is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 56, 01-11-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Komt tijd, komt taak

Het was een der weinige zonnige herfstdagen van dit jaar, dat wij onlangs op Bentveld waren. Wij zijn er opgeruimd en verfrist van teruggekeerd. Want het doet deugd, daar in dat eigen wereldje, waarover toch wel iets van blijheid ligt, in een ongedwongen en ongeremd gesprek met elkaar te overleggen, wat nu eigenlijk de taken zijn, die ook in deze tijd voor ons kunnen zijn weggelegd. Het was die Zondag, naar ik meen. Bentveld op z’n best.

Er werden harde noten gekraakt, met name aan het adres van de'partij, die op dit moment de enige is, die het socialisme in Nederland representeert. „De P.v.d.A. is de voltrekking en bevestiging van de verburgerlijking der Nederlandse arbeidersklasse.” „Het is erger, het socialisme te verloochenen, dan het niet te bereiken.” Zulke aforismen kunnen menigeen, die meent, dat zeven jaren regeringssocialisme ons toch al een heel eind gebracht hebben, met name een klinkende verkiezingszege, een heilzame aanstoot geven. Te meer omdat zij van iemand kwamen, die de jongste ontwikkeling van het Nederlandse sodalisme waarlijk niet enkel aan de buitenkant heeft meegemaakt, maar in naam en houding als één der personificaties van het „doorbraaksocialisme” zou kunnen gelden, al heeft de steilheid, wellicht aan een vroeger politiek tehuis ontleend, hem de duurzame invoeging in Nederlands voornaamste politieke „nieuwbouw” van na de oorlog verhinderd.

Het antwoord bleef niet uit. Het richtte zich bovenal tegen een ethisch absolutisme, dat altijd weer vergeet, hoezeer politiek een kwestie van compromissen is in een onvolmaakte wereld. Ook een gezindheid, in Bentveld niet onbekend en ditmaal evenmin ontbrekend. „Politiek is het altijd weer aanvatten van een nieuw karwei met vuile handen men moet alleen dit vuil zo gering mogelijk houden en „fatsoenlijk” blijven, d.w.z. ten volle verantwoordelijk en waakzaam.” Wel een opvatting om teerhartige ethici te doen bezwijmen, maar in wezen niets anders dan een illustratie van Reinhold Niebuhrs Moral Man and Immoral Society. En dat ook een Niebuhr zijn taak in deze tijd ver-

staat, bewijst zijn stellingnemen in de Amerikaanse verkiezingsstrijd, waar hij t.a.v. de „vuiligheid” duidelijker het méér (nl. in Eisenhowers kamp) en het minder (bij Stevenson) onderscheidt. Wanneer te onzent echter iemand, die regelrecht uit het laboratorium komt, waar de recepten voor de Weg naar vrijheid en de Verkiezingen 1952 worden opgesteld, er rond voor uit komt, ook maar een „minimumlijder” te zijn, mogen we een partij, die in haar boezem nog zoveel gezonde zelfcritiek herbergt, gelukwensen. Maar zouden zulk een getuigenis en zulk een confrontatie ergens elders mogelijk zijn dan in Bentveld?

Als klankbodem van verontrustheid moet Bentveld en zijn orgaan. Tijd en Taak, twintig jaar geleden al die jongere socialisten hebben aangetrokken, die in het gezapig Zondagssocialisme van circa 1930 te weinig steun en perspectief vonden om zich door de economische en politieke crises van de daarop volgende jaren heen te slaan. De ontmoetingen hier, in wat soms een „vluchthaven” kon heten te midden van het rondom aanzwellende onheil, waar met name honderden werklozen een geestelijke bijvoeding vonden, die misschien toch nog heilzamer was dan de voedzame levensmiddelenpakketten, hebben stellig het hunne bijgedragen tot dat, wat later uit andere „schuilplaatsen” en „afzonderingen” als de „doorbraak” aan het licht zou treden. Nu die doorbraak heet, heeft hij uit de aard van onze onvolkomenheden veel van de glans verloren, waarmee zijn voorbereiding omgeven was. En wanneer er zijn, die na de oorlog soms moeite hadden, de weg naar Bentveld terug te vinden, lag dat minder aan de ontluistering, die het oorlogsgeweld ook daar had achtergelaten, dan aan de vrees, dat de oude bekoring verbroken zou zijn. Juist, omdat de „doorbraak” nu gearriveerd was, maar daarbij de charme van zijn prille onbevangenheid had achtergelaten.

Laat ons niet romantiseren. Natuurlijk konden teleurstellingen niet uitblijven. Waar oude scheidsmuren vielen, zijn nieuwe tracerihgen aan de dag getreden en zullen nieuwe wanden verrijzen, die, al zijn ze van glas, toch verschillen markeren zullen.

Terwijl men in de werkplaats van de wereld gemeenschappelijk projecten formeert en trajecten uitzet, kristalliseren zich tegelijkertijd de geestelijke „woningen”, waarin de mede-arbeiders zich na het karwei terugtrekken om nieuwe krachten op te doen. Was er ooit zoveel sprake van de verschillen in levens- en wereldbeschouwing als in de wijde kring, die de „doorbraak” bestrijkt? Het bloed van ons, Nederlanders, van welken dogmatischen huize ook, zal altijd kruipen waar het niet gaan kan. Laten wij gerust ook in die zin ons zelf blijven! Mits de Partij van de Arbeid, die met het oude clericalisme, in kerkelijke en politieke zin, gebroken heeft, niet een nieuw clericalisme tot ontwikkeling brengt. Soms lijkt het wel, of de „doorbraak” tot een eigen politieke dogmatiek verstarren gaat, en of we, naast de vele andere politieke verkettering, waaraan onze tijd lijdt, met een nieuw „papendom” te maken krijgen, dat in conformisme en ketterjacht voor de „papen” van Rome, van Dordt en van Moskou weinig onderdoet.

Als het zover mocht komen en de drang naar conformisme en zuiverheid-inde-leer lijkt zich onweerstaanbaar over de wereld uit te breiden laten er dan nog vluohthavens blijven, waar bewoners van alle kampen, en dan waarachtig zonder de uitzonderingen, die men in sommige „gesprekcentra” hier te lande nodig acht, elkaar als medemensen ontmoeten kunnen, met hun vuile handen en met hun steile geesten, maar bereid elkaar als gelijkwaardige partners in deze verwarde wereld aan te horen en te antwoorden.

Het waren op die zonnige herfstdag merendeels politieke daklozen, die elkaar te woord stonden. Wie weet zullen er maar al te spoedig weer werklozenweken komen. Een Bentveld, dat zijn taak begrijpt, zal om een taak nimmer verlegen behoeven te zijn.

Voor het weekblad geldt dat evenzeer. Nu ook de Vlam verdwenen is, zal naast „Vrij Nederland” meer dan ooit ook „Tijd en Taak” toevlucht moeten bieden voor een nonconformistisch socialisme, dat niet altijd even opportuun, maar nimmer uit de tijd is.

Komt tijd, komt raad. luidt het gezegde eigenlijk. Misschien. Maar „tot de taak van hoofd en handen” zal zeker een arbeidersgemeenschap als die der Woodbrookers zich altijd geroepen weten. Moge zij daarmee het zicht open houden op die „blijde wereld”, waarop een eerder geslacht zijn hoop had gericht. B. W. SCHAPER

MEVR. ROLAND HOLST SCHREEF:

Toen wij vroegen om enkele regels van haar hand in ons feestnummer, schreef mevr. Holst dit stukje, waarin zij zowel haar waardering voor ons blad uitte, als een variatie neerschreef op een thema, door ds Buskes begonnen (18 X) en door haar op andere wijze voortgezet.

Het laatste nummer van Tijd en Taak is uiterst geschikt om aan te tonen, welk een goed weekblad het is en hoe volkomen terecht zijn vijftigjarig verschijnen feestelijk wordt herdacht. Het begint met een treffend artikel van J. J. Buskes Jr, die in een bijzonder geslaagde bijdrage „Laat Jeruzalem opkomen in uw hart”, de Joden heeft vergezeld door de eeuwen heen. Hoe vele geslachten hebben eeuwen lang hun leed uitgeklaagd aan de klaagmuur van Jeruzalem, totdat er kwamen die geloofden dat Jeruzalem herrijzen zou en de

Joden terugkeren tot de Stad Gods. En hij eindigt met de woorden van Jacob Israël de Haan, die, toen men hem naar de toekomst van het Joodse volk vroeg, antwoordde:

Ontmoedigd niet: wij hebben veel [verloren.

maar nooit ontviel één hart, ontviel [één geest

de hoop, dat stad en land ons zullen [hooren.

waar David koning is geweest.

Ofschoon de Joden herhaaldelijk van hun geloof afvielen en valse góden aanbaden, keerden zij toch onder de invloed van de prediking der profeten, telkens daartoe terug. Vervolgingen hadden de invloed niet, hen van het ware geloof af te brengen, maar integendeel, dat in hun harten te versterken. Men ziet de invloed van de Babylonische ballingschap, deze voerde vele afgedwaalden tot het geloof terug. Een zelfde invloed hadden de middeleeuwse vervolgingen waar die van Duitsland en Spanje zich door bijzondere wreed-

heid onderscheidden. Ter ere van Nederland zij het gezegd, dat de vervolgde en opgejaagde Joden hier indertijd een toevlucht vonden.

De Joden zijn in de oudheid een volk geweest dat in land- en vruchtenbouw zijn hoofdbronnen van bestaan vond. Maar eeuwen lang bleef elk beroep, elk middel om zijn brood te verdienen, behalve de geldhandel, het uitlenen van geld tegen rente, dat is woeker, de Joden gesloten.

En als woekeraars werden zij door de gehele bevolking gehaat en veracht. Dat de oude voorliefde voor land- en fruitbouw in de Joden door alle eeuwen voortgeduurd heeft, bewijst de geestdrift waarmee zij heden in Israël tot hun oude beroep op coöperatieve grondslag terugkeren. De succesvolle kweek van Jaffa’s in sommige gedeelten van Israël kan ons ervan overtuigen.

En hoe meer het nationale zelfbewustzijn in de Joden toeneemt, des te groter zal hun verdienste zijn dat zij op de levenskracht van het oude Heilige land de aandacht hebben gevestigd. H. R. H.