is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 33, 22-08-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De organisatie-mens

Welke mens is dit nu weer? Een nieuw tijdsverschijnsel of een nieuwe woordcombinatie? Geen van tweeën. De „organisatiemens” is ontstaan en tot een maatschappelijke werkeUjkheid geworden bij de wording en groei van de vrije organisaties.

Het is de mens die zijn tijd, zijn krachten, ja zelfs zijn hele persoon inzet in het organisatorische werk. De mens die meehelpt de chaos tot gemeenschap om te vormen. Beseffen wij de omvang en betekenis van zo’n inzet wel voldoende?

We weten dat de geest hemelhoog uitrijst boven tastbare vormen en zichtbare lichamen. Het is immers de geest die elke organisatie tot een waarachtig levende organisatie maakt. De geest is hoofdzaak, de vorm bijzaak. Wie zou dat willen ontkennen? Maar wee degene die achteloos aan de waarde van het „organisatorische” voorbij gaat. Het is er mee gesteld, als met de verhouding geest-lichaam. Geestelijke eigenschappen zijn de signatuur van de menselijke persoonlijkheid. Grootheid van geest is niet gebonden aan lichamelijke onvolkomenheid. Toch kan een lichaamsgebrek een geweldige hindernis vormen om geestelijk tot ontplooiing te komen. Altijd en immer zal de doorn in het vlees verzuchtingen doen slaken.

Een goed functionnerende organisatie is heel erg belangrijk. Goed beschouwd kunnen we in onze maatschappij de „organisaties” niet meer missen. Zonder deze zou de chaos volledig zijn. In die organisaties van verschillende aard staat nu de mens die werkt in het belang er van. Het zijn, om bij de befaamden te beginnen, de voorzitter, secretaris, penningmeester. Het zijn ook de colporteur, de huisbezoeker, de verspreider van folders en de contributieinner. In het kerkewerk zijn het de ouderling, diaken, jeugdleider, clubleidster enz.

Hoeveel tijd, energie en toewijding al die werkers besteden aan dat doodgewone, dikwijls ondankbare werk, is moeilijk te schatten.

„Die vent is hardstikke gek om zich voor die en die organisatie zo uit te sloven. Hij werkt maar en anderen spelen mooi weer met de resultaten van zijn ploeteren”, was het verbijsterende oordeel dat ik eens hoorde vellen over een „organisatie-mens”.

Erg vriendelijk klinkt zo’n uitspraak allerminst. Toch is dit zo ongeveer de mening van Jan en alleman over de „organisatie-mens”.

De stille werkers weten zelf maar al te goed hoe de wandelaars van „minste-weerstand-wegen” over hen denken. Het belet hun niet om onvervaard door te gaan met hun prachtige werk. Vanwaar die gehechtheid aan die weinig lucratieve activiteit?

Een geloofsvisie, een ideaal, beginsel of gemeenschapsplicht drijft de organisatiemens naar het arbeidsveld. Hoe groter en bezielender het ideaal is, des te moeilijker wordt het de werker van zijn taak af te houden.

Bij de opinievorming over menselijke activiteit komen dikwijls merkwaardige verschillen van beoordeling aan het licht. De activiteiten van ondernemers uit het vrije bedrijfsleven worden m.i. terecht, hoog geroemd. Het feit dat al die activiteit in ondernemerskringen wordt bepaald door het eigenbelang en volgehouden door de kans op succes, doet aan die „roem” niets af.

Maar nu komt in dit licht bezien, de activiteit van de organisatie-mens stralend naar voren. Tijd en krachten die de

ondernemer aan zijn eigen zaak geeft, worden door de organisatie-mens aan een gemeenschappelijke zaak gegeven. En dat alles zonder het uitzicht op enig persoonlijk voordeel. Natuurlijk weten we dat er op deze gulden regel uitzonderingen zijn. Maar die zijn niet bepalend. De mogelijkheid om nog eens „vrijgestelde” te worden is zo beperkt en zo klein, dat werken met het oog daarop, daardoor een kansloos gokspel wordt. Eer dat een organisatie de weelde kan permitteren bezoldigde bestuurders aan te stellen, liggen er al jaren van onbezoldigde activiteits-uren in het organisatie-verleden. Zelfs in een massa-beweging blijft het leeuwendeel van de activiteit rusten op hen, die „om niet” werken. Bovendien kan een bezoldigd bestuur alleen maar vruchtbaar werken als het geruggesteund wordt door vele onbezoldigde werkers.

De organisatie-mens, wat beweegt hem? Veel teleurstelling wordt zijn deel. Teleurstelling in medestrijders. Teleurstelling door de traagheid van een mensenhart. Het vruchteloos beroep kan zulk een moeheid veroorzaken. En het verkeren achter de schermen kan zo ontzielend werken. En hoevelen hebben zich zelf geschaad in hun maatschappelijke positie, door zich te veel in beslag te laten nemen door het organisatorische werk? Terwijl anderen genoten.

luierden, aan hun persoonlijke toekomst bouwden, waren de organisatie-mensen in de weer voor allen, voor anderen. Zou het misplaatst zijn als we een standbeeld zouden oprichten ter ere van de onbekende organisatie-mens?

Voor de partij komt bij mij een oude spoorwegarbeider de contributie ophalen. Veertig jaar geleden haalde hij ook al contributie op. Elk stukje van zijn vrije tijd heeft hij aan „de partij” besteed. Toen ik hem vroeg waarom hij altijd met zoveel vreugde dat doodeenvoudige karwei voor de partij opknapte, gaf hij ten antwoord: „Ach kameraad, wat zou mijn leven zijn geworden als de partij er niet geweest was. Leeg en doelloos zou het zijn geworden. Het organisatiewerk heeft mijn leven verrijkt. Ik kan terugzien op een schat van ervaringen. Prettige en minder prettige dingen heb ik meegemaakt in al die jaren. Maar alleen de prettige dingen heb ik onthouden. En hierover zou ik een heel dik boek kunnen volschrijven. Neen, ik had het niet graag willen missen dat werk voor de beweging.” Toen ik de ogen van die partijgenoot zo zag schitteren, was het net alsof er bij mij van binnen iets ging gloeien. Voor mij stond de organisatie-mens. De mens die weet wat dienen is. Dat dienen belangrijker is dan succes, komt men alleen door ervaring te weten.

De ogen van die trouwe werker vertelden mij meer dan woorden kunnen zeggen. Ze vertelden mij, dat een dienend mens nooit voor niets leeft in deze wereld. A. SNAAUW

Malenkotvs binnenlands beleid

MEER BROOD, MEER KLEDING

De Russische.Jauitenlandse politiek schijnt opnieuw van koers veranderd te zijn. De periode van tegemoetkomendheid jegens het Westen is kennelijk weer ten einde. Molotow toont zich opnieuw in al zijn stugge geslotenheid; hij geeft weer dezelfde diplomatieke raadseltjes op als in de Stalinistische periode.

Een van de redenen voor de Russen om de schuchter uitgestoken hand weer in te trekken, is zeker de fantasieloze Amerikaanse houding geweest. Wij schreven er vorige week over. Het gevoel van onbehagen over hetgeen de Amerikanen op het ogenblik aan het verknoeien zijn in de wereld, wordt sterker, als wij kennis nemen van de plannen, welke Malenkow voor het binnenlandse beleid heeft ontvouwd. Daar is nl. wel degelijk sprake van voortzetting der koerswijziging, zoals die na Stalins overlijden werd ingezet. Een koerswijziging, welke in het algemeen gekenmerkt wordt door enige versoepeling van het regime.

Binnen twee of drie jaar Stalin heeft zijn mensen dikwijls beloofd verbetering te zullen brengen in hun materieel dorre bestaan. Hij sprak daarbij echter steeds in het vage, als het er om ging het tijdstip te noemen, waarop die verbetering bereikt zou worden; na de uitvoering van twee of drie vijfjarenplannen luidde het veelal. Malenkow nu heeft het nodig en mogelijk geacht concreet te worden. Hij stelt ten eerste in het vooruitzicht, dat na reeds twee of drie jaar de toestand aanmerkelijk zal zijn verbeterd. Vervolgens heeft hij voor een aantal gebruiksartikelen zeer

precieze productiecijfers voor het eerstkomende jaar genoemd (bijv. 5750 millioen meter katoenen stoffen, 218 millioen meter wollen stoffen, 436 millioen meter zijde, 3.600.000 ton suiker, 400.000 ton boter).

Bovendien heeft hij het aangedurfd openhartig de redenen te noemen, waardoor de Sowjet-bevolking tot nog toe zo karig is bedeeld; ook de fouten heeft hij daarbij durven aan wij zen.

Ten behoeve van de zware industrie (waarvan de productie in 25 jaar tijd 55 keer vergroot is) werd tot nog toe de industrie van consumptiegoederen verwaarloosd. Daarin moet nu verbetering komen. Het bestaande vijfjarenplan, dat voorziet in een productievergroting van 65% voor deze sector in 1955, zal reeds in 1954 zijn uitgevoerd. Blijvende maatregelen worden in het vooruitzicht gesteld, om deze productie van gebruiksgoederen afdoende veilig te stellen, nl. door aanzienlijke investeringen.

Bijzondere aandacht zal worden geschonken aan de kwaliteit, die tot nog toe veelal armelijk was. Er zal voor worden gezorgd, dat alle winkels voldoende bevoorraad worden, zodat het publiek voor het aanschaffen van bepaalde artikelen niet meer naar een andere stad of een ander district behoeft te gaan. Naar Malenkow meedeelde, was zulks nu nog dikwijls het geval. Reeds dit jaar zullen de winkels met 10% meer worden bevoorraad. Daar is 32.000 millioen roebel mee gemoeid.

Het landbouwbeleid Het belangrijkste waren waarschijnlijk de nieuwe mogelijkheden, die Malenkow voor