is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 18, 02-05-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wil Amerika vrede?

Er zijn de laatste tijd tal van stemmen opgegaan om te waarschuwen tegen de weinig vredelievende houding der Amerikanen. Er is nu misschien een kans op beëindiging van de koude oorlog, zo zeggen zij, maar die kans bestaat alleen als de Amerikanen niet alleen maar eisen stellen, maar tegelijkertijd concessies willen doen. Als Eisenhower verlangt, dat er een algehele vrede komt in Oost-Azië, alsmede een regeling voor Oostenrijk, voor Duitsland en vrijheid voor de Oosteuropese landen, dan zal hij daartegenover bereidheid moeten tonen om communistisch China te erkennen, Tsjang Kai Tsjek geen steun meer te geven, en om de Amerikaanse troepen uit West- en Zuid-Europa terug te trekken. Dit is een alleszins billijk verlangen, dat o.a. in Engeland beleefd doch dringend naar voren is gebracht.

Anderen gaan nog verder, en zeggen, dat Amerika zich geen vrede kan veroorloven. Immers, zo is de redenering, de Amerikaanse economie is zo zeer afhankelijk van de bewapeningsuitgaven, dat stopzetting daarvan vrijwel onmiddellijk een economische ineenstorting met zich brengen zal.

Deze vraag is belangrijk, vooral met het oog op de houding die West-Europa er tegenover moet innemen. Immers, als Amerika inderdaad om die reden geen echte vrede zou willen, zou van een verder samengaan geen sprake kunnen zijn.

Stellig heeft Eisenhower met de mogelijkheid van deze economische moeilijkheden rekening gehouden, toen hij voorstelde een belangrijk deel der eventueel vrijkomende bewapeningsgelden te willen

besteden aan steun aan de onontwikkelde volken. Een combinatie van Marshallplan en Punt Vier politiek, waaraan de wereld inderdaad dringend behoefte heeft.

Maar hoe is het nu met die Amerikaanse economie? Professor Arnold A. Rogow van de Universiteit van lowa beantwoordde deze vraag, na de betekenis der defensieorders nauwkeurig te hebben nagegaan voor de grote auto-industrieën als volgt:

„Alle tekenen wekken de indruk, dat met een grote terugslag ernstig rekening moet worden gehouden tenzij er in de eerstkomende jaren een enorme expansie plaats vindt boven de huidige defensie-uitgaven of regeringsuitgaven gedaan worden, die niet voor defensie dienen. Kortom, de keuze schijnt te liggen tussen een oorlogsstaat en een welvaartsstaat. Moskou zal natuurlijk de beslissing beïnvloeden, maar ten slotte zal de keuze in Washington gemaakt worden, gegeven het uitblijven van Sowjetagressie.

Een „New Deal” onder republikeins bestuur is niet onmogelijk, maar evenmin gestadig toenemende bewapeningsuitgaven. Er zijn tenslotte meer republikeinen in het Congres, die de Koreaanse oorlog willen uitbreiden dan republikeinen die een nieuwe New Deal wensen.” (Manchester Guardian).

Vorige week wezen wij op de tegenspraak die er bestaat tussen de houding van Eisenhower en die van Dulles. Deze indruk is bevestigd door hetgeen Dulles na de besprekingen te Parijs tussen de landen van

het Atlantisch Pact heeft gezegd. De feiten waren niet nieuw. Hij stapelt de ene eis op de andere. De toon echter gaf blijk van een nog grotere geprikkeldheid. In tegenstelling tot Eisenhower (of die van Churchill) blijkt uit de toon van Dulles geen enkele geneigdheid om tot werkelijk overleg met de Russen te komen. Dit is bijzonder zorgelijk, ook voor het geval Dulles het bij het rechte eind zou hebben, en zou blijken dat de Russen inderdaad in werkelijkheid geen vrede wensen, maar slechts verwarring proberen te zaaien bij de Westeiijke landen. De vraag van oorlog of vrede is ten slotte zo uiterst belangrijk, dat elke kans op vrede ten volle en royaal behoort te worden onderzocht.

Teleurstellend was, dat alleen Poster Dulles na de Atlantische besprekingen commentaar heeft gegeven. Juist nu was een verdere commentaar van anderen, zoals Engeland (en waarom eigenlijk niet Nederland?) broodnodig geweest. Misschien zou daarmee het deplorabele gevoel van onwil ten aanzien van de toenadering iets zijn weggenomen.

Met belangstelling is dan ook het wachten op een nieuw initiatief van Churchill, de jongste Ridder van de Kouseband. Ondanks al zijn tegenwoordige bescheidenheid, welke bleek uit zijn uitspraak in het Lagerhuis, dat hij niet de macht bezat om de loop der dingen in deze wereld te bepalen, zou hij steUig meer kunnen doen dan een hoopvolle interpretatie te geven van Eisenhowers nog steeds weinig concrete uitlatingen.

Of moeten wij wachten tot de ideeënstrijd tussen Dulles en Eisenhower is beslecht? Een gevaarlijk oponthoud zou dat kunnen zijn, te meer daar daarmede de binnenlandse politieke strijd In de Verenigde Staten is gemoeid. H. VAN VEEN

Ter zake

Dat op het congres van het Humanistisch Verbond gepleit werd voor de erkenning van het humanisme als gelijkwaardige geestelijke stroming in Nederland, ik kan er in komen; dat men zich beklaagt over de soms unfaire bestrijding van christelijke, vooral van rooms-katholieke zijde, begrijp ik ook. Lijnrecht daar tegenover horen we dan van „deze zekerheid: dat de humanist ten volle bereid is de opvattingen van de christen te respecteren” (zie Het Parool en de N.R.C. 20 IV). Ik neem daar graag kennis van; geloof ook, dat dit het beginsel van het humanisme is, maar ik moet toch nuchter constateren, dat het niet zo is, dat in ons land christenen al maar bezig zijn humanisten te krenken, terwijl die brave humanisten de christenen steeds maar respecteren in hun opvattingen. Kortom, het gaat niet aan, van de ene groep de vaak inferieure praktijk, van de andere groep het smetteloos beginsel tegenover elkaar te stellen.

Ik vrees dat aan dr Van Praag, de welsprekende pleitbezorger van het Humanistisch Verbond de tekst van Jacobus ontgaan is: „Want wij struikelen allen (christenen én humanisten) in velerlei opzicht; wie in zijn spreken niet struikelt is een volmaakt man.” (Jac. 3:2).

Men zou een aardige bloemlezing kunnen samenstellen uit Multatuli en schrijvers, die na hem komen tot A. M. de Jong, Ter Braak, Vestdijk en verder, waarin regelmatig terugkomt een voorstelling van christelijke ambtsdragers die er toe geleid heeft,

dat bij vele, door humanistische schrijvers opgevoede mensen, pastoors en dominees schertsfiguren zijn geworden en gelovige christenen domme naïevelingen of schijnheilige huichelaars.

Uit de laatste tijd herinner ik me een uiting van Vestdijk in de polemiek rondom zijn boek „De toekomst der religie”, waarin met evenzoveel woorden gesteld werd, dat theologen per difinitie onwaarachtig zijn. Ik herinner me de laatdimkendheid, waarmee prof. Pos zich onlangs in De Nieuwe Stem over het christelijke denken uitliet. In het laatste nummer van „Libertinage” schreef J. de Kadt een dialoog, waarin zijn eigen opvattingen vertegenwoordigd werden door een zekere N. Van deze N. nu wordt verteld, dat hij geen sympathie heeft „voor godsdiensten en gangsters”. Men zal wel vsdllen toegeven, dat deze nevenstelling grof beledigend is. In hetzelfde nummer schrijft H. A. Gomperts over de kunstpolitiek van de P.v.d.A. waar hij tegen is en hij zegt terloops: „Wij hebben echter onze moderne verscheurde dominees in de P.v.d.A., die in de verwarring van hun geesten de mening propageren, dat kimst geen luxe is, maar levensbehoefte”. Daar wordt weer een troep dominees op de asvaalt der bespottelijkheid gegooid met in hun midden prof. v. d. Leeuw, van wie de door Gomperts aangehaalde mening is.

Conclusie: respect voor andermans overtuiging is een moeilijk ding, zowel voor christen als voor humanist. „Wij struikelen allen in velerlei opzicht”. Het ware te mooi geweest, als dr Van Praag dit bijbels citaat in zijn betoog ingevlochten had. KORZELIGE KES

RENÉ CLAIR:

„Les Belles de Nuit”

– . wpriroiiitvioi de film vloeien droom f,, i?a nieuwe Nené Clair hiervan een goed ? , ~Les Belles de Nuit” ® andse titel „Nachtschonen” is nge u ige greep is het verhaal van fjonge Philippe, „ . »Funfan la Tulipe”) in een ans provinciestadje, die zich niet thuis deze lawaaierige, technische tijd. oud heertje vertelt hem van zijn jeugd, mstreeks 1900, toen was de wereld anders ® in zijn droom beleeft gelukkige dagen van weldringt zelfs steeds verder in het verleden door, want in ieder tijdperk keert oude heertje in andere gedaante terug hem te vertellen, dat het vroeger nóg oeter was. Wij zien hem in de dagen van Louis Philippe als jeugdig officier, die bij verovering van Algerije hartstochtelijk verliefd raakt op een Moorse schone. Wij zien hem als vurig revolutionnair de toorn oude aristocraat trotseren en diens dochter schaken. Hij raakt zelfs in gevecht drie musketiers en ten slotte raast jeep door de oudheid om dan door alle tijdperken van de geschiedenis weer naar het onromantische heden terug te keren.

verbluffend eemak sneelt rinir gpei met de tijd, ook vroeger in zijn Hollywoodse periode, reeds beoefend