is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 19, 09-05-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemeenschap. Enerzijds de nood, die mensen samendrijft, anderzijds de krachten, die in het geloof openbaar worden en hen staande houden. De nood schijnt altijd weer de geboorteschoot voor de ware gemeente te moeten zijn en voorwaarde om in te gaan in het Koninkrijk. Het is even tragisch als curieus, dat Gollwitzer vertelt, dat het minderen van de nood en het groeien van het uitzicht op redding parallel ging met het slinken van de kampgemeente! Hebben wij in de naoorlogse tijd niet hetzelfde beleefd?

Anderzijds worden de krachten van het Koninkrijk dieper verstaan en gretiger aanvaard naarmate de nood groter is. Alleen waar de gemeente waarlijk geloofsgemeenschap is, ziet en ervaart zij die nood. Vanuit die geloofsgemeenschap, wier oog geopend is voor het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid moet nog altijd bezielende kracht voor het socialisme als maatschappelijk ideaal uitgaan. En was ’t niet de Koning zelf van dit Rijk, die ons de weg wees tot de menigte door de ontferming, waarmee Hij over de schare bewogen was?

Empirisch zien wij gemeente en socialistische gemeenschap en menigte, zonder hoop en zonder uitzicht, ongeordend naast elkaar en ver verwijderd van elkaar. Maar de speurzin van het geloof blijft naar wegen zoeken, die mede door bemiddeling van het socialisme als gemeenschapvormende kracht de menigte tracht terug te voeren tot een gemeente, die uitziet naar het Koninkrijk.

M. V. d. V.

LEESTAFELNIEUWS

Teixeira de Pascoaes. Napoleon. Spiegel van de Antichrist. Uit het Portugees vertaald door A. V. Thelen en Gerard Diels. J. H. Meulenhoff. Amsterdam. ƒ 9,75.

Reeds eerder werd in Nederland door de prachtige vertalingen van Thelen en Marsman op de Portugese dichter en schrijver Teixeira de Pascoaes de aandacht gevestigd. Aanvankelijk verwierf hij bekendheid als dichter van nogal duistere verzen („Maranos” en „Regresso ao Paraiso”) en door de stichting van de school Saudosismo, waarvan het de Portugezen eigen nostalgische levensgevoel de grondslag vormde.

El- is over Teixeira de Pascoaes in Nederland weinig bekend; des te opmerkelijker is het feit, dat er van hem drie vrij omvangrijke werken in het Nederlands zijn vertaald. De twee eerste, „Paulus, de dichter Gods” en „Hieronymus, de dichter der Vriendschap” werden door Thelen en Marsman uitnemend vertaald. Marsman werd door Diels vervangen; het nieuwe tweetal slaagde er in op even voortreffelijke wijze „Napoleon. Spiegel van de Antichrist” in een rijk, schoon en krachtig-beeldend Nederlands voor ons leesbaar te maken. Men leest dit boek niet in enen uit. Telkens legt men het neer om op adem te komen, telkens weer neemt men het op om meegenomen te worden in de vurige vaart van het verhaal en gepepen te worden door de visionnaire kracht, waaruit dit boek is geschapen. Het is een boek vol vermetele gedachtensprongen, vol gigantische verbeeldingen. De schrijver kan de levensloop van Napoleon niet op de voet volgen; steeds weer moet hl) zich verheffen boven de loop der gebeurtenissen om het ogenblik te verbinden met het verleden en de toekomst; hij betrekt elke ervaring van Napoleon in het pote verband der geschiedenis van deze tijd en ook in de geweldige antithese Christus Antichrist. Het boek is geschreven als in vervoering; de stijl is fascinerend, soms betoverend. Het ene beeld schept het andere, het wordt in dit boek hier en daar een vuurwerk van geniale gedachten, het verhaal gaat er onder schuil. Het griUig gebruik van grootse metaforen doet denken aan de barokkunst; ook de ondergrond van zwaarmoedige ernst voert onze gedachten naar de melancholie der barok van het Pyreneese schiereiland. Want ook m dit boek van deze schrijver spreekt zich uit het Lusitaanse levensgevoel, dat onbegrijpelijk, achter aUe gevoelens aanwezige heimwee, dat aangeduid wordt met de naam ,saudade”. Eenmaal gebruikt de schrijver dit woord, als hy beschrijft, hoe hij onder de weemoedige be-

koring komt van de oude gravures, die allerlei episoden uit Napoleons leven weergeven (pag. 265).

Het is de grootheid van dit boek, dat ons te midden van de geweldige bewogenheid van deze Napoleontische tijd het uitzicht op de eeuwige achtergrond der dingen altijd opnieuw wordt geboden, gezien door de ogen van een universeel mens en een extatisch dichter. Het is een m.agistraal en machtig werk, zó indrukwekkend tussen al wat gedrukt verschijnt, dat men over enkele tekortkomingen liever zwijgt.

Kwee Swan Liat. Ontmoeting tussen Oost en West. Met een inleiding van dr J. P. van Praag. N. Kluwer. Deventer. 1952.

Droevig is in het Westen de kennis van het Oosten. Al liggen grote standaardwerken over het Oosten in onze bibliotheken voor het grbpen, al hebben tal van zoekers zich met gretigheid geworpen op de studie van Oosterse godsdiensten en filosofieën, en de resultaten in populaire uitgaven gepubliceerd, al hebben vele Oosterlingen het Westen bereisd en beleerd, al heeft het Oosten het Westen aanwijsbaar, maar ook langs onnaspeiurlijke wegen bevrucht in alle arbeid op het gebied van kunst en literatuur, al heeft door de kennis van Oosterse talen de vergelijkende taalwetenschap zich ontzaglijk kunnen verbreden en verdiepen, toch stuiten we bijna dagelijks op een ontstellend tekort aan begrip aangaande Oosterse levensbeschouwing en psychische instelling. Zie onze geschiedenisboeken, hoe pover is de stof over de eeuwenoude Oosterse beschavingen. Meer dan in welk tijdsgewricht ook behoort de Westerse mens begrip te krijgen van het relatieve van de Westerse gedachtenwereld.

Daarom juichen we het verschijnen van bovengenoemd werkje van de heer Kwee toe. Contact van schrijver met wat men tegenwoordig zo ongeveer door de term humanisme wil uitdrukken, treedt hier en daar duidelijk aan het licht, maar is nergens voor niet-humanisten hinderlijk. Integendeel, men zal zich verblijden met het fijn gevoel en het universeel begrijpen van deze jonge mens, zoals die tot uiting komen in het eerste deel van het boek: „De Achtergronden der Ontmoeting”, in het tweede gedeelte: „Oosterse Levenswijsbegeerte” beperkt de schrijver zich tot India en China. De beschouwingen bepalen zich tot een algemene overdenking van levenswijsgerige vragen zonder zich te veel in doctrinaire finesses te verdiepen. Ze zijn bedoeld als stimulans tot eigen verkenningen en tot verdere kennismaking. Hiervoor dient ook de geselecteerde bibliographie, die aan het eind is toegevoegd. Aan de orde komen de voornaamste houdingen, die de mens tegenover het leven kan innemen: de magischsacrale, de humanistische, de actief-organisatorische, de bespiegelende, de religieuze, de romantische en de sociale levenshouding. Ik kan dit sympathieke werkje met warmte aanbevelen.

Egbert J. Tobi: Speculant onder Napoleon. A. J. G. Strengholts Uitgeversmaatschappij N.V., Amsterdam, ƒ 6,90.

Dit boek geeft het wisselvallige leven weer van Gabriël Jules Ouvrard, bekend door zijn grootscheepse speculaties ten tijde van Napoleon. Als groot-financier speelde hij een internationale rol; zijn gewaagde ondernemingen bezorgden hem millioenen, zijn allerminst faire praktijken meermalen gevangenschap. Hij zocht herhaaldelijk aanraking en samenwerking met Napoleon, maar deze had onmiddellijk met zijn scherpe blik op mensen in de bekwame fantast de gewetenloze speculant onderkend. Dit boek geeft beider bewogen levensloop. De historie wordt op de voet gevolgd; met anecdoctes tracht de schrijver het verhaal te verlevendigen. Als zodanig bezit het boek, in het bijzonder voor in de economische geschiedenis geinteresseerden, een aantrekkelijke kant. Maar de auteur kan geen roman schrijven; voor de gemiddelde lezer bezit het boek kraak noch smaak. Er zit geen sfeer in, een zo bewogen tijdperk als het Napoleontische vraagt meer dan nuchtere, zakelijke, gelijkvloerse schrijfwijze, het vraagt verbeelding en gloed. Men kan een kunstenaar, die een kunstwerk schept, waar historische personen in optreden, vergeven, wanneer hij ter wille van de compositie, de intrige, de spankracht historische feiten enigermate verminkt. Want zijn werk krijgt als kunstwerk zijn eigen betekenis en rechten. Maar een middelmatig schrijver, die slechts een droog relaas geeft, moet er voor waken, historische momenten in het leven van grote figuren op eigen houtje te gaan beschrijven. Ik denk aan de ontmoeting van Napoleon en Goethe. De schr. heeft zich veroorloofd de bekende ontmoetingen teErfurt en Weimar tot één enkele samen te voegen. Ik meen, dat dit niet mag. J. T.

Eve Garnett: „De familie uit de Doodloopsteeg”, vert. Annie M. G. Schmidt, uitg. Arbeiderspers, 1953, 155 blz., ƒ3,90.

Een gezellig boek voor alle leeftijden. Vader Ruggles is vuilnisman, moeder verdient mee met wassen en strijken. De zeven kinderen, met Ideeën,

hebben hun avonturen, hun vreugden en hun smarten. De doorsnee-gewone arbeider in een Engels stadje. Geen zware problemen over massa-jeugd en a-sociale handelingen. De kinderen hebben hun dromen en vader Ruggles ook. Grote, maar bescheiden dromen.

Het wordt met de lichte toets verteld, waarvan Engelsen het geheim bezitten en Annie Schmidt vertaalde het goed. De prettige illustraties maakten het boekje nog leesbaarder. L. H. R.

KORTE AANKONDIGINGEN

Het mocht u misschien ontgaan, daarom wijzen wij u er even op:

Ie Jelle Troelstra: Mijn vader Pieter Jelles, uitgave Arbeiderspers 1952. Met tekeningen, facsimile’s en foto’s, 158 blz., ƒ 4,75.

Het is een goed ding geweest dat Jelle Troelstra zijn herinneringen opgeschreven heeft. Zij vullen het beeld, dat de jonge generatie, die Troelstra niet of nauwelijks gekend heeft, zich vormen moet uit geschiedenis en gedenksclrriften, voortreffelijk aan. Weer eens duidelijk blijkt wat een boeiende en sympathieke persoonlijkheid Troelstra is geweest. De lezer van vandaag valt op, dat in die tijd, of is dat een accent van de schrijver? het leven veel romantischer ervaren werd dan tegenwoordig. De veel misbruikte term „levenskunstenaar” gaat voor Troelstra volledig op. Aanbevolen.

2e Dr F. Eender: Unesco na zes jaren, uitgave Contact, A’dam 1952, 47 blz. Een goed overzicht van de werkzaamheden en doelstellingen van de Unesco biedt dit boekje. Het is een verdienstelijk vervolg op het bekende boekje van Idenburg over ditzelfde onderwerp en het ademt dezelfde nuchtercritische, toch enthousiaste geest, die m.i. de Unesco verdient. Aanbevolen.

3e Prof. dr J. H. van den Berg: Psychologie van het ziekbed, uitgave Callenbach, Nijkerk 1952, 47 blz., ƒ1,90.

Het gaat over ziek-zijn en over ziekenbezoek en over de dokter. Toen ik er aan begon en nadacht over de titel, besloot ik: Dit boekje zal goed zijn, als er niets nieuws in staat en het is best, wanneer het bekende verhelderd wordt. Dit boekje is best en ik las het met diepe instemming. Het is zo verhelderend, dat het hier en daar toch nieuw lijkt en voor de vakmensen: het is een terloops bewijs van de waarde der phenomenologische benadering van dit soort vraagstukken. Schrik niet: on enkele geleerde woorden na is dit boekje voor iedere rustige lezer toegankelijk en daarom: krachtig aanbevolen.

4e Drie inaugurale redevoeringen ontving de redactie:

Dr J. C. Hoekendijk: Getemperd ongeduld, uitgave Callenbach, Nijkerk 1953, 19 blz., f 1,25. Een theoretische bespiegeling over het zendingskarakter der kerk. De titel slaat op die houding van geduld en die door de komst van het Godsrijk geïnspireerd wordt.

Dr J. H. Dubbink: Enige beschouwingen over de Russische Wijsbegeerte, uitgave Van Gorcum, Assen 1952, 16 blz., ƒ 1,25. De rede handelt speciaal over de tweede helft der 19e eeuw.

Dr Sj. Groenman: Sociale Aanpassing, Van Gorctun, Assen 1952, 20 blz., ƒ 1,25. Van deze rede verscheen ondertussen een tweede druk. De spreker ziet de aanpassing als het centrale verschijnsel in de sociologie, geeft dan drie voorbeelden, onderzoekt het nut van zijn studievak op de verschillende niveau’s van het maatschappelijk beleid.

5e Filosofie en geloof, uitgave Ned. gesprekcentrum bij uitgeverij Van Stockum, Den Haag 1953, 44 blz., ƒ1,50.

Over dit thema bleek een gezamenlijk rapport onmogelijk. We kregen dus drie referaten, het eerste van de r.k. theoloog A. J. Peters over Rede en geloof; het tweede van de prot. theoloog Th. L. Haitjema over geloof en existentie; het derde van de humanistische denker J. P. van Praag over Geloof en zedelijkheid. Maar deze drie referaten werden weer onderbroken door critische, marginale opmerkingen van de andere deelnemers. Het boekje is boeiend als een voetbalmatch, maar het moet op outsiders een deprimerende indruk maken. ledere lezer zal zijn partij wel de overwinning zien behalen. Naar mijn smaak heeft het Gesprekcentrum hier boven zijn kracht gegrepen. Maar zoals het boekje er ligt, is het boek wel interessant, al was het maar als tijdsdocument en omdat het tot denken aanspoort. Red. secr.

De oude jaargangen van Tijd en Taak en Bar■chem-bladen, in ons blad aangeboden, hebben hun bestemming gevonden.

Druk N.V. De Arbeiderspers .Amsterdam