is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 30, 01-08-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuilen. Heeft dr Clausing nooit van Pascal gehoord, en diens Pensées?

Maar om dichter bij huis te blijven. Nergens geeft de schrijver blijk in zijn wonderlijke bibliographie ooit kennis genomen te hebben van wat op dit gebied gepresteerd werd door zijn collega’s in de natuurwetenschappen. Laat ik geen buitenlanders noemen als L. de Broglie, Bavink, Gustave Thibon, maar drie landgenoten die, ieder ook dr in de exacte wetenschappen, geschreven hebben over de zaken, die dr Clausing aan de orde stelt. Ik denk aan wijlen prof. Kohnstamm (één keer, en dan nog volkomen ten onrechte geciteerd op blz. 159), ik denk aan dr A. E. Loen, ik denk aan dr C. J. Dippel. Dr Clausing schrijft op talloze plaatsen van zijn boek, dat zijn theologische tegenstanders vluchten uit het critisch gesprek. Maar wat doet hij anders, als hij maar eigenwijs doorpraat en nog eens doorpraat, zonder te luisteren naar en te verwerken datgene wat zijn vakgenoten op het onderhavige gebied ter tafel brachten? Ik voorspel dr Clausing succes en applaus bij de talloze tegenstanders, die zich er over zullen verkneukelen, dat het maar weer eens flink gezegd is, en dat de Ned. Herv. Kerk, speciaal de orthodoxie en nog meer speciaal de orthodoxe theologen het er lelijk bij laten liggen; en als die theologen moedeloos over zoveel misverstand, het zwijgen er toe doen, dan zullen ze pas fiks gehoond worden, omdat de man der positieve wetenschappen het hun zo onversaagd heeft aangezegd. Laten ze daarom maar niet zwijgen! Dr Clausing heeft helaas de dialoog tussen natuurwetenschap en theologie alleen maar gestoord. Het zou bijv. onweerlegbaar aangetoond kunnen worden, dat hij zich een oordeel over Karl Barth aanmatigt, dat berust op misverstand!

Het vak van dr Clausing is een domein beschermd door een zeer speciale vaktaal. Geen theoloog of in ’t algemeen iemand der cultuurwetenschappen zal het in zijn hoofd krijgen om tegen een physicus of natuurkundige te zeggen, dat die of die geheimzinnige formule niet deugt, maar over vakken als literatuur, geschiedenis, filosofie en theologie matigt zich iedereen een oordeel aan. Dat is goed, want de juistheid der uitspraken in deze vakken gaan de mensen oneindig meer aan dan de formule van het uitdijend heelal. Maar een klein beetje bescheidenheid is toch wel gewenst. Ik hoop in het volgend artikel te bewijzen, dat dr Clausing een schoenmaker is, die niet bij zijn leest bleef. J. G. B.

j- •| • • XxdXl2'lfl2' ö ö

Het is lang geleden sinds ethische theologen over „levensheiliging” schreven en er lezingen gehouden werden over Ibsens Brand. Daar liggen twee wereldoorlogen tussen. De ontgoocheling daardoor gewekt en de nuchtere zakelijkheid, die onze tijd eigen is, staan nog al sceptisch tegenover het rigoreus idealisme, dat bij dit streven naar heiliging past.

De theologie van Karl Barth, die de heiligmaking vrijwel geheel onder de rechtvaardig-verklaring van de zondaar betrok, heeft het ons duidelijk ingeprent om tegenover dit streven naar levensheiliging een behoorlijke afstand in acht te nemen. De Oxfordgroep-beweging, die dit streven verbreedt in plaats van verdiept, gaf hem in zijn verweer daartegen een al te gemakkelijk wapen in de hand. Immers hier komt de eigenmachtigheid van de mens ten koste van de genade alleen te zeer op de voorgrond. Inderdaad is de veranderde mens van de Oxfordbeweging.nog iets anders dan de bekeerde mens van de bijbel. Het vervolg van de beweging in de morele en geestelijke herbewapening heeft wel bewezen, dat men hier dichter bij de moraal dan bij het Evangelie staat. Toch mag men niet vergeten, dat God ook deze weg tot zijn doel kan gebruiken en dat het ernst maken met de regels van dit spel duizendmaal verkieslijker is dan het banale niveau, waarop men in de wereld (en ook wel eens in de kerk) zich beweegt en leeft. Dit streven naar heiliging mag en moet van uit de zuivere leer terecht onder critiek staan, het verlangen om „een nieuw leven” te beginnen, sterft gelukkig nooit.

Het beduidt veel meer dan de gril van menselijke verbeelding, het heimwee naar het geheel anders zijn wordt telkens weer gewekt door krachten, die niet van menselijke oorsprong zijn. Grote heiligen zijn meestal grote ketters. Zij laten zich in geen enkel theologisch systeem voegen. Toch is juist hun dwaasheid zij ’t dan toch weer al te menselijke verwerkelijking van een wezenlijk element in het Evangelie, dat in het systeem slechts pro memorie werd uitgetrokken.

Als het streven naar heiliging zich degradeert tot moralisme zonder meer (en

dan in moraal naar welke maatstaf?) dan verburgerlijkt ’t; in een verstard politiek systeem kan ’t zelfs geheel verwereldlijken. Het kan ook verstrakken en dood lopen in wettelijkheid en zich breed maken in menselijk vermogen en verdienste. Maar het kan ook onder goddelijke inspiratie staan. Dan wordt de oprust over al het onvolmaakte en deerniswekkende geboren uit een belevenis, die welhaast de kracht en het karakter van openbaring krijgt. Zo gebeurde het bijv. in het leven van Franciscus van Assisi. Hier wordt het stramien van theologische theorie en kerkelijke traditie doorbroken door de geboorte van nieuw leven en door een verrassende wending, die meer is dan een opwelling, maar doorgroeit tot een gans ander bestaan.

Hier geldt ’t: „God roept ons broeders tot de daad” voluit, want hier is sprake van goddelijke roeping en van een daarop gegronde broederschap en de kracht tot de daad is niet uit ons, maar uit Gods genade. Hier worden ook de spanning en de strijd, die met deze verandering gepaard gaan, in evenwicht gehouden door een „genieten van God” en een feestelijk samenzijn met schepsel en schepping in een bovenmatige vreugde.

Die merkwaardige combinatie van passie naar God en zich verliezen in de natuur, vinden wij ook in de moderne heilige. Vincent van Gogh. Zijn worsteling mag mee te verklaren zijn uit allerlei symptomen van zielsziekte, daar is zij alleen voor zijn bang gemoed des te smartelijker en te krampachtiger voor. Het godsdienstig proces is voor ons weten niet tot rust gekomen. Het is in de geboorte blijven steken. W. Uhde haalt in zijn schets over Van Gogh de zeer ketterse woorden van Spinoza aan: „ Wie God lief heeft, kan niet verwachten op zijn beurt door God te worden bemind”. En toch bevatten deze woorden, regelrecht indruisend tegen de boodschap van het Evangelie, dat God ons het eerst heeft liefgehad en toch het laatst liefheeft, in hun eenzijdigheid en in hun tijdelijkheid een kern van waarheid. De diepste tragiek is de doorleving van het onbeantwoorde gebed, van de eenzaamheid in de onbeantwoorde vraag, zoals bij Job, van de ver-

Een circus vlucht

Enige maanden geleden is met de grote stroom van vluchtelingen naar West-Berlijn ook een volledig circus meegekomen. Een overeenkomstig geval behandelt de Amerikaanse film „Een circus vlucht” (Man on a Tight Rope). Het verhaal speelt zich af in Tsjechoslowakije, waar het communistische regiem alle levensuitingen en dus ook het circus beheersen wil. Circusdirecteur Karll Cernik kan zich niet voegen naar de eisen van het nieuwe bewind. Hij heeft geen verstand van politiek, maar is een fatsoenlijk mens en moet op den duur dus wel in conflict komen met de geheime politie. Wanneer het ministerie van Propaganda hem dwingt een van zijn beste clownsnummers een politieke strekking te geven en daarmee volkomen te bederven, loopt de maat van zijn aanpassingsvermogen over. Hij besluit het land te ontvluchten en ten westen van het ijzeren

gordijn de vrijheid te zoeken. Op het laatste ogenblik dreigt zijn plan te mislukken, doordat zijn collaborerende concurrent Bovarik er achter komt. Sterker dan de vete tussen de beide mannen blijkt echter ten slotte hun solidariteit als circusmensen. Zonder dat er iets aam de autoriteiten verraden wordt, kan Cernik met het gros van zijn circus naar de grensrivier trekken. De plotselinge vlucht over de brug, die naar Beieren leidt, komt voor de grensbewaking als een volledige verrassing.

De regisseur Elia Kazan, die verscheidene belangrijke films met een sociale strekking op zijn naam heeft staan, vervaardigde deze boeiende rolprent. Op beklemmende wijze maakt hij ons aanschouwelijk hoe ondraaglijk het leven in de communistische staat voor het vrijgevochten circusvolk is. Op de achtergrond van deze avontuurlijke geschiedenis, die zelfs een romantisch tintje heeft, staat de bittere werkelijkheid van de dictatuur waaronder het vrijheidlievende Tsjechische volk gebukt

gaat. Juist in deze dagen, nu de toestanden in Oost-Europa in het centrum van de belangstelling staan, verdient deze film onze aandacht. Verheugend is de sobere vormgeving en de afwezigheid van goedkope propaganda van Amerikaanse zijde, die men bij een onderwerp als dit zou kunnen vrezen. J. A. Hs.