is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 60, 29-11-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jd en Tuuh volheid. J Psalm 24:1 /

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 50STE JAARGANG VAN ~P 3 ..pLIJDE WERELD”

Nr 60

Redactie: ds J. J. Buskes Jr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. Bomhoff

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H.J. de Wijs Mej. dr M. H. v. d. Zeyde e.a.

ementperjaar/5.—: halfjaar f 2,75; kwartaal f 1,50 plus f 0,15 incasso. Losse nrs f 0,15; Postgiro 21 ; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

HENRIËTTE-ROLAND HOLST

TER NAGEDACHTENIS

Nu is de loop volbracht,, en de haven, ( enkele jaren in zicht, bereikt. Het grote i moederlijke hart, gedreven door een strijd- < bare liefde voor de vernederden en t geschondenen, en de laatste decenniën ] gedragen door een miide wijsheid, heeft 1 opgehouden te kloppen. En wij, die haar i gaarne de vrede gunnen na alle strijd, en in zekere zin dankbaar, dat de dood als ( vriend kwam en ontvangen werd, wij 1 trachten ons los te maken van de indruk i der laatste jaren van ouderdom en neer- i gang, en haar gehele leven, voor zover dat ] zich afspeelde in de openbaarheid, te over- ( zien <

Maar dat lukt niet daarvoor is het werk dat verricht werd te groot en te veelzijdig. Ik wil dit vooropzetten, ook ter wille van me zelf en onze lezers: wat uit mijn dankbaarheid naar voren springt, is stellig niet meer dan één kant van haar wezen, dat nu eenmaal mij heeft geraakt, één facet van deze diamant. Het mag, meen ik, ook zo zijn: een dankwoord bij een geliefde dode mag iets anders zijn dan een wetenschappelijke levensbeschrijving.

In meer dan één van haar bundels heeft Henriëtte Roland Holst de tragische gespletenheid van haar wezen met een beschamende eerlijkheid blootgelegd. Ik denk aan het telkens terugkerende thema: droom en daad, stilte en strijd. Beide heeft zij als fundamentele elementen van het leven erkend en gehunkerd naar de éénheid van beide zonder .die ten volle te bereiken. De gescheurdheid, die daarvan het gevolg was, nam bij haar een eigen vorm aan: de dichteres wist dat haar wezenlijk tehuis dat van de inkeer was, de inkeer tot het geheim waar „het oor te luistren lag aan ’s werelds groeien, en de heilige reine waarheden” geopenbaard worden; de propagandiste trok er op uit en zwierf door het land om de arbeidersmassa te wekken uit haar schuldige berusting en te bezielen tot strijd. De gespletenheid, wil men de tragiek in het leven van Henriëtte Roland Holst ligt voor ieder open en bloot. Er is meer dan eens beweerd, dat de dichteres geleden heeft aan, verminkt is door de propagandiste zou iemand het in ernst nóg durven beweren, nu haar leven is afgesloten? Nog afgezien daarvan, dat zij telkens weer heeft beleden, dat de eenheid van droom en daad te vinden is in

de Offerdaad is het niet een typisch verouderd estheticisme, dat gespletenheid en tragiek terug wil dringen ter wille van de schone harmonie? Neen, een schoon, harmonisch leven is dat van Henriëtte Roland Holst niet geweest maar daarom niet minder groot.

De vraag schijnt mij wezenlijk: waaraan ontsprong dan de voor haar zo karakteristieke gespletenheid? Daarop zou ik willen antwoorden: aan de hunkering, de hartstocht naar het Absolute, aan het vurig verlangen naar God. Het is geen toeval, en ook niet zonder meer erfgoed der traditie, dat talrijke versregels van Henriëtte Roland Holst herinneren aan psalmen uit het Oude Testament, en haar gebed om profeten „wier blik is vol felle geladenheid, wier monden schreeuwen het onrecht voor de straten uit”, ontspringt aan dezelfde diepe verwantschap. Psalm 42 zou naar mijn mening een heel goed motto voor dit rijke leven zijn: „gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U o God”. Dit hart is door vertwijfelingen heengegaan, meer dan eens, omdat het geen rust vinden kón en mócht in de dingen van de tijd, in alle betrekkelijkheid die immers gebrekkigheid was, maar zich bleef uitstrekken naar de volmaaktheid, naar God.

Deze hartstocht naar het Absolute, die enerzijds drijft tot strijd in een wereld van onrecht en zedelijke verwording, anderzijds de mens wegrukt uit het gerumoer der dagen naar de stille verborgen omgang met God, heeft ook H. R. H.’s leven als socialiste bepaald. Toen zij in 1897 tot de jonge S.D.A.P. toetrad, was dat niet alleen psy-

chologisch maar existentieel haar antwoord op de roep om gerechtigheid van de verworpenen der aarde, het was tevens haar antwoord op de roep van haar eigen hart. Politici en daaronder waarlijk geen geringen hebben haar meer dan eens als een politiek dwaallicht beschouwd, en zelfs haar man heeft wel eens uit diepe bezorgdheid gezucht over haar verandering van partij en politiek inzicht. Begrijpelijk, aan de ene kant. Maar nu de dood gekomen is, en wij ook het leven van strijd wat milder kunnen zien, mogen wij toch zeggen: zij is zich zelf in haar socialisme gelijk gebleven, «n de trouw aan de zaak van het socialisme, aan de Gerechtigheid Gods in aardse verhoudingen, heeft haar tot haar laatste ademtocht gedragen. Waarbij voor figuren van dit formaat de vraag van het al of niet aangesloten zijn bij de partij op het tweede plan komt. Ik denk hier in het bijzonder aan „de Moeder”, het lekenspel dat zij in 1931 voor het religieus-socialisme schreef: dat was zij zelf als socialiste door en door, haar moederlijke hart omvatte meerdere zonen dan de éne partij.

En toch was dat politieke oordeel: „dwaallicht” onbillijk en oppervlakkig. Oppervlakkig: omdat voor een figuur als H. R. H., bepaald door de hartstocht naar het Absolute, elk compromis en politieke partijen móéten voortdurend compromissen sluiten onverdraaglijk is. Zij heeft ze gesloten, willen sluiten ook, toen zij haar leven eenmaal aan dat der strijdende arbeiders verbond zij heeft er telkens weer aan geleden, en zich losgemaakt om in de eenzaamheid tóch haar diepe verbondenheid te blijven beseffen. Aan deze diepinsnijdende gespletenheid ontspringt een in haar werk telkens terugkerend motief, dat óók in psalmen domineert: de vertwijfeling, de schuldbelijdenis en het gebed om vergeving. En daarboven uit; de dank om de genade van God

O dank, dat ge haar zond, uw ademtocht tot mij, m’ iets openbarend in den tijd, die g’ alle Liefde, Schoonheid, Waarheid zijt in eeuwigheid.

Henriëtte Roland Holst is, natuurlijk: eigendom van heel het socialisme, figuur uit en voor heel ons volk. Het is niet bedoeld als poging tot inpalmen, of tot etiketteren, maar eenvoudig als diepe dankbaarheid voor het vele dat zij juist ons geschonken heeft, wanneer ik zeg: zij was de belichaming van de eenheid van profetisch Godsgeloof en socialisme, ver boven grenzen van kerken en partijen uit.

Twee dagen voor haar dood heb ik haar gezegd: uw werk gaat door, wij zullen uit onzegbare dankbaarheid, hoe stumperig ook, trachten voort te gaan. Toen kwam een stille glimlach, een handdruk en een kus. Ons omving een vrede W. B.

Leuen kan ons verslaan, ons alles nemen, ach, ook het vertrouwen in d’eigen kracht, maar den hartendrang gaande tot wie lijden, diè neemt het niet op hem willen wij glijden verder, en niet sterloos is onze nacht. Henr. Roland Holst, uit „Bemoediging” igsi