is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 28, 11-07-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

' Aan \ den Heer ] behoort de aarde 1 en haar B volheid. j V. Psalm 24 : 1 /

Jïjd en Tuah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR SISTE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 11 Juli 1953 Nr 28 Redactie: dsj. J. Buskesjr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. Bomhoflf ■ Redactie-Secr.: Roerstraat 48“ Amsterdam-Zuid Telefoon 724386 p/a dr J. G. Bomhoff Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H. J. de Wijs Mej. dr M. H. v. d. Zeyde e.a.

mnement per jaarfS,—; halfjaar 2,75; kwartaal ƒ 1,50 plus f 0,15 incasso. Losse nrs f0,15; Postgiro 21876; Gem. giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelueld 15,' Amsterdam-C; Postbus SCO

NOTITIES

Een raar bericht

„De Telegraaf” van 4 Juli bracht een raar bericht. Er moet in Hengelo (O.) een vergadering zijn geweest van de Federatie van Oranjeverenigingen. Daar zou besloten zijn, dat Oranjeverenigingen op humanistische grondslag, althans die, welke niet uitginken van de erkenning van het koningschap bij de gratie Gods, niet meer tot deze federatie konden behoren en zeker niet konden toetreden.

Zoals het er staat moet het bericht wel zeer onvolledig zijn. Het is als ssrmptoom van een anti-humanistische hetze op te vatten.

Nu geloof ik niet, dat er Oranjeverenigingen op humanistische grondslag zijn. Er zijn algemene en christelijke en in het zuiden wellicht ook r.k. Oranjeverenigingen. En er schijnt ook een federatie van deze Oranjeverenigingen te bestaan. Dat humanisten ergens in Nederland behoefte zouden hebben een Oranjevereniging op hun grondslag op te richten lijkt mij onmogelijk. Alleen al op grond van het feit, dat zij nog wel andere drukte aan het hoofd hebben.

Van Oranjeverenigingen wil ik noch iets goeds, noch iets kwaads zeggen. Er is een tijd geweest, dat ik er geprikkelder tegenover stond. Dat was in de jaren, toen een bestuur van burgers elk jaar hetzelfde op touw zette als een soort kanalisering van het verlangen van „het volk” naar een pretje en daarbij ieder wat wils gaf. Kinderen hielden een aubade voor de burgemeester (maar die man is toch niet jarig, vroeg ik dan in mijn onnozelheid), vrome mensen kregen een kerkdienst, ’s middags was er een optocht met veel reclame en een feest op een terrein, waar je je in het zweet kon lopen in een zak of zoiets. En dan ’s avonds onvermijdelijk een vuurwerk. Sommige buurten waar men geen tuin had en ook heel weinig kamers voor heel grote gezinnen versierden de zaak prachtig en men dronk daar tot slot een stevig glas. Deftige buurten staken in koele voornaamheid de vlag uit en de bewoners tooiden zich met een strik. Men kon genieten van allerlei: van plechtigheden, van demonstraties en van gegriezel. Een soort vrijetijdsbesteding dat af en toe uitschoot in iets anti-socialistisch, maar dan alleen, wanneer er borrels te veel waren gedronken. Niemand werd gevraagd, wat men van de Koningin dacht en óf men wel aan de Koningin dacht. Gelukkig maar.

Nu zijn christelijke lieden doorgaans erg

koningsgezind. En zij willen ook wel plezier hebben, al hebben zij dat vaak bij heel andere dingen dan „gewone” mensen. En wanneer zij als bijzondere bijdrage aan deze dag een godsdienstig element willen oproepen, wie zal dat willen verhinderen? Het lijkt mij juister, dat de kerken zo iets doen, dan een vereniging.

Maar ons volk suggereren, dat wie niet vasthoudt aan de gedachte, dat het koningschap bij de gratie Gods bestaat (hoevelen zullen weten, wat dat werkelijk inhoudt?) buiten de echte Granjevrienden zou staan, dat gaat te ver. Om dan een dergelijke houding „humanistisch” te noemen is alleen maar een blijk van volstrekt onbegrip van de werkelijke verhoudingen en schaadt de oplossing van het moeilijke vraagstuk, dat er inderdaad tussen humanisten, christenen en „niksen” ligt.

Geen roulette

Het besluit van de ministerraad om géén speelbanken toe te laten kunnen wij met bijzondere vreugde begroeten. Zeker, spelen zit mensen schijnbaar in het bloed. Mijn jongste zoon had laatst vijf lootjes gemaakt, die hij voor een cent het stuk verkocht. Wie nu het goede nummer trok, kreeg vier cent. Hij zelf werd in ieder geval er rijker van. Hij wilde dus aan de goede kant van de speelbank zitten. Het was niet eenvoudig hem duidelijk te maken, waarom zo’n spelletje eigenlijk niet leuk was. Nu, heel veel mensen zijn onvolwassen en kunnen maar niet begrijpen, dat deze spelletjes niet leuk zijn.

Het is goed, dat de Overheid, die toch ook zedelijke verantwoordelijkheid draagt, duidelijk maakt, dat het inrichten van speelbanken niet toelaatbaar is. Ook al wordt er natuurlijk clandestien wel gegokt en ook al worden veel harten in de richting van het wagen van kansen getrokken, de Overheid richt hiermee een wegwijzer, en dat is goed.

Op het ogenblik lopen er in Scheveningen véél vreemdelingen rond. Laatst zag ik, dat 70% van de logeergasten buitenlanders waren. Zij, aldus de redenering, begrijpen maar niet, dat er geen echt casino is. In België, Frankrijk, Zwitserland, Italië zijn ze wel. En, vervolgt men dan, men maakt die mensen geen haar beter door hier het spelen te verbieden en zich zelf een bron van inkomsten te onthouden. Daartegen-, over is op te merken, dat de gast, die werkelijk gast wil zijn, het toch niet onprettig zal vinden in zo’n maatregel iets van de

eigenheid van een volk te ontdekken. Wij hebben géén direct-opvoedende taak jegens vreemdelingen. Maar wij mogen wèl op het standpunt staan, dat het niet nodig is precies hetzelfde te doen als men overal doet. Het lot laten beslissen over geldelijk gewin of verlies is in wezen een stompzinnige bedoening.

Over het algemeen bestrijdt men geen geestelijke en zedelijke kwalen met wetsartikelen. Maar ze zijn toch onmisbaar om een richting aan te wijzen.

Nederland wordt geen braaf land door de roulette te verbieden. Er gebeurt heel wat, waarvoor wij ons schamen moeten. Maar zulke maatregelen prikkelen toch de gewetens en leiden de meest bewusten tot zelfonderzoek. En daarom, zonder er nu alles van te verwachten, keuren wij de beslissing van de ministerraad van harte goed.

Ten derden male?

In deze lijn ligt ook de stap, die de voorzitter en de secretaris van de Nationale Bond voor Plaatselijke Keuze gedaan hebben, door per audiëntie bij de minister van Sociale Zaken het verzoek in te dienen om Plaatselijke Keuze mogelijk te maken.

Dat is dan voor de derde maal.

De gedachte lijkt ons voortreffelijk. Plaatselijke Keuze wil een mogelijkheid zijn, waardoor de bevolking van een gemeente zich er over uitspreekt, of in zijn midden vergunningen en verloven zullen bestaan. Het wil niet anders dan een advies en zelfs niet een bindend aan de gemeenteraad mogelijk maken, die dan op éigen gronden over het aantal drankzaken (zoals ook thans reeds het geval is) kan beslissen.

De betekenis van de invoering van Plaatselijke Keuze is vooral te zien in de mogelijkheid om iedere burger de vraag te stellen, wat hij denkt van de aanwezigheid van drankgelegenheden in zijn omgeving. Wie daarvan drooglegging vreest, weet niet, waarover hij spreekt.

Deze mogelijkheid moet aangegrepen worden. Na een periode van teruggang van de alcoholconsumptie is de belangstelling voor de strijd tegen het alcoholisme af genomen. De persoonlijke verantwoordelijkheid voor dit verschijnsel is verminderd. Slechts zij die weten, wat de dynamiek is, die in het alcoholgebruik ligt, beseffen, welke gevaren voor de volksgezondheid hier liggen. Het is merkwaardig, dat zo weinig mensen dat weten. Ze hoofd voor hoofd voor deze vraag stellen heeft een opvoedkundige waarde.

De tegenstanders zullen zeggen, dat men de mensen niet beter maakt met maatregelen. Zij vereenvoudigen de zaak. Maatrege-