is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 63, 20-12-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog eens:

RADICALISME

2

In het vorige artikel beloofde ik mijn door ds Buskes gewraakte vraagstelling met nog enkele voorbeelden toe te lichten.

In de eerste plaats zou ik dan op het volgende willen wijzen:

Wie zich verdiept in de geschiedenis van het socialisme, wordt telkenmale sterk getroffen door het pathos, dat het socialisme in z’n jeugdperiode kenmerkte. Het pathos van een „scheppende beweging”, die zich wegbereider en drager weet van een nieuwe, radicaal oude grenzen en verhoudingen doorbrekende, samenleving. Ik noem hier een paar aspecten van dit stuwende pathos: de „solidariteit van het proletariaat”, het internationalisme, de vredesbeweging. Men zag de marsrichting èn naar men meende de blauwdruk van de te verwerkelijken samenleving duidelijk voor zich.

De critische vraag van vele jongeren is: is het socialisme werkelijk (nog) een „scheppende beweging”, die radicale veranderingen kan verwerkelijken? Laten wij ons nuchter realiseren, dat wat deze jongeren zien een op dit punt in verschillende landen falend socialisme is.

Wat zij in Duitsland zien, is een socialisme, dat van een met minder nationalistische en vaak on-democratische mentaliteit bezield schijnt te zijn dan andere politieke partijen. Een socialisme dat conservatief is in deze zin, dat het of althans zijn leiders oude probleemstellingen en oude machinaties niet te boven weet te komen.

In Frankrijk zien zij een socialisme, dat evenzeer „verpoiitiekt” is en even machteloos in de jammerlijke janboel van de derde republiek als de andere partijen. Een socialisme, dat bovendien ook in sterke mate is blijven steken in verouderde doctrinaire thesen.

In Engeland en mutatis mutandis ook in de Scandinavische landen hebben zij „experimenten in socialistisch regeren” aanschouwd, die wel op goede dingen kunnen wijzen, maar die wanneer ik nu zelf de zaak even mag meten aan het radicalisme, dat ds Buskes noemt toch waarachtig geen radicaal-nieuwe samenlevingen hebben gecreëerd.

Ik mag aannemen, dat ds Buskes deze geluiden net zo goed kent als ik. En de vraag, die er aan verbonden wordt: Wat voor radicale oplossingen hebben jullie socialisten ons dan werkelijk wel te bieden?

Ik noem een tweede kwestie: Er wordt de laatste tijd zeer veel gesproken en geschreven over „bezitsvorming”. Zowel van socialistische als bijv. van rooms-katholieke zijde.

weten we eigenlijk, wanneer we een radicalisme voorstaan, dat de structuur van onze maatschappij grondig wil veranderen, wel wat we hiermee willen? Als ik het scherp stel: hebben we hiermee concreet voor ogen, dat iedere arbeider z’n eigen huisje zal krijgen en bovendien misschien nog aandeelhouder-in-het-klein zal worden?

Ik heb er vrede mee, maar men moet mij dan niet proberen wijs te maken (om misverstand te voorkomen: dit is geen verwijt aan ds Buskes!) dat men bezig is aan een radicale wijziging in de structuur van onze maatschappij (de P. 8.0. bijv. is dat m.i. in sterkere mate!) Is men nl. in feite niet bezig op deze wijze normen en idealen van

een „burgerlijke cultuur” (dit zuiver bedoeld als sociologisch begrip), waarvan het vroegere socialisme geloofde, dat deze „voltooid verleden tijd” was geworden, tot nieuw leven te wekken? Nogmaals: wanneer men tot de conclusie komt, dat het juiste antwoord op de maatschappelijke uitdaging van onze tijd ligt in een terugvinden van bepaalde waarden, idealen en verhoudingen van een „burgerlijke cultuur” dan wil ik dat aanvaardèn. Maar welke inhoud krijgt dan het woord radicalisme en krijgt dan de „radicale” omvorming van de bestaande maatschappij?

Dat men in rooms-katholieke kringen bewust dergelijke denkbeelden voorstaat, is mij duidelijk. Het rooms-katholicisme is nl., als ik het juist zie, in politicis niet conservatief, maar regressief, om de vorig jaar door mevr. Verwey—Jonker gebruikte en m.i. bruikbare terminologie te gebruiken. D.W.Z.: het zoekt bewust het antwoord op de uitdaging van dit ogenblik door terug te grijpen naar normen en idealen uit het verleden. De Middeleeuwen en de burgerlijke standenmaatschappij spelen onze r.k. broeders danig parten. Misschien berust hun houding behalve op een ideële waardering der dingen ook op een nuchtere taxatie der feitelijke verhoudingen. In zijn mooie dissertatie over de ongeschoolde arbeider heeft dr Haveman er pas geleden nog weer op gewezen, dat de geschoolde arbeider „burger” is geworden en zich richt naar burgerlijke normen en idealen.

De „solidariteit van het proletariaat” is een fictie gebleken.

En heeft Berdjajew van de Sowjet-Unie niet gezegd: „C’est ici l’esprit bourgeois tont pur...”

Maar als ik ds Buskes goed begrijp, bedoelt hij met zijn oproep tot radicalisme

per se geen regressief, maar een progressief radicalisme. En dan is mijn vraag: is dat een radicalisme, dat niet terug wU naar een „burgerlijke cultuur”? Zo ja, welke bezitsverhoudingen wil het dan wel?

Ik kom nog even terug op een zin uit het artikel van ds Buskes en wel deze: „Dit neemt echter niet weg, dat de P.v.d.A. de kapitalistische productiewijze nog altijd veroordeelt en bestrijdt vanwege het individuele winstmotief, de meedogenloze concurrentiestrijd, de felle belangenconflicten en de klassentegenstellingen.” Mijn vraag aan ds Buskes om juist ter wille van zoveel jongeren, die zich graag radicaal voor iets in willen zetten, mits dat „iets” hun maar volkomen duidelijk is zou hier nader omschreven luiden: Omschrijf die te veroordelen productiewijze eens nader en zeg ons, welke productiewijze wij dan radicaal moeten toepassen. Ten tweede: geldt de veroordeling, die u uitspreekt primair de bijvoeglijke naamwoorden (individuele, meedogenloze, felle) dan wel de zelfstandige naamwoorden (winstmotief, concurrentiestrijd, belangenconflicten)? Als het laatste het geval is, wat komt er dan voor in de plaats en langs welke weg? Met natuurlijk de vraag er bij: toon ons aan, dat het socialisme zo is en die kracht heeft. En wat bedoelt u met de „klassentegenstellingen?”

Tot slot nog dit. Ds Buskes schrijft ook: „Daarom versta ik zijn vraag niet, of wij wel met een eerlijk geweten de leus van het radicalisme kunnen aanheffen. Indien wij deze vraag ontkennend beantwoorden, moeten wij goed weten, dat wij daarmee veroordelen al wat de socialisten van het begin af tot op de dag van vandaag gezegd en geschreven hebben.”

Dit Is mij niet duidelijk. Waarom moet het crltisch stellen van de vraag naar het omlijnde antwoord in de situatie-vanheden mét een eventuele erkenning van een stuk onmacht-tot-dit-antwoord een veroordeling betekenen van historische antwoorden en een historisch juiste strijd?

En daarmee sluit ik deze rij van vragen af en schik mij gaarne op de plaats, waar ik mij het beste thuisvoel: aan de voeten van een leermeester. J. H.

Lambarene en Indonesia

Twee belangrijke gebeurtenissen, welke kort geleden vrijwel tegelijk plaats vonden, trokken onze aandacht. Ze hebben ogenschijnlijk weinig of niets met elkaar te maken, en toch kunnen ze ons uitdagen om naar een verband te zoeken. Het ene gebeuren was zeer verblijdend: Dr Albert Schweitzer kreeg een bedrag van 85.000 gulden, in zeer korte tijd bijeengebracht in Nederland, mede voor zijn hospitaal in Lambarene. Het andere gebeuren wekt veler zorg: De Raad voor de Zending vergaderde in Oegstgeest om te spreken over de begroting voor het komende jaar, waarop een groot bedrag aan uitgaven voorkomt, dat niet door inkomsten wordt gedekt.

Wij kunnen niet zeggen, dat het Albert Schweitzer geen moeite kost, om voldoende middelen voor zijn ziekenhuis te krijgen. Maar wel is nu opnieuw gebleken, dat er velen in Nederland zijn, die gaarne en zeer gul aan zijn werk schenken. Van het werk van „Oegstgeest” valt iets anders op: zij die daarvoor mede aansprakelijk zijn, de hervormde christenen van Nederland,

geven over het algemeen weinig en het blijkt niet dat er van daar uit zoveel bezieling uit gaat, als van een radiotoespraak van Schweitzer!

Mogen wij het medische werk van Albert Schweitzer en het zendingswerk van Oegstgeest op hun „wervende kracht” vergelijken? Schweitzers werk is meer verwant aan datgene, wat 5.1.M.A.V.1. in Nederland propageert r steun in medische aangelegenheden voor inheemsen. 5.1.M.A.V.1. heeft stellig niet te klagen over gebrek aan belangstelling. En er zijn velen in Nederland, die niet aan de zending geven, maar wel aan medisch werk in den vreemde. Vroeger zou daarmede misschien wel een bevredigende verklaring gegeven zijn voor een gebeuren als het boven vermelde. Men zou gezegd hebben dat Schweitzer en „Oegstgeest” ieder hun eigen aanhang blijken te hebben. Geldt dat thans ook nog? Dan wordt er nog niet verklaard, waarom de zending zulk een enorme moeite moet doen om het ontbrekende bedrag te verkrijgen. Is het antwoord hierop: de zending vermag de mensen niet zo te inspireren en te over-