is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 27, 04-07-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Burgerlijke en kerkelijke gemeente

Welke consequenties voortvloeien uit de opvatting, dat een predikant, wanneer hij optreedt voor een bepaalde politieke partij, dat doen moet uit hoofde van zijn ambt, dat wil dus zeggen; als predikant en dienaar des Woords, moge blijken uit wat collega De Wijs in zijn artikel „Predikant en Politiek” („Doorbraak” Juni 1953) zegt over het optreden van een predikant in en voor de Partij van de Arbeid.

Ik geef twee citaten:

1) „Men” bedoeld wordt: de gemeente van die predikant „zal moeten begrijpen, dat een predikant bekommerd kan zijn om de geestelijke verschraling van het socialisme en zijn taak ziet in het wijzen op de geestelijke grondslagen er van. Ook langs deze weg kan de kerk de mens van deze tijd tot God trachten te brengen. Ook dit is apostolaat”.

2) „Wel zal de predikant moeten beseffen, hoe gevoelig en gevaarlijk dit optreden is. Hij moet daarom zijn grenzen kennen. De nadruk moet bij zijn activiteit en getuigen liggen op de verbindingen, die er zijn tussen christendom en socialisme, niet op de feitelijke kant van de politiek, of op zaken van tactiek eri beleid.”

Bij elk van deze twee citaten maken wij een paar kanttekeningen.

1) Ds De Wijs geeft door zijn woorden voedsel aan het misverstand, dat bij het kerkelijk publiek zeer sterk leeft, dat de predikant, die lid van de Partij van de Arbeid is en voor de Partij optreedt, dit doet uit wat ik evangelisatie-overwegingen zou willen noemen.

Telkens o verkomt het mij, dat een gemeentelid tot mij zegt: Wij betreuren het, dat u lid van de Partij van de Arbeid bent, al kunnen wij het van u wel begrijpen, u wilt nu eenmaal waar u maar kans ziet, aan de mensen het Evangelie brengen!

Het laatste is waar. Maar het is niet waar dat ik voor de Partij van de Arbeid gekozen heb, om zo de mensen van deze tijd tot God te brengen. Ik vind het zakelijk onjuist, dat een dominee lid van de Partij wordt en voor de Partij optreedt, omdat hij daardoor gelegenheid krijgt, ook aan de socialisische arbeiders het Evangelie te prediken.

Ik ben lid van de Partij van de Arbeid geworden, omdat ik democratisch socialist ben, en ik spreek voor de Partij van de Arbeid, om de mensen in Nederland voor het democratische socialisme te winnen.

Natuurlijk spreekt het vanzelf, dat ik als democratisch socialist, die christen ben, in mijn spreken wijs op de zedelijke grondslagen van het socialisme en op de geestelijke gevaren, die het socialisme bedreigen. Het doel van mijn optreden voor de Partij is echter niet, mensen tot God te brengen.

Men versja mij goed. De socialist en de christen in mij kan ik wel onderscheiden, maar nooit scheiden. En dus zal mijn spreken voor de Partij ook een getuigen van mijn geloof zijn. Dat is niet in strijd met «het karakter van onze Partij. Integendeel. Volgens ons beginselprogram stelt de Partij er prijs op, dat ik het verband tussen mijn

politiek inzicht en mijn geloofsovertuiging duidelijk maak. Ik kan mijn christen-zijn niet op non-actief zetten. In die zin kan mijn optreden voor de Partij wel waarlijk een evangeliserende strekking hebben, zoals nu eenmaal heel het optreden van een christen, als hij waarlijk christen is, een evangeliserende strekking heeft. Dat is echter niet te danken aan het feit, dat ik uit hoofde van mijn ambt optreed, als predikant en dienaar des Woords. Dat is uitsluitend te danken aan het feit, dat ik christen ben. En het betekent in geen geval, dat ik voor de Partij optreed, om het Evangelie te verkondigen en de mensen tot God te brengen.

Ik heb het gevoel, dat wij door de dingen te zien, zoals collega De Wijs ze ziet, de verhoudingen vertroebelen en in de politiek een onzuiver element brengen. En ik wil eerlijk verklaren, dat ik, als ik geen christen was, als lid van de Partij van de Arbeid mij niet erg gelukkig zou voelen met het optreden van predikanten naar de bedoeling van ds De Wijs.

2) Natuurlijk moet een predikant zijn grenzen kennen. Dat hij daarom bij zijn optreden nadruk legt op de verbindingen, die er tussen christendom en socialisme zijn, vind ik juist. Maar dat hij geen nadruk legt op de feitelijke kant van de politiek of op zaken van beleid, acht ik zeer bepaald onjuist.

Het is immers volstrekt niet vanzelfsprekend, dat iemand, die de verbindingen tussen christendom en socialisme kent en erkent, zijn stem aan de Partij van de Arbeid geeft. Er zijn christenen, die voor het socialisme kiezen, maar van de Partij van de Arbeid niets moeten hebben. Er zijn ook christenen, die enkele jaren geleden lid werden, maar weer bedankten vanwege de feitelijke politiek en het zakelijke beleid van de Partij. Wanneer ik voor de Partij propaganda maak, zal ik wel degelijk over die feitelijke politiek en dat zakelijke beleid moeten spreken. Ik kies immers niet voor het democratische socialisme in het algemeen, maar zeer bepaald voor het zakelijke programma van de Partij van de Arbeid.

Collega De Wijs heeft gelijk: wanneer ik optreed uit hoofde van mijn ambt, als dominee en dienaar des Woords, moet ik mij tot het algemene dat dan wel zeer algemeen wordt beperken en de feitelijke kant van de politiek buiten beschouwing laten. Hoe zou ik een rechtstreeks en dwingend verband tussen het Evangelie en deze zakelijke en feitelijke politiek kunnen aangeven? Die zakelijke politiek is geen inhoud van Evangelieprediking, maar van politiek inzicht en politieke keuze. Wanneer het er ons echter om te doen is, de mensen voor de zakelijke en feitelijke politiek van de Partij van de Arbeid te winnen dat is het geval dan is het mij onmogelijk op te treden als dienaar des Woords. Dan treed ik op als democratisch socialist en lid van de Partij.

Het komt mij voor, dat collega De Wijs grenzen tussen de burgerlijke en de gemeente uit het oog verliest. misver«tst»rkt en een optreden predi‘n « pohtieh p , , , aanvaard kan worden. J- J- BUSKES Jr

Kwestie van woorden

Op 16 Mei verscheen van mijn hand een artikel in Tijd en Taak getiteld: „Na het religieus-soclalisme”. Ik betoogde daarin, dat het woord en de beweging, die er achter zat, geen kracht, geen appèl meer heeft. Men kan zich thans niet meer religieussocialist noemen, omdat niemand precies weet, wat dat woord inhoudt. Toch, zo besloot ik, is er voor hen, die zich vroeger religieus-socialist zouden noemen, een grote taak weggelegd, nl. het vreemde Evangelie aan de socialistische mens voor te houden, hem er mee te confronteren. Naar aanleiding van dit artikel ontving ik twee brieven. Een van een geestverwante uit Nederland, een van een Duitse lezer, die nauwe relatie onderhoudt met de Bund Religiöser Sozialisten. Zij maken opmerkingen en stellen vragen, die ik graag hier beantwoord.

Zij vragen belden: hoe hebben wij het nu? Banning en Van Biemen zijn respectievelijk voorzitter en secretaris van de Internationale Bond van Religieuze Socialisten, en tegelijkertijd wordt in het blad, dat ook het hunne is, uiteengezet, dat het religieussocialisme heeft afgedaan! Antwoord: ik schreef van Nederlandse verhoudingen uit. De verschillende zusterorganisaties in het buitenland hebben hun

eigen geschiedenis en alleen de Duitse spreekt van religieus-socialisme. Begrijpelijk. Onze Duitse briefschrijver wijst er terecht op: bij ons heeft het woord religieus dezelfde betekenis als godsdienstig en dan nog vooral in christelijke zin. In Zwitserland spreekt men van „religiös-sozial”, ofschoon Ragaz liever gesproken had van „christlich sozial”, wat niet mogelijk was, omdat in sommige landen clericale partijen zo heten. In Engeland bestaat een „Christian Socialist League”. Steeds moet men deze organisaties verstaan van de situatie in een bepaald land uit. Zulke bewegingen groeien door de tegenstander èn door de markante persoonlijkheden, die vaak aan de wieg er van stonden. Daarom is het uitspreken van een oordeel over een beweging elders heel moeilijk. Ofschoon ik dus voor Nederland het woord religieus-socialisme afwijs, kan ik mij toch wel vinden in een internationale organisatie, die religieussocialistisch heet. Want ik denk dan aan al die verschillende gestalten vam „rellgieus-socialisme”. Ik meen, dat wij elkander kunnen dienen met duidelijk te maken, waarom het elders anders is dan bij ons. En vooral niet het denkpatroon van de ene groep aan de ander op te dringen, Daarom moet men de woorden goed proe-