is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 17, 25-04-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kerk en de machten

Of de beschouwingen, die dr Berkhof over de uitspraken van Paulus over de machten geeft, exegetisch verantwoord zijn, waag ik niet te beoordelen, maar ik weet wel, dat hij ons een fascinerend en actueel boek heeft gegeven.

Op de Christelijk-Sociale Conferentie in Utrecht werd een uitvoerige discussie gehouden, over de betekenis van de ordeningen in ons maatschappelijke, politieke en culturele leven.

Er waren er, die van deze ordeningen niets wilden weten. Enkel het gebod van God kan ons leiden. De ordeningen zijn zo scheef getrokken door de zonde, dat wij er niets mee kunnen beginnen.

Er waren anderen, die aan de ordeningen naast het gebod een zelfstandige plaats gaven. Volgens hen zijn de ordeningen normatief en zij ontkenden, dat de zonde zo verwoestend op de ordeningen heeft ingewerkt, dat zij voor ons geen maatstaf meer kimnen zijn.

Dr Berkhof komt met een geheel eigen beschouwing.

De ordeningen zijn er, om de wereld en het leven voor de chaos te bewaren. Het gevaar, dat dreigt is echter altijd, dat zij zelfstandige machten naast God worden, dat zij dus vergoddelijkt worden en heerschappij over de mensen beginnen te oefenen. Door Christus zijn zij ontwapend. De mogelijkheid bestaat evenwel, dat zij, waar Christus geloochend wordt, opnieuw heerschappij over ons krijgen, maar nu als antichristelijke machten, die echter door de gemeente van Christus in hun anti-christelijke strekking worden onderkend. De machten blazen zich op tot almachtige totaliteiten, maar de gelovige ziet hen in hun werkeiijke proporties: stukken geschapen werkelijkheid.

De Nazi’s spraken van Volkstum, maar de Belijdende Kerk sprak van het volk en de volken. Zo spreken wij liever over de overheid dan over de Staat. Staat is een anonieme macht, de overheid bestaat uit doodgewone mensen. Waar Christus erkend wordt, schrompelt de Mammon ineen tot financiën.

Agressie tegenover de machten is niet nodig. Het bestaan van de gemeente zelf is de hoogste agressie.

Voor ons politieke en sociale handelen is dit een vruchtbare probleemstelling. De gemeente van Christus moet in haar leven en samenleven demonstreren, hoe een mens, bevrijd van deze machten, kan leven. Mam-, mon wordt ontmaskerd, wanneer wij als christenen vrij van Mammon leven en gelukkig zijn. Wij weerspreken het nationalisme, wanneer wij in eigen kring geen grenzen tussen de volken erkennen. Wij weerstaan het sociale onrecht, wanneer in ons samenleven gerechtigheid en barmhartigheid regeren en de sociale scheidingen hun macht verloren hebben.

De grote vraag, die m.i. gesteld moet worden dr Berkhof stelt haar, maar m.i. niet nadrukkelijk genoeg is, of deze gemeente van Christus er is.

Men zou toch minstens moeten vragen, of de kerk van West-Europa er aanspraak op mag maken, deze gemeente van Christus te zijn.

Wanneer deze vraag niet zonder meer bevestigend beantwoord kan worden, is er alle reden om te zeggen, dat wij in de kerk zelf deze machten te lijf zullen moeten gaan. Dan is niet enkel een defensief nodig. Dan is ook een offensief nodig.

Defensief zou voldoende zijn, als dr Berkhof gelijk heeft, wanneer hij zegt, dat het onze roeping is, ons de machten van het lijf te houden. Ja, maar als de kerk zelf voor een groot deel aan de machten vervallen is, gaat het er niet meer om, ons deze machten van het lijf te houden, maar ons van hen te bevrijden. Mammon en Mars, Volkstum en Staat hebben al zoveel macht gekregen over en in de kerk, dat het om veel meer gaat dan om die machten ons van het lijf te houden.

Dat blijkt wel heel duidelijk uit wat dr Berkhof schrijft op blz. 48: „Waar het overwinnende koningschap van Christus wordt beleden, heerst een principieel ongeloof ten aanzien van de vruchtbaarheid van militaire macht en acties, en zal de nationale en internationale bewapening hoogstens als een bittere plicht van verantwoordelijk burgerschap worden aanvaard”.

Ik vind dit een bedenkelijk zinnetje, daarom bedenkelijk, omdat het demonstreert, dat zelfs een man als dr Berkhof, die onze situatie zo scherp onderkent, zich de machten niet van het lijf houdt.

Als het waar is, dat, waar het koningschap van Christus beleden wordt, een principieel ongeloof heerst ten aanzien van de vruchtbaarheid van miiitaire macht en acties, dan had dr Berkhof, ons kerkendom en ons christendom kennende, toch minstens wel mogen zeggen, dat onder ons het koningschap van Christus blijkbaar niet wordt beleden.

Van dat principieel ongeloof ten aanzien van de vruchtbaarheid van bewapening en oorlog merk ik onder de christenheid van West-Europa weinig. Is dr Berkhof het niet

met mij eens, dat dit principiële ongeloof veel sterker is in India onder invloed van het werk en het getuigenis van Gandhi dan in West-Europa onder invloed van het werk en het getuigenis van Jezus Christus? Het is uitermate pijnlijk, dit te moeten constateren, maar dat mag er ons niet van terughouden, het inderdaad te constateren.

Er is bij de christenheid van West-Europa geen sprake van dit principiële ongeloof. Integendeel, zij gelooft principieel en practisch in de vruchtbaarheid van bewapening en oorlog.

Gesteld, dat het geloof van deze christenheid in Jezus Christus wel dit ongeloof tot keerzij had, hoe kan het dan de bewapening als een bittere plicht van verantwoordelijk burgerschap aanvaarden? Hoe is dat mogelijk, als men principieel niet gelooft in de vruchtbaarheid van bewapening en oorlog?

Redeneert dr Berkhof hier niet al te veel vanuit de werkelijkheid van een christelijke kerk die al met Uchaam en ziel aan de machten vervallen is?

Weet hij dan niet, dat in alle bewapening en oorlogstoerusting, hoe minimaal ook tegenwoordig is er van minimaal geen sprake al iets schuilt van de daemonie der machten?

Mijn bezwaar is niet tegen zijn probleemstelling gericht.

Mijn bezwaar is, dat hij zelf met zijn probleemsteliing niet voor honderd procent ernst maakt. Had hij dat wel gedaan, dan zou zijn geschrift een grote verontrusting in onze kerken verwekken. Dat zou heilzaam zijn geweest.

Ik vrees echter, dat het geen verontrusting zal wekken, omdat de feitelijke kerk al te gemakkelijk zich zelf zal suggereren, de gemeente van Christus te zijn, die het koningschap van Christus belijdt, en dus met het defensief kan volstaan. Wij behoeven ons alleen maar de machten van het lijf te houden en wij denken, dat wij het doen, en zien niet, dat wij in alle mogelijke verhoudingen lijfelijk en naar de ziel, aan de machten vervallen zijn.

Ik vrees, dat dit boekje, dat een bazuinstoot had kunnen zijn, alom geprezen zal worden, omdat het zelf niet in de situatie van het heden de verontrustende conclusies trekt, die het overeenkomstig zijn juiste probleemstelling had kunnen en moeten trekken.

‘ Ik vrees, dat ook dit boekje, evenals dr Berkhofs „Crisis der Midden-orthodoxie”, meer conserverend en repristinerend dan reformerend en bekerend zal werken.

Dat betreur ik, omdat dit zeker niet de bedoeling van de schrijver is, evenmin als dit zijn bedoeling was, toen hij zijn „Crisis der Midden-orthodoxie” schreef. Men kan echter niet zeggen, dat hij zelf geen schuld heeft aan dit misverstand. Aan. de geweldige kosmische perspectieven, die hij de apostel Paulus laat openen, was hij verplicht geweest, open en eerlijk te zeggen, dat de kerk van West-Europa maar bitter weinig te maken heeft met de gemeente van Christus, die uit deze kosmische perspectieven leeft.

Het leven van onze kerken is veel te veel verweven met dat van Staat en Volkstum ik zeg opzettelijk niet: overheid en volk dan dat zij die gemeente van Christus zou kunnen zijn.

J. J. BUSKES Jr.

Samen op weg

H. J. WILZEN en dr A. VAN BIEMEN Vijftig jaar ontmoeting tussen Christendom en Socialisme in De blijde wereld

en Tijd en Taak. Ingeleid door prof. dr W. BANNING Geïllustreerd met foto’s, tekeningen en facsimile’s. Uitgave N.V. „De Arbeiderspers”, A’dam 1953

Het is verschenen! Het telt 190 blz. Het is een mooi boek. Het ligt prettig in de hand. En als ge er aan begint, laat het

u niet meer los. * „Ja, zo was het” beamen de ouderen. „Was het zo?” zeggen de jongeren. Dit moet gelezen!

Waarom bestelt ge het niet vandaag? Ge voelt u immers gedrongen dit boek te lezen!