is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 4, 24-01-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TERZIJDE VANHET DIENSTBOEK

In 1950 werd een ontwerp Dienstboek door de Generale Synode der Ned. Herv. Kerk aan de kerk aangeboden. Het ging om eeni regeling van de eredienst, aangepast aan de nieuwe tijd. Het was een nieuw bewijs hoezeer de Ned. Herv. Kerk zich beijverde levende in deze tijd te staan, en zich te behoeden voor verstarring. De twee delen die tot nu toe verschenen zijn, geven ontwerpen voor de verschillende liturgieën, bijv. een orde van dienst voor de gewone Zondagmorgen zowel als voor de Avondmaalviering, voor de bediening van de doop als voor de inzegening van het huwelijk, enz. enz. Het moet voor de commissie, die dit werk ondernam, een hachelijke taak zijn geweest. Eredienst groeit in de geschiedenis: de gemeente van vandaag bidt en zingt er met de woorden van het verleden. Individuele invallen noch modestromingen horen er in thuis. Wel moet de liturgie al biddend uitspreken wat de gemeente gelooft. Belangrijker dan het aanpassen van een liturgie aan de geest van de tijd, lijkt me daarom het zuiveren van die Insluipsels uit het verleden die, eertijds concessie aan de tijdgeest, nu overtollig of storend zijn.

Kortom het werk ligt er in ontwerp, en dezer dagen verscheen „Bijdrage tot de hervormde eredienst” *). Dit boek is niet mals in zijn critiek, ja zelfs hier en daar welhaast kwaadaardig. Ergens bijv. gaat het over „De bedenkelijke onmacht van de kerk, om jonge mensen aan te spreken en de zondige onwil, om er zelfs naar te streven” (cursivering van mij, blz. 21). Ik wil wel verklaren dat de ruzies in de voorhof tussen de priesters, voor de eenvoudige tempelbezoekers weinig stichtend zijn. Er moet mij nog iets anders van het hart. de schrijvers van dit stuk hadden m.i. moeten bedenken dat deze onversluierde aanvallen voor al te veel mensen weer eens een gelegenheid scheppen zich te verkneukelen in de kerkelijke tweedracht. Al de kranten die ik las, hebben dit stuk uitvoerig besproken. Het is trouwens een algemeen verschijnsel dat kranten, die overigens weinig of geen kerkelijk nieuws bevatten, er als de kippen bij zijn om te rapporteren, dat er op kerkelijk erf weer een relletje gaande is. Het is hier niet de plaats uitvoerig op deze discussie in te gaan. Terwijl de samenstellers van het dienstboek heel voorzichtig

een zodanige liturgie hebben ontworpen, dat zij zoveel mogelijk overeenstemming vertoont met die der andere kerken, (de oecumenische gedachte!), dat zij uitdrukking geeft aan het belijden der kerk door toetsing der formules aan de Schrift en de belijdenis der vaderen, dat zij alle willekeur uitsluit door zich aan te passen aan de sedert de Reformatie historisch gegroeide liturgie, bepleit de „Bijdrage” aanpassing aan de moderne geest en overboord gooien van verouderde, dogmatische ballast.

De studie-commissie van de vereniging der vrijzinnige hervormden heeft haar taak ernstig opgevat. Het is een doorwrocht werkstuk, dat, zoals van deze groep te verwachten was, vooral bepleit dat de kerk toch met haar tijd mee moet gaan en zowel aan formulering als in gedachte al wat ■vlerouderd is, overboord zou werpen. Nu is het zo, dat wat voor de een verouderd is en afgedaan, voor de ander waardevol erfgoed is. De commissie zal dan ook wel niet verwachten, dat al haar voorstellen ongewijzigd overgenomen zullen worden. Het ware wellicht beter geweest, als destijds bij de samenstelling van het Dienstboek mensen van deze groepering aanwezig waren geweest, of indien deze commissie advies en bijstand had ingewonnen van andersgezinden. Nu vormen de beide geschriften een al te fel contrast. Ik bedoel dit zo: ergens lees ik in de Bijdrage de rhetorische Vraag: „Wie durft bij zijn aannemelingen (het gaat over de liturgie voor de openbare belijdenis des geloofs) veronderstellen, dat zij de draagwijdte overzien van de formule: „in dankbare gehoorzaamheid aan de H. Schrift en in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen”, en wat wordt dit meer dan een frase?” Nu kan men toch in gemoede opmerken, dat

catechisanten van laat ons zeggen een orthodox dominee, deze formule wel zullen begrijpen en dat de vraag alleen zinvol is als het de leerlingen betreft uit een vrijzinnige groep. Ik zal niet ontkennen dat daarmee de vraag volkomen ontkracht is, maar ze klinkt anders. De gelijkberechtigde aanwezigheid van deze zgn. „modaliteit” staat dan op het spel en niet meer het veronderstelde recht van haar exclusief gelijk hebben.

Nadrukkelijk noemde ik dit opstel „Terzijde”. Vanuit dit standpunt veroorloof ik me nog enige opmerkingen: ergens ridiculiseert de Bijdrage het gebruik van het woord „Here”. Ik moet zeggen dat mij die term ook niet ligt, maar ik weet dat vele medegelovigen het graag zo zeggen en ik respecteer dat. Ik voel ook wel, wat zij bedoelen; het respect voor de taal der Vaderen, die het ook zó zeiden vanuit een diep gevoel van eerbied. Het maakt toch wel enig verschil of we het over de heer Jansen hebben of over „de Here”. De een volstaat, om het verschil aan te duiden met intonatie en hoofdletter, de ander verzwaart de taalvorm met een stomme e.

Vaak wordt in de „Bijdrage” de zorg uitgesproken, dat door ouderwetse uitdrukkingen „jongeren, links-vrijzinnigen en kerkelijke randbewoners” af geschrikt zouden worden. Ik kan die vrees wel delen en toch ben ik niet geheel overtuigd. De kerkdienst is allereerst voor de huisgenoten. Een kerkdienst aantrekkelijk maken voor de „bezoekers” lijkt me al meteen een foutieve opzet. Ze mochten ons eens „door” hebben. Ze mogen gerust weten dat ze „op visite” zijn. Ik probeer me voor te stellen, wat het is, als men na een zorgvuldig en ernstig zelfonderzoek de weg naar de kerk inslaat. Leeft men dan niet in de verwachting, dat daar in de kerkruimte een gans andere atmosfeer heerst dan in de wereld en zal men niet blijmoedig openstaan voor de in-

(vervolg van pag. 3)

hem gegroet heb, open ik het hek van het huisje bij de bocht van de weg. De zon speelt wat met de schaduwen van de boomtakken op het grintpaadje. Over een koperen bloempot in het kozijn dwarrelen wat glimlichtjes. Voetstappen in het huis. De deur zal opengaan en... De naad en de gele planken. Sufferig gevoel. De baas heeft gekucht en dat betekent dat hij al werkt en dat wij hier niet zitten om vliegen te vangen. Je kan wel eens een reis maken in het land van de verbeelding, maar je krijgt altijd weer een retourtje.

Toen begon de grote drukte. De monteurs kwamen de hal binnen en begonnen een hoop onnodige herrie te schoppen met motoren en staven, hamers of holle olievaten. Meneer Lievens vond het tijd om op te stappen en liet ons met de telefoon en de andere brokken zitten. Er was weer autoveiling die middag.

Hij was nog niet weg of de eerste bezoekers kwamen binnen. Buiten was het licht geworden, en droog. Men had de grote deuren geopend, een van de jongens stond op straat de auto’s af te spuiten. Even werd ik doof doordat ’n monteur een motor startte en voorover gebogen, met een grote bocht vanuit de hal de straat opreed.

Misschien dat de mensen omdat het nu droog was. De nieuwelingen aarzelden, als gewoonlijk. De anderen keken alsof ze door de bagger moesten. Ze vroegen afrekeningen. Ze maakten ruzie over een dubbeltje. Koenen had gelukkig de kleine kas nog niet overgedragen, dus die moest het maar uitzoeken. Ze drukten me bedui-

melde kwitanties onder de neus, en verkreukelde beurtvaartadressen. Er verscheen een jochie met een paar kaartenkastjes die ik een tijd geleden besteld had. Nou zou alles nog veel beter gaan, want Koenen moest dat kaartsysteem gaan inrichten. Zo was ik die hulp ook nog kwijt. En de stapel papieren op m’n bureau groeide. Als ik nou ziek zou worden...

Als ik nou ziek zou worden, zou de zaak in het honderd lopen. De baas zou alleen de grootboeken bijwerken en in de correspondentie ronddaveren tot geen mens meer de rommel zou kunnen vinden. Koenen zou aan m’n sponde verschijnen, gewapend met ’n blocnote, en ik zou tussen twee niesbuien door op m’n rug liggen, met boven me een volstrekt oninteressant kasboekje. Maar om half zes was m’n sombere bui verdwenen. Ik keek over m’n bureau als ’n veldheer die weet, dat hij een goeie kans heeft om te winnen als hij nu eerst op de linkervleugel aanvalt.

De baas had nog iets over het journaal gemompeld, maar nu op vriendelijker toon. Ik schoot m’n jas aan. De garage was akelig leeg. Ik stapte over een paar plassen, langs de luchtpomp. In de hoek stond de laatste man nog wat aan een ventiel te morrelen. Jonas kwam het schaftlokaal uit en liep met me op de buitenlucht in, die me ongewoon fris leek. Er zoemden een paar woorden in m’n hoofd. „We kunnen tenminste weer doorwerken” had de baas gezegd, toen hij het grootboek dichtklapte. Dank u, dat was een compliment. C. MILOT