is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 17, 25-04-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De besteding van het inkomen

Het begrip inkomen is veelzijdig. Naast het geldinkomen kan men onderscheiden een goedereninkomen (reëel inkomen) en een psychisch inkomen. Het geldinkomen is datgene, wat men bruto verdient in geld. De grootte van het geldinkomen zegt op zich zelf niet zoveel. Men moet eerst weten wat men met dit geldinkomen kan kopen. Als alle prijzen van consumptie-artikelen 10 X zo hoog geworden zijn, dan hebben wij aan een verdubbeling van ons geldinkomen maar weinig. Ons goedereninkomen is dan nog maar één vijfde van wat het eerst was.

Bij het psychisch inkomen denken wij aan de voldoening, die iemand heeft van zijn arbeid. Het psychische inkomen kan groot zijn bij een klein geld- en goedereninkomen, het kan klein zijn bij een groot geld- en goedereninkomen. Overigens is het vrij normaal, dat een groter wordend geldof goedereninkomen ook een grotere voldoening geeft en dus een groter psychisch inkomen.

De doorsnee-loontrekker heeft sinds 1938 zijn goedereninkomen zien dalen. Voor de één is dat meer dan voor de ander. De inkomens beneden de ƒ3.000,— per jaar (ƒ 60,— in de week) schieten enkele procenten te kort vergeleken bij vroeger. De inkomens van de hogere inkomenstrekkers meer, al dient men zich te realiseren, dat bij de hogere inkomens een zekere mate van luxe de stoot kan opvangen: men wordt niet aangetast in zijn noodzakelijke levensbehoeften, hetgeen wel het geval is bij de lagere inkomens.

Gezien de spanning tussen jonen en prijzen, die zeker in de eerstkomende tijd nog niet minder zal worden, is het goed stii te staan bij een doelmatige inkomensbesteding. Nu rijst onmiddellijk de vraag, wat doelmatig is. De één houdt er geheel andere levensgewoonten op na dan de ander. De niet-roker begrijpt er niets van, dat de roker van zijn schamele weekloon één of twee gulden neemt om voor rookartikelen te besteden. De man, die er van houdt een beetje te dutten bij de kachel snapt niet, dat een ander betrekkelijk veel besteedt aan boeken en andere leQjiuur. Wat is normaal in dit opzicht.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft veel cijfers daarover verzameld van veel gezinnen met verschillende inkomensklassen. Op grond daarvan kan men tot een zeker gemiddelde komen. Nu is het erg gevaarlijk om te zeggen, dat dit gemiddelde de juiste besteding van het inkomen weergeeft. Men kan het alleen verkeerd doen en dan is het gemiddelde ook verkeerd. Vandaar dat naast deze cijfers ook onderzoekingen plaats vinden hoe een inkomen zo goed mogelijk besteed moet worden, waarbij men rekening houdt met de moderne inzichten over voeding, kleding, huisinrichting, maatschappelijke verplichtingen. Daaruit kan men een zgn. normatief budget opstellen, dat de individuele gezinnen als voorbeeld ter navolging in het oog kunnen houden.

Eén van de eerste voorwaarden, die vervuld moeten worden, Is het bijhouden van een gezinsboekhouding. Maar al te veel ge-

zinnen maken telkens de opmerking; „Ik weet niet waar het geld blijft”. Zij weten dat niet, omdat zij niet de moeite nemen nauwkeurig op te schrijven waar zij het geld aan besteden. Het zou nuttig zijn, als reeds op de lagere school aan de kinderen, vooral de meisj es, geleerd werd hoe ze zulk een boekhouding moeten opzetten. Men moet aan het eind van de week in één oogopslag kunnen zien waar het geld gebleven is. Hoeveel het brood heeft gekost, hoeveel de melk, hoeveel het vlees. Slechts dan valt een begroting te maken voor de volgende week, waarin men bijv. in plaats van wit brood bruin brood gaat eten om het mogelijk te maken de kinderen te helpen aan driekwart liter melk per dag. Pas dan wordt het mogelijk vergelijkingen te treffen met het normatieve budget.

Het tweede wat nodig is, is het opstellen van een gezinsbegroting. De voornaamste posten moeten opgesomd worden: voeding, huur, kleding, schoeisel, huisraad, verwarming, ontspanning, vacantie, roken, snoepen, ontwikkeling. (De volgorde is willekeurig!). Daarbij moet ook een post voor onvoorziene uitgaven opgenomen worden. Komen deze onvoorziene uitgaven niet, dan kan dit bedrag gespaard worden voor toekomstige onvoorziene uitgaven. Men zegge niet, dat men geld te kort komt; natuurlijk komt vrijwel een ieder geld te kort, als hij zijn behoeften nagaat. Het gaat er echter om te roeien met de riemen die men heeft. Elke geërgerdheid bij deze boekhoudkundige zaken geeft slechts blijk van struisvogelpolitiek. De aardmannetjes zuiveren het tekort niet aan. Heeft men de globale begroting eenmaal, dan gaat het er om zich daaraan te houden en door middel van een zorgvuldige keuze die artikelen te kopen, die het mogelijk maken binnen de begroting te blijven. Daarbij is het goed op het gebied der voeding die artikelen te kopen, die voor de gezondheid onontbeerlijk zijn en die aankopen na te laten, die overbodig zijn. Het kan goed zijn, dat de man het roken en de kinderen het snoepen beperken, als ten gevolge van te grote bestedingen aan roken en snoepen het gewone levensonderhoud te kort schiet. In ons land wordt na de oorlog op schandelijke wijze gerookt en gesnoept ook door hen, die feitelijk het geld daarvoor niet kunnen opbrengen. De man realisere zich, dat één gulden in de week minder kan betekenen het huren van een zomerhuisje voor een week, waardoor zijn hele gezin nieuwe krachten kan opdoen. Het laten snoepen van de kinderen (de snoepautomaten hebben het tegenwoordig druk en heei veel peuters versnoepen elke dag een paar

centen) zorgt ervoor, dat niet allen de besteding van het schaarse inkomen niet deugt, maar ook dat de gebitten der kinderen schade ondervinden en dat zij van jongsaf vertrouwd raken met verkwisting. Het gunnen van dat „ene loiletje” is een zwak argument, omdat men meestal, daardoor noodzakelijke dingen aan de kinderen onthoudt. Men kan beter een kind nooit laten snoepen en het leren te genieten van een goed boek, van een jaar langer op school, van een lidmaatschap van een jeugdbeweging.

Dan vermijde men het kopen op afbetaling. Het is heel gebruikelijk, dat men aan rente en onkosten, in totaal genomen, zoveel betaalt, dat het artikel 25 pet duurder kost. Bovendien verleiden de gemakkelijke betaiingsvoorwaarden tot het kopen van veel te dure en luxe-artikelen. Het komt voor, dat radiotoestellen van te dure aard (distributie is veel voordeliger!) en zelfs televisietoestellen gekocht worden door hen, die er niet in slagen de touwtjes aan elkaar te knopen. Zeker: in enkele uitzonderlijke gevallen kan koop op afbetaling nuttige diensten bewijzen, bijv. voor een verloofd

Ter zake ■k -k *

De kunstenaarsconferentie van de P.v.d.A. (zie T. en T. van 18 IV) werd opgeluisterd door de schilderachtige figuur van Jacques Gans. Hij amuseerde de vergadering door te eisen, dat ministers en burgemeesters kunstenaars moesten zijn en door te klagen over het onderwijs. De kunstzinnige aanleg van het kind moest bevorderd (hoe?) worden, en het dubbel-boekhouden moest worden af geschaft! Nadat hij een vriéndelijk applausje geïncasseerd had, is hij opgestapt. De vergadering ging door zonder Jacques Gans. |

en aniifc’ brengt Jacques Gans verslag uit in de Haagse Post, waarvan hij vaste medewerker is met een eigen rubriek onder de veelzeggende, hoewel taalkundigbetwistbare titel: „Nonchalante notities”. Me dunkt: de redactie van de H. F. beleeft plezier aan haar medewerkers en de lezeW zullen wel gegnuifd hebben bij zijn dolle aanval op de Partij van de Arbeid. Boeiend om te zien hoe deze man, die zo graag zijn individualisme en protest tegen de burgerlijke opvattingen luidruchtig proclameert, bij de H. P. in de pas loopt. De P.v.d.A. tl „vastgelopen in haar hobby van planning”, aldus Jacques Gans, en het klinkt volmaakt unisono met de stem van de hoofdredacteur.

Er is al heel wat geschreven over het feit, dat vroegere kunstenaars opdrachten kregen van een of andere rijke Maecenas en

over de vraag wie nu de kunstenaar moet betalen. Jacques Gans komt met de zeer originele visie, dat het verdwijnen van het Maecenatendom toe te schrijven is aan de heer Lieftinek! I

I „Het moge zijn, dat de P.v.d.A. voor arbeiders en ouden van dagen in den lande als een vooruitstrevende partij geldt, voor de kunst en de kunstenaars heeft zij de rol van de zwartste reactie vervuld.” Het staat er in heel de glorie van zijn armetierige domheid. En dat alles, omdat „de liberale broodheer” „door de heer Lieftinek vakkundig is afgeslacht.” Jacques Gans mag nog van geluk spreken, dat de H.P., laatste bolwerk van zijn broodheren, hem in dienst genomen heeft. Nu, hij doet zijn best! |

[ Ik kan me voorstellen, dat men bezwaren heeft tegen actieve cultuurpolitiek; ik kan me ook voorstellen, dat men principieel Thorbecke’s woord herhaalt, dat kunst geen staatszaak is; tenslotte, ik kan me voorstellen, dat men „nonchalante notities” over alles en nog wat schrijft. Maar wat ik onsportief en unfair vind, is, dat een man, die er mee coquetteert, dat hij van politiek geen benul heeft, en dat het lot van zijn medemensen hem maar matig interesseert, ineens zijn dolle Improvisaties ten beste geeft en misbruik maakt van zijn verbaal vermogen om een ernstige zaak bespotteiijk te maken in een kring, waar hij van het succes tevoren verzekerd is. |

Het is een fout geweest, dat de oongresleiders niet geprobeerd hebben hem te beantwoorden en dachten, dat hij maar wat grapjes lanceerde. Deze grapjas wil ernstid genomen worden. Doet men dat niet, dan zint hij op wraak. KORZELIGE KES