ik U her eiken, blind van gloed En duizelende door hun geuren gaande? J. J. BUSKES Jr

De Europese betalingsunie

Op 6 en 7 Juni heeft de Raad van Ministers van de 0.E.E.5.-landen het accoord der E.8.U., dat per 1 Juli afliep, verlengd, waarmede het voortbestaan der E.8.U., die zoals ik al eens heb uiteengezet, voor heel Europa van enorme betekenis is, is verzekerd. Daartoe zijn, zoals ik eveneens al had uitgelegd, een aantal knopen doorgehakt. Vanwege het grote belang volgen hier, zéér in het kort, de voornaamste oplossingen.

De belangrijkste knoop die men moest ontwarren was, zoals men zich zal herinneren, de positie van België, dat een constant oplopende crediteurpositie heeft en welks schuldvordering sinds het bestaan van de E.B.U. is toegenomen tot niet minder dan omstreeks 800 mln dollar, een vordering die practisch oninbaar was geworden en voor België een reden tot ontevredenheid vormde. Er is een zeer ingewikkelde regeling getroffen die ik hier niet ga uitleggen. Alleen het resultaat is voor ons interessant; België zal per saldo van dit enorme overschot slechts voor omstreeks 250 mln aan crediet bij de E.B.U. moeten laten staan; de hele rest zal het op de een of andere wijze in goud of dollars geconverteerd krijgen. Dat lijkt voorwaar een flinke prijs voor de Belgische medewerking! België kan tevreden zijn, dunkt mij Voor het komende boekjaar 1952-’53 is het surplus gelimiteerd tot 250 mln, waarvan de helft in goud kan worden afgerekend. Voorschriften of aanbevelingen voor de Belgische economische politiek schijnen niet nodig geacht te zijn; ik heb ze ten minste nergens gelezen. Ook dit is voor de Belgen, dunkt mij zo, een geweldig succes. De regeling van het Belgische overschot is illustratief voor de fundamentele zwakte waar de hele EBU aan lijdt. Als onderdeel van deze regeling krijgt België o.a. nl. practisch de vrije beschikking over een bedrag aan goud ter grootte van het bagatel van $ 170 mln dollar, te betalen door de EBU. Als men nu onderzoekt hoe het mogelijk is dat de EBU, die immers over een bedenkelijke slinking van haar werkkapitaal klaagde, dit kan betalen, ontdekt men dat deze betaling gekoppeld is aan een ontvangst van dezelfde grootte van de zgn. structurele debiteurlanden (Turkije, Griekenland, Oostenrijk), landen die constant bij de EBU in de schuld staan en dus grote sommen in goud moeten betalen. Dat kunnen zij natuurlijk niet, Amerika doet het voor hen en zal het naar men rekent, blijven doen. Hierdoor is de groep der structurele crediteur- en debiteurlanden in feite min of meer geïsoleerd van de hoofdgroep der normale EBU-deelnemers, die nu eens debet, dan weer credit plegen te staan. Het Amerikaanse goud zou zich natuurlijk ophopen bij de crediteurlanden (voornamelijk België, maar op zeer veel kleiner schaal ook Itahë en Portugal), ware het niet dat ook deze crediteurlanden op hun dollarbalans constant debet staan, waardoor dit uit de Verenigde Staten afkomstige goud via de debiteurlanden, het EBU-werkkapitaal en de crediteurlanden weer naar de Verenigde Staten terugstroomt! Duide-