is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 12, 21-03-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DESKUNDIGHEID ZONDER ZIEL

Het lijkt langzamerhand een verouderd thema. Toch is ’t nodig te blijven waarschuwen tegen de overmoed en de overmaat van de deskundigheid, tegen haar eenzijdigheid, tegen haar geharnaste verschijning, haar gewichtigdoenerij en haar machtsvertoon, terwijl wij ons soms met zorg afvragen, of er nog een hart achter klopt. De deskundigheid zet een zwaar stempel op onze tijd, waarin zakelijkheid, technische bedrevenheid, vakkennis niet enkel noodzakelijke voorwaarden zijn om zich in de maatschappelijke stoelendans een plaatsje te veroveren (want dat spreekt voor zichzelf), maar ook toverwoorden kunnen worden, waarmee moderne afgoderij wordt bedreven.

Een jonge man, die zijn weetje wel wist, maar moeilijk aan de slag kon komen, klaagde eens over de opvoering van de eisen door dictator deskundigheid. Hij zei: „Het is in ons overbevolkt land niets dan een truc om een steeds onbarmhartiger schifting toe te passen bij een toenemende stormloop op een afnemend aantal posten.” Die hartekreet mag overdreven lijken, maar ’n beetje gelijk had hij wel. En het bedenkelijke daarbij is juist, dat immers het hart te kort komt bij de steeds zwaarder eisen, die aan het hoofd gesteld worden. Er is inderdaad een gevaar, dat in de wedloop om werk de persoonlijke eigenschappen in het gedrang komen. Dat behoeft niet te verwonderen, omdat de waardemeter hier niet zo duidelijk werkt als bij een examen, waar het om feitenkennis gaat. Stellig zal de mensenkennis van een goed personeelschef gewicht in de schaal leggen, maar er is een neiging om aan de cijferlijst toch voorrang te verlenen.

Het valt niet te ontkennen, dat onze gemechaniseerde tijd een groot deel van de arbeidsenergie tot routine-arbeid dreigt te degraderen. Dat brengt het gevaar mee, dat de werker op kantoor of fabriek niet boven zijn arbeid blijft staan, maar er buiten, omdat hij er niet innerlijk bij geïnteresseerd is. Dan komen wij in de buurt van de deskundigheid zonder ziel, bij het verstand zonder hart, bij arbeidsbeweging zonder bewogenheid. Dat laatste blijft het geheim van het echte welslagen, van de zo onmis-

bare arbeidsvreugde. Bewogenheid (ter wille van de woordspeling) mag dan wat sentimenteel klinken, maar toewijding kan in geen enkel werk gemist worden, op straffe van onze arbeid zielloos te maken. Die toewijding komt steeds meer in verdrukking door de wisselwerking tussen de nog veel te schoolse opleiding en door de eenzijdige eisen, die gesteld worden.

Daarbij komt, dat de psychische gesteldheid, waarmee velen zich toegang tot het arbeidsterrein trachten te verschaffen, de zo noodzakelijke arbeidsbezieling niet bevordert. Een nuchter, hard realisme is niet alleen een algemeen kenmerk van onze tijd, maar het wordt nog in de hand gewerkt door een gemis aan toekomstverwachting, door uitzichtloosheid, door toenemende werkloosheid, door de vergeefse moeite, waarmee verloofden zich aftobben om zich een nestje te bouwen, door een te lange onderbreking van de diensttijd, die soms een grijpbare kans op werk in de weg staat. Dat alles bevordert eerder onverschilligheid en cynisme dan dat het voedsel geeft aan blijde toewijding.

Stellig kan er wezenlijke arbeidsbezieling, die voortkomt uit en samenhangt met de arbeid zelf, voorkomen en zij komt ook gelukkig voor, ondanks bovengenoemde factoren, toch lijkt het mij toe, dat geestdrift en toewijding, die ’t uit zullen houden dwars door veel tegenwerkende omstandigheden in, op hoger niveau verworven moeten worden. Daar, waar wij tegen alle aperte zinloosheid in, door het geloof de zin van ons leven, in arbeid en moeite, in lijden en strijden, in teleurstelling en mislukking, leren verstaan en vasthouden. Aan de kerk in de ruimste zin des woords, is het voorrecht beschoren om de weg te wijzen tot de bron, waar wij dat geloof kunnien vinden en voeden.

Nu heeft de kerk wel eens zo eenzijdig de ziel verzorgd (vooral bij de orthodoxie), dat zij aan een zakelijk-deskundige kijk op leven en arbeid nauwelijks toekwam. Maar dat wekt nog geen bezieling, dat staat alleen maar zielig. Laat de kerk nü omgekeerd niet het gevaar lopen up to date mee te willen doen aan de verering der deskundigheid, terwijl zij juist, met erkenning van de noodzakelijkheid daarvan, het bezielend tegenwicht moet verzorgen. Hier en daar meen ik symptomen van dit gevaar te bespeuren.

Ik denk aan de prachtige taak de kinderen van de openbare school met de bijbel in aanraking te brengen. Nu zijn de eisen voor de catecheet niet weinig verzwaard, ter wille van de deskundigheid. Op zichzelf is dit eer te prijzen dan te laken. Maar het gevolg in mijn omgeving is, dat het handjevol vrijwilligers de animo verliest en alleen maar afgeschrikt wordt door al het te verwerken materiaal. Bepaal ik mij tot het omvangrijke gebied van de lagere schooi, dan gaat het toch in hoofdzaak om drie dingen: een behoorlijke bijbelkennis, tact om met kinderen om te gaan en ’n zekere mate van algemene ontwikkeling. De gave om de kinderen te pakken staat hier terecht als het belangrijkste in het midden, maar juist deze geheimzinnige factor past moeilijk in het kader der deskundigheid.

Onlangs gaf een diaken-zakeniman, ’n prettig en verstandig mens, mij de wens te kennen, dat hij zich graag aan diaconaal werk in ruimer zin wilde wijden, met name dacht hij aan werk in dienst van Kinderzorg. Toen ik ’n leidende figuur in de kerkelijke Kinderzorg over dit plan polste, werd dit zonder enige nadere informatie de kop ingedrukt met de opmerking, dat dit werk zoveel deskundige eisen stelde, vooral op het gebied van psychologie en wetskennis, dat dit voornemen zelfs niet de overweging waard was. ’t Zal wel waar zijn, dat ook op dit gebied ’n behoorlijke kennis en toerusting vereist worden; wie zal dat tegenspreken? Maar waar toewijding gepaard met een helder verstand en een op zakelijke ervaring gegronde ontwikkeling ondersteld mag worden, begrijp ik niet, dat hier mogelijkheden bij voorbaat af gesneden moeten worden.

Een laatste voorbeeld. Ik denk aan de ontwikkeling der zending, die grotendeels in de hoogste regionen wordt bedreven en dan nog met de beperking van wetenschappelijke hulpdienst. De wegen, die hiertoe geleid hebben, zijn mij niet onbekend. Maar het blijft in kerk en zending toch een probleem, dat wij met het zgn. lekenapostolaat (lelijk woord voor ’n schone zaak) hoe langer hoe minder raad weten ter wille van de deskundigheid, terwijl beide schreeuwen om hulptroepen. Mij staat een jonge man voor de geest, die lijdt onder het conflict van roeping en de sociale onmogelijkheid om haar te beantwoorden, omdat de lange weg der deskundigheid langer en duurder wordt.

De waarschuwing tegen een opgeschroefde deskundigheid, zelfs op het terrein van godsdienst en kerk, zal voorlopig nog wel ’n stem eens roependen in de woestijn zijn. Wie het pleit voert voor haar noodzakelijk pendant in bezieling, gave, roeping, innerlijke levenswaarden loopt kans tegen de keiharde kaaimuur van verzakelijking en deskundigheid te stoten. Toch kan ik niet nalaten te pleiten voor ’n betere verhouding tussen beide, opdat de deskundigheid iets bescheidener wordt en er meer aandacht besteed wordt, ook en vooral in opvoeding en onderwijs, aan de eigenlijke stuwende krachten, de innerlijke gaven, die een mens tot persoonlijkheid vormen. Dan heeft de zozeer tot idool geworden deskundigheid weer kans om een ziel te krijgen, die zij nu bezig is te verliezen.

In dat pleidooi voor meer evenwicht tussen deskundigheid en bezieling ben ik in goed gezelschap als ik denk aan een figuur ais Paulus. Hij was de grondlegger van de christelijke theologie en tegelijk mysticus, visionnair, begaafd met intuïtie en mensenkennis. Deze denker met rabbijnse inslag schreef tegelijk een loflied op de hoogste liefde. Hij verenigt deskundigheid met „feeling” voor de practijk. Wanneer hij als gevangene naar Rome vervoerd wordt, steekt er in de buurt van Kreta een hevige storm op. Dan ontstaat er meningsverschil tussen de schipper en Paulus over de koers. En dan volgt er: „de hoofdman stelde meer vertrouwen in de schipper dan in de woorden van Paulus” natuurlijk wint de deskundigheid ’t van het advies van deze dilettant in de scheepvaart. Maar ’t komt hun allen duur te staan, als de deskundigheid ’t wint van intuïtie en visie. Het is te vrezen, dat wij met alle verstandelijke zwaarwichtigheid, toch aan de oppervlakte blijven en tot „opgeblazenheid” kunnen vervallen. Daarom is het geraden, juist als het weer stormachtig wordt naar de diepte van zuivere bezieling af te steken, opdat wij geen schipbreuk lijden aan zielloze deskundigheid. M. V. d. V.

maar een onbarmhartig spel. Dat bemerken wij, zodra het om de waarheid gaat. „Hosanna” en „Kruisig hem” wisselen elkaar af en in deze dubbelzinnigheid gaat iedere vergelijking van de mens met een ander schepsel mank, zeker de vergelijking met het dier. De populariteit is onbarmhartig, omdat zij de gunst hoger aanslaat dan de waarheid. Jezus heeft de gunst geen ogenblik gezocht, omdat hij de waarheid is. En zo brengt hij het offer, dat het enig antwoord op de zucht naar populariteit is. In dit offer wordt de gemeenschap geboren, die de grote stad uit zich zelf nooit is.

Mocht het aanvankelijk schijnen, dat Jezus de strijd verloor en dat de oproep om zich onder zijn hoede te scharen in het luchtledig verstierf, het einde is de gemeenschap geworden, die door geen menselijke wil kan gebroken worden.

A. F. L. VAN DIJK