is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 10, 07-03-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET ZAL NIET LUKKEN

Van weinig zaken ben ik zo zeker, als dat de poging om de Vrijzinnig Democratische Bond tot nieuw leven te wekken, op niets zal uitlopen.

Noch boosheid, noch bangheid leidt mij tot die conclusie. Het zijn een aantal zakelijke overwegingen, die mij voor de geest staan. Hier volgen ze.

De radicale of vrijzinnig democratische richting in de politiek was een flankbeweging van de liberale sector. Zij heeft goed werk gedaan, door een deel van de vrijzinnige burgerij, oude en nieuwe middenstand vooral, te behoeden voor het conservatieve liberalisme en een brug-positie in te nemen tussen dit 19de-eeuwse liberalisme en het vroeg-20ste-eeuwse socialisme.

Haar verlangen was: liberalen te stimuleren tot meer progressieve gezindheid en de socialistische beweging te waarschuwen voor haar eenzijdigheid. Zij was in de verkiezingsstrijd wèl, in de practijk niet zonder meer anti-socialistisch, althans niet emotioneel geladen tegen de arbeidersbeweging. Zij wees allerlei dogmatisme af, maar wilde naar zakelijke motieven van die kant luisteren.

Bij de stichting van de Partij van de Arbeid bleek, dat er geen zakelijk verschil meer bestond tussen vroegere SDAP-ers en het overgrote deel van de vroegere vrijzinnig democratische leiders, vooral bij hen, die in het verzet vooraan hadden gestaan. De noodzaak om het maatschappelijke leVen te herordenen werd algemeen erkend en een stuk dogmatisme binnen de socialistische beweging werd ook daar als ondoelmatig en overwonnen gevoeld. Zie ik goed, dan is de oprichting van de P.v.d.A. mede veroorzaakt' door het feit, dat de vroegere V.D.B. en de oude S.D.A.P. hoe scherp men soms tegenover elkaar stond voortdurend elkaar beïnvloed haddejn in de strijd.

Nu, anno 1953, staan wij in een geheel andere situatie, vergeleken bij de jaren rond 1900, toen de V.D.B. ontstond. Toen was er allereerst, dank zij het districtenstelsel, ruimte voor plaatselijke initiatieven. Nieuwe partijen konden zich doorzetten. De scheiding tussen A.R. en C.H. voltrok zich, en parallel daarmee was er ook een splitsing in het liberale blok. Een manifest, een regionaal bekende candidaat, een goed gevoel voor de plaatselijke verhoudingen, een paar weerbare en alom bekende mannen en men had een partij.

Deze situatie heeft zich grondig gewij-

zigd. Men doet goed op te merken, dat na 1922 geen enkele partij meer werkelijk een voet aan de grond heeft kunnen krijgen. Kersten was voordien al begonnen. Maar Lingbeek, A. F. Staalman, Ter Hall, Treub, Floris Vos, Braat, Sneevliet allen zijn ze verdwenen. De mannen niet alleen, maar ook hun partijen. De C.D.U. is opgenomen in de Partij van de Arbeid en dat is haar redding geweest. Het is zeer de vraag of na 1945, nu èn het landpachtersprobleem èn de vragen van oorlog en vrede in een ander licht kwamen te staan, de C.D.U. nog wel voldoende aantrekkingskracht gehad had. Welter maakt een uitzondering. Hij is een schilderachtig man en hij breidt de situatie, die zich bij gemeenteraadsverkiezingen in het zuiden steeds voordoet, nu tot het hele land uit, nl. dat de Rooms-Katholieken zodra ze onder-ons zijn, graag met belangenlijsten komen. Maar zowel de Middenstandspartij (die toch wel met het zware geschut van de beklemde middenstand kon komen) als de Socialistische Unie (die gebruik kon maken van een diepe anti-militaristische traditie bij de vroegere S.D.A.P.-ers en een „trotskistisch” element bij de communisten) alsook de artikel-31’ers, die fanatiek en zonder uitzicht volhouden, moesten in het zand bijten. Allen tegen hun eigen hooggestemde verwachting in. Plaats is er in Nederland wèl voor reactionnaire groepen Welter is er een van maar de samenbundelende kracht daarvoor is er niet.

Hoe komt dat?

Oorzaak is de op zichzelf helemaal niet toe te juichen tendens van de scheiding tussen deskundigheid en beginsel; tussen algemeen gezichtspunt en regionale gevoeligheid. Wie thans ziet welk een apparaat de grote partijen moeten opbouwen voor onderzoekingen, veelvuldig beraad, commissiewerk, die moet tot de conclusie komen, dat nieuwe partijvorming geen zin heeft. Tenzij men iets wezenlijk anders gaat maken. lets, waarvan men öphoort en waarop grote massa’s hebben gewacht. Mussert deed dat en zelfs zijn succes was niet groot. In het gedenkboek, bij het tienjarig bestaan van de N.S.B. uitgegeven, staat, dat de verwoede partijgangers, dag aan dag in touw, de stelUge verwachting hadden, dat hun leider in 1937 20 zetels zou veroveren. Ze kregen er vier.

Oorzaak is tevens, dat iedereen, die maar even over politieke zaken begint, direct tot de ontdekking moet komen, dat studie en scholing broodnodig is. Daarvoor zijn dagbladen, weekbladen, maandbladen, studiegroepen, radio noodzakelijke middelen. En ook goede middelen. Men behoeft maar met een „gewone” anti-revolutionnair te spreken om te bemerken,, wat een halve eeuw politieke scholing in die kringen gedaan heeft.

Een nieuwe partij heeft in dit geheel geen zin. Gewoon technisch al behoort het in dit tijdsgewricht tot de onmogelijkheden om een dergelijke zaak te beginnen. Dat vraagt veel mannen en vrouwen, een duidelijk program, een zedeiijk pathos, een visie.

Zou een nieuwe oude Vrijzinnig Democratische Bond dit alles kunnen opbrengen? Ik geloof er niets van.

Bovendien; waar zou hij de stemmen vandaan moeten halen? Men moet deze zaak nuchter zien. En zich niet laten bedriegen door wat men in eigen, kleine kring waarneemt. Als ik bijvoorbeeld, ge-

heelonthouder zijnde, te pas en te onpas en met een ernstig gezicht zeg, dat het toch wel erg is, dat het drankgebruik stijgt, en dat er nodig wat tegen gedaan moet worden, dan zal ieder, die bij mij op visite is of die ik bij de kapper spreek, mij dat toegeven. Maar daarom worden al die mensen nog geen dragers van een blauwe knoop. Er zijn heel veel mensen, die het prettig vinden om een warmlopende vriend niet tegen te spreken en daarom gelijk te geven-zonder-verplichtingen. Maar daar bouwt men geen kiezerscorps uit op.

En bovendien: wie denkt de oude nieuwe V.D.B. te vangen? Toch niet de tienduizenden jongeren „van vrijzinnigen huize”, die alleen nog maar de naam van horen zeggen kennen. Zijn ze progressief, dan stemmen ze Partij van de Arbeid. Zij hebben geen emotionele afkeer meer tegen het woord socialisme. Zijn ze pessimistisch en argwanend, zijn ze bang voor belasting of voor ambtenaren, wel, dan stemmen ze V.V.D. Maar alleen het „neen” zeggen tegen liberalisme en socialisme is onvoldoende om warm te lopen. Allen, die na 1939 23 jaar geworden zijn de stemmers beneden de plm. 35 jaar zullen zo’n partij uit het verleden alleen maar vreemd vinden. Dat zijn er vele tienduizenden.

En de ouderen? Degenen, die vroeger V.D. stemden? Een belangrijk deel, met name de nieuwe middenstand een groot contingent en het vooruitstrevende vrije beroep voelt zich kiplekker in de P.v.d.A. De boeren (grote en middelgrote) hebben hun thuis gevonden in de V.V.D. Overzie ik dat, dan vraag ik nogmaals: waar moeten de minstens 55.000 stemmen vandaan komen om in 1956 althans één zetel te krijgen? Laat staan de vijf è. zes, die men voor de oorlog had.

En op welk program? Het program van de V.V.D. klinkt progressief genoeg. Als men daar niet progressief is, dan komt dat door de mensen en door het feit, dat men steeds weer bewijzen moet vooral géén socialist te zijn.

Dit zelfde euvel kon ook wel eens de (m.i. imaginaire) vrijzinnig democratische parlementsleden gaan aankleven. Om zich te handhaven moet men zich in de politiek tegen iets afzetten. Dat betekent dan in concreto: men moet laten zien, dat het zin heeft om niet bij de Partij van de Arbeid in te trekken. Gesteld al, dat dit lukken zou, dan zouden daarmee twee hoogst ongewenste gevolgen te duchten zijn. In de eerste plaats zou dan zeker de K.V.P. weer de grootste partij worden en dan zou de enorme winst van deze doorbraak steeds in de oude vrijzinnig democratische traditie begeerd teloor gaan. En in de tweede plaats zouden dè,n in de Partij van de Arbeid die krachten werkzaam worden, die in de verleiding komen juist te gaan doen, wat men wil verhinderen, nl. een „dogmatischer” socialisme gaan propageren. Het „arbeiderisme”, dat men wil bestrijden, zou men bevorderen.

En tenslotte: wie moet dit alles leiden? Misschien is er bij een verkiezing in een plattelandsgemeente wel iemand voor de raad te vinden die voldoende populariteit heeft om stemmen te trekken. Landelijk zie ik geen enkele figuur, die voldoende bekend is en voldoende breed vertrouwen heeft om nieuwe kiezers aan te lokken. Aan te lokken met een program, dat niet zoals dat van de oude V.D.B. de charme heeft van lets eigens.

Een oude nieuwe V.D.B. heeft geen kans.

En hij heeft ook geen zin.

L. H. R.

PROTESTANTS-CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP IN DE PARTIJ VAN DE ARBEID

Aan de vooravond van het congres van de Partij van de Arbeid zullen de drie Werkgemeenschappen dezer partij een demonstratieve samenkomst houden en wel op Woensdag 25 Maart 1953 in het gebouw „Amico”, Nieuwstraat 28 te ’s-Gravenhage. Aanvang 20 uur. Als sprekers treden op: Dr B. Al van Amersfoort namens de Katholieke Werkgemeenschap; Dr J. C. Brandt Corstius van Utrecht namens de Humanistische Werkgemeenschap en Fedde Schurer van Heerenveen namens de Prot.-Christ. Werkgemeenschap. Het thema zal zijn: „Levensbeschouwing en P.v.d.A.”. De 6e jaarvergadering van de Protestants-Christelijke Werkgemeenschap in de P.v.d.A. wordt gehouden op Woensdag 25 Maart 1953 te 14 uur in het Volksgebouw aan de Prinsegracht 73 te ’s-Gravenhage.