is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 45, 16-08-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geestesoog bestrijken bepaald, maar ook die waarheen ze nog opgroeien. Op deze manier, door ervaringen, die hen al of niet treffen zullen ze leren hun eigen houding te bepalen en een levensbeschouwing vormen.

Want alle invloeden van buiten raken in het kind een zekere gesteldheid, een bereidheid, die uit het diepste van zijn ziel voortkomt of zich daarheen terugtrekt.

Deze innerlijke gesteldheid is van beginne af aan niet enkelvoudig. Zoals voor elke beweging, elke uitdrukking twee elkaar tegenwerkende krachten worden aangezet, waardoor ten slotte kracht en richting doelbewust worden bepaald, zo is er ook een tweeslachtigheid in de ziel van het kind. De neiging tot contact doet de kleine glimlachen tegen Wlie lief voor hem is. Maar het drukt een primair vermogen tot afweer uit in schroom, angst of remming; het is tegen nieuwe ervaring op zijn hoede. Uit het dilemma van toenadering en afwij – zing verlost hem zijn verstand, wanneer het, daardoor juist, leert onderscheiden of, waar en wanneer het veUig is. Dit is het duidelijkst in de 'zgn. critieke perioden, wanneer nieuwe vermogens tot ontwikkeling zijn gekomen op grond waarvan men zijn verhouding tot zijn omgeving moet herzien.

Dit gebeurt in het begin der kleuterjaren, als het kind verschil opmerkt tussen zijn verzorgers en vreemden, later tussen zijn vertrouwde omgeving en de buitenwereld. Deze ervaringen gaan gepaard met een gevoel van angst. Het kind beseft dat het alleen staat. Tegen het vijfde jaar ontdekt het, dat het zelfstandig kiezen kan tussen eenzaamheid in afweer, of volgzaam de grote mensen te dienen. Zijn geweten wordt gewekt door de gevolgen van zijn keuze. Het gaat vrijwillig op in de gemeenschap, of ondergaat huiverend de eenzaamheid, als het zich terugtrekt en contact vermijdt. Op die momenten is de wereld kU, vreeswekkend en zoekt het kind veiligheid. Zijn bestaanszekerheid wordt bedreigd door nieuwe ervaringen, maar ook eigen verlangens, begeerten en behoeften. Het geeft zich nu rekenschap van het bestaan van ongekende gebieden. En het voelt zich aansprakelijk voor de wijze waarop het zich op deze nieuwe dingen instelt. Het leert schuldgevoelens kennen en de onbarmhartigheid van een causaliteit die al zijn activiteiten van nu af aan vervolgt. Het krijgt behoefte aan morele steun, aan iets of iemand die zijn aansprakelijkheid minder noodlottig maakt.

De maaier

Op zulke momenten ontdekt het kind dat er in het leven meer gebeurt dan de rustige gang der dagelijkse dingen, dat zijn wereld meer omvat dan het vertrouwelijke waarin hij zich thuis voelt. Het vraagt naar de zin en betekenis van allerlei verschijnselen die hij tot nu toe als gewoon aanvaardde.

De vijf- of zesjarige vraagt wie de wereld gemaakt heeft zoals ze is. Hij heeft een min of meer duidelijk verlangen naar een verlossende aanwezigheid, bij wie hij zich weer veilig kan voelen. Die zijn eigen aansprakelijkheid tot het aanvaardbare, het dragelijke beperkt. Die zijn schuldgevoelens omzet in vermogen tot herstel van zijn fouten. Wie dan een kind van God spreken kan, heeft niet alleen de kiem gelegd voor zijn religieuze vorming. Hij heeft ook het kind een antwoord gegeven dat zijn angsten kalmeert, zijn gevoel van zekerheid herstelt, zodat het zich weer open durft stellen voor nieuwe aangrijpende ervaringen. Zijn bewustwording en zijn zedelijk besef zijn gesterkt. Het kind kan een levensbeschouwing opbouwen, die hem steun geeft.

Maar wanneer men dit niet kan, wanneer men zelf geen antwoord weet op de

vragen van zin en bedoeling van het leven, dan wordt het zeer moeilijk een kind te helpen. Ook als men zelf rust en vrede in die toestand gevonden heeft. En dan is vaak de weg afgesloten tot verder contact in de jeugdjaren als dezelfde vragen pijnlijker nog weer in het kind opkomen. Ook Rümke beschouwt het ongeloof als een vorm van onrijpheid.

Duizenden en tienduizenden geven zich noch van het eigen probleem, noch van de nood der kinderen rekenschap. Ze hebben de noodzakelijkheid een eigen levensbeschouwing op te bouwen omzeiid. Of ze menen dat alle vragen verstandelijk te beantwoorden zijn. Zij hebben hun angsten verdrongen, ze leven „nuchter” en nemen de werkelijkheid zoals ze is, naar ze menen. Ze hebben een houding die hen min of meer, meestal tijdelijk, bevredigt. Maar hun kinderen komen steeds meer alleen te staan. Hun noodlot wordt dezelfde verlatenheid die het kenmerk is van de mens van nu, die de massa opzoekt om er in op te gaan, omdat hij nooit zich zelf is geworden.

Daarom stelt het kinderleven de volwassene zeer aangrijpende eisen. Men mag zijn kind niet alleen laten in deze moeilijke* momenten. Men ,moet een gebaar, een woord, een formule vinden die zo ze al geen antwoord geeft op de vragen die het kwellen, het kind toch aanmoedigen zijn angsten te verdragen, zijn moeilijkheden onder de ogen te zien en zelf verder te zoeken naar oplossing en doel. We mogen niet lijdzaam toezien dat kinderen eenzaam worden en stuurloze mensen. Het gaat ons allen aan.

In een onlangs verschenen De godsdienstige ontwikkeling van onze kinderen, heeft ds Faber het probleem der kinderlijke godsdienstheid behandeld. Hij sluit daarbij aan bij ervaringen der kinderzielkunde, die leert dat het kind in verschillende fasen van zijn leven God zoekt en telkens weer andere voorstelUngen van hem koestert, toetst, verwerkt en door rijpere vervangt.

Hij haalt een Duits theoloog aan, Rudolf Otto, die het begrip Scheu (schroom) als basis beschouwt van primitieve religieuze

gevoelens.’) Het kind leert twee werelden kennen, de vertrouwde dagelijkse en de zgn. numineuze, die het in contact brengt met het goddelijke. Op deze grondgedachte werkt ds Faber door aan de hand van de opvattingen van Jung omtrent het onbewuste als vergaarbak van het verdrongen gevoelsleven. Daarmee verklaart hij verschillende verschijnselen der kinderlijke rijping die zich ook openbaren in zijn godsdienstige ontwikkeling.

Zijn boek is daarom een belangrijke gids voor hen die met ds Faber het geloof belijden van waaruit hij deze dingen ziet en belicht.

Stellig zal het ook velen, die zich niet als volgelingen beschouwen van de kerk die deze predikant dient, helpen een weg te vinden tot het kinderhart. Met voorbeelden uit zijn practijk licht hij zijn beschouwingen toe en wijst terecht er op dat onze intuïtie ons bij dit belangrijke deel van onze opvoedkundige taak in de steek laat. Maar ook de traditie, die de massa eeuwenlang gesteund heeft met een levensbeschouwing, die zin en orde gaven aan het wereldbeeld, laat ons in de steek. Immers dit wereldbeeld heeft de grote schokken van oorlogen en crisistijden niet doorstaan. Inzicht In goed en kwaad zijn vertroebeld en zelfs in wezen vrome mensen behoren tot geen kerk noch gemeenschap die hun geestelijke steun kan bieden. Zo groeien er kinderen op, vele duizenden en tienduizenden, die nooit in aanraking komen met mensen, die van God anders spreken dan als een leeg woord en misschien zelfs als vloek. In hun angstigste uren kunnen ze slechts vluchten voor de stem

die rekenschap eist. Op hen is niet van toepassing wat ds Faber ontdekt bij de kinderen die hij kent. Want wat deze loslaten in vertrouwelijke momenten in een omgeving waar ze zich uiten kunnen en mogen, dat verdort en verschrompelt in het hart der anderen. We mogen hen niet zomaar rekenen tot de afgedwaalden van (Zie verder pag. 6)

‘) Rümke: Karakter en aanleg in verband met het ongeloof.

’) Uitgeverij Ploegsma, Amsterdam. ’) Rudolf Otto, Das Heilige.