is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 62, 13-12-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heeji spreken nóg zin?

Onder deze titel schreef ds Ruitenberg in Tijd en Taak van 22 November een nogal pessimistisch gestemd artikel de Chr. Soc. Conf. Zijn sombere beschouwing gold, heb ik hem goed begrepen, niet zozeer de zaak waarom het bij de conferentie ging, als wel de ménsen, bepaalde mensen, die daarbij betrokken zijn.

Wat was de oorzaak van zijn pessimisme?

Dit: de conferentie en wat daarop zal ten volgen, beoogt een gesprek te zijn binnen de kring der reformatorische christenen over de vele aan de orde zijnde sociale vragen, over hetgeen daarover in gehoorzaamheid aan de Bijbel mag en moet worden gezegd, en over het handelen dat daarop dient te volgen.

De inzichten over dit alles onder ons prot. christenen verschillen in menig opzicht fundamenteel. Een werkelijk gesprek daarover, aldus ds Ruitenberg, heeft alleen zin wanneer men bereid is eigen inzicht „in de waagschaal” te werpen en zich te laten corrigeren. In een der conclusies van Sectie I wordt echter die bereidheid om de waarheid van eigen overtuiging in twijfel te trekken principieel afgewezen, en daarmede is de mogelijkheid van een echt gesprek toch eigenlijk af gesneden. Er blijft niet anders over dan om de verschillen te registreren. Enig perspectief die verschillen te overwinnen ligt daarin evenwel niet besloten.

Moeten we desondanks meedoen?

Ds Ruitenberg zegt niet: neen, laten we er maar niet aan beginnen; maar zijn gehele betoog verraadt toch duidelijk een diepe twijfel en, lees ik hem goed, ook ernstige teleurstelling. Hij schrijft als iemand, die volstrekt overtuigd is van de noodzakelijkheid van een gesprek, maar die de deur gesloten vindt.

Ik wil graag een paar kanttekeningen maken bij zijn artikel, vooral omdat ik bepaald een andere visie heb dan ds Ruitenberg op hetgeen ter conferentie óók voor wat betreft de door ds Ruitenberg gewraakte conclusie, is gepasseerd.

Ik citeer nog even het door ds. R. gewraakte deel der conclusie:

„Zonder dat de waarheid van eigen standpunt principeel in twijfel werd getrokken, was men toch algemeen overtuigd van de roeping, in verbondenheid met en verantwoordelijkheid voor elkaar, deze verschillen ernstig te onderzoeken en het voorwerp van gemeenschappelijke bezinning te maken.”

Hoe is die tot stand gekomen? Deze passage was niet opgenomen in het ontwerp der conclusies, zoals dat uit Sectie I kwam. De zaak kwam pas aan de orde op de laatste dag, toen in de plenaire zitting de in de sectie ontworpen conclusies definitief zouden worden vastgesteld.

Bij die plenaire zitting nam de heer Chr. V. d. Heuvel, A.R. Tweede-Kamerlid, het woord over de ontwerp-conclusie van Sectie I. Hij stelde daarbij niet enigerlei amendement voor; hij bepaalde zich er toe een moeilijkheid, waarmede hij „zat”, aan de vergadering voor te ieggen en deed het verzoek, daarvoor een oplossing te vinden. Die moeilijkheid voor de heer v. d. Heuvel was deze, dat ergens in de conclusie vermeld werd, dat er „een diepgaand verschil” be-

stond ten aanzien van (onder andere) „de noodzaak van christelijk politieke en (of) sociale organisaties. „Welnu”, aldus zo ongeveer de heer v. d. Heuvel, „dit wekt in het land de indruk, dat vele voormannen uit de chr. organisaties, die hier ter conferentie, aanwezig zijn, bereid zijn het goed recht van die organisaties, waarvoor zij buiten de conferentie dagelijks propaganda voeren, in twijfel te trekken. En dat gaat me toch te ver.”

Of de heer v. d. Heuvel de indruk, die de conclusie „in het land” zou maken, goed beoordeelde, kan in het midden gelaten. Hij zag het nu eenmaal zo, en stond daarin niet alleen. En van zijn gezichtspunt uit was zijn opmerking toch wel begrijpelijk. Hij sprak als leidende en gezaghebbende figuur in de kring der Chr. organisaties, die door de voorgestelde conclusie de slagvaardigheid zijner organisaties bedreigd zag, want wat is aldus de gedachtengang van de heer v. d. Heuvel een organisatie nog waard als de leiding ook zelfs maar de schijn zou wekken van: ’t kan zó, maar ’t kan misschien ook wel op de manier, welke onze „concurrenten” voorstaan?!

Later kwam een ontwerp-conclusie ter tafel, waarbij een poging werd gedaan aan de bezwaren van de heer v. d. Heuvel tegemoet te komen. Daarin was die „principiële onaantastbaarheid van eigen standpunt” opgenomen. Er is toen terstond daartegen vanuit de conferentie stelling genomen. Er volgde een discussie, maar de tijd ontbrak om een bevredigende oplossing te vinden. De zaak werd daarom commissoriaal gemaakt. Het resultaat werd hetgeen ik hierboven citeerde.

Naast de „principiële onaantastbaarheid” wordt daarin genoemd de roeping de verschillen ernstig te onderzoeken en zich daarop gemeenschappelijk te bezinnen. Dit

samen onderzoeken en zich bezinnen betekent, dat de „principiëie onaantastbaarheid”, principieel is aangetast! Anders gezegd: in het eerste deei kregen de onaantastbaren hun „zin”, in het tweede gedeelte de anderen. Nog anders-gezegd: het geheel is een tactisch compromis, dat alle tekenen draagt van haastwerk en de kwestie wezenlijk onbeslist laat.

Laten we er daarom niet vérstrekkende gevolgen aan verbinden. Laten we niet zeggen (ik citeer ds R.): „dat de leiders van het gereformeerde volksdeel alleen maar bereid zijn met andere christenen te spreken, ten einde zo precies mogelijk de verschillen vast te stellen in de hoop de ander van zijn ongelijk te overtuigen.” Dit is stellig veel te algemeen gesproken. Inderdaad: zulke leiders zijn er (alleen in het gereformeerde kamp?), maar die karakteristiek geldt bijv. stellig niet voor de leiding der conferentie en ik geloof dat met een dergelijke uitspraak ook (bijv.) aan de bedoelingen van de heer v. d. Heuvel te kort wordt gedaan.

Hoe moeilijk de discussies in sectie I ook waren: ik ben er van overtuigd, dat zowel naar dr Berkhof als naar ds Buskes met grote ernst is geluisterd. Ook door de gereformeerden en hun leiders! Noch dr Berkhof, noch ds Buskes zal meen ik naar huis zijn gegaan met de gedachte, dat met hem alleen maar werd gediscussieerd om de „verschillen te registreren”. Ik ben van mening dat beider uiteenzettingen meerdere „antithese”-mannen zo niet aan ’t twijfelen, dan toch aan het denken over eigen beginselen heeft gezet.

Ds Ruitenberg vestigt er de aandacht op dat geen der Hervormde theologische hoogleraren (onder wie begrepen die ethiek doceren) ter conferentie was gekomen. Hun wegblijven legt ds R. uit als een ongeuite vraag om eens verschoond te mogen blijven van een gesprek, waarbij de „waarheid” van de „eigen overtuiging” niet in twijfel wordt getrokken.

Ik hoop, dat ds Ruitenberg met zijn uitleg ongelijk heeft. Want als het waar is, dat de hervormde hoogleraren het zinloos achten om het gesprek met hun geref. collega’s voort te zetten, dan zou daarmede wel

ORPHISCH-

IDA G M. GERHARDT

Als Orpheus voor de dieren speelt, de aardgeboren volken, verschijnt hun levend evenbeeld: in ’t kruiven van de wolken stuwt leeuw en lam en adelaar aan. En déze en gindse karavaan staat in de stroom, die stil bleef staan tot spiegelen en vertolken.

Voor de Griekse mythologie is Orpheus een sterfelijk mens, wie bovenmenselijke gaven van zang en lierspel zijn geschonken. Niet slechts de mensen komen onder de betovering van zijn muziek, maar ook de dierenwereld, de gehele natuur. Alles luistert, alles richt zich naar hem.

Drie rijken der natuur zijn in het vers van Ida Gerhardt vertegenwoordigd: de aarde, de lucht, het water. De „aardgehoren” dieren zijn er eerst, maar dan komen, geheimzinniger, geweldiger en als geladen met symboliek, die diergestalten die men soms in de wolken kan zien. Zij ontmoeten elkaar waar de zanger zich bevindt. Maar nu blijft ook de stroom aan zijn voeten stilstaan en aardse en hemelse karavaan staan roerloos in de waterspiegel weerkaatst. Steeds wonderlijker, steeds stiller, steeds omvattender harmonie, om hem die er het middelpunt en de bewerker van is. M. H. v. d. Z.