is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 39, 03-10-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doeleinden van economisch streven

2

Economische vooruitgang als een doel voor het economisch streven

Over dit onderwerp schreef Kenneth E. Boulding van de Universiteit van Michigan een uitstekend opstel. Zijn redenering verloopt in het kort als volgt. Economische vooruitgang kan gemeten worden als een toeneming van de graad van efficiency van het bedrijfsleven. De graad van efficiency kan gedefinieerd worden als de verhouding tussen de hoeveelheid „stof” die opgeofferd wordt en de hoeveelheid die gewonnen wordt, maar ook als de verhouding tussen kosten en baten. Beide uiteraard in dit verband gezien als maatschappelijke kosten en maatschappelijke baten. Daar deze metingen in de practijk moeilijk te verrichten zijn, zoekt Boulding naar een eenvoudige aanwijzer. Hij gaat daarbij uit van de steliing, dat het in het algemeen de landbouw is, die de voor het menselijke leven noodzakelijke goederen voortbrengt (voedsel en kleding). Hoe groter nu in een maatschappij het deel der bevolking, dat zich kan wijden aan niet-landbouwwerk, hoe groter de productie van niet strikt noodzakelijke goederen, m.a.w. hoe welvarender de maatschappij. Dit klopt met het feit, dat in onontwikkelde landen het deel der bevolking dat in de landbouw werkt, groot is (meer dan 60 %), terwijl het in hoogontwikkelde gebieden kan dalen tot 20%.

Een van de eerste voorwaarden voor economische vooruitgang is, dat men verandering moet willen. Niet dat alle verandering per se een verbetering zal zijn, doch zonder verandering is er zeker geen kans op verbetering. De machthebbende groepen in een onontwikkeld land moeten dus veranderingen toelaten, wil er een kans op vooruitgang zijn. Dit is één voorwaarde voor vooruitgang. Een andere belangrijke voorwaarde is volgens Boulding, dat men het stelsel der vrije concurrentie moet aanvaarden. Hij ziet niet in de eerste plaats een tegenstelling tussen overheidsexploitatie en particulier bedrijf, maar wel tussen monopolie en vrije concurrentie. Concurrentie vergemakkelijkt het uitwieden van zwakke, verouderde werkmethoden en geeft degenen die nieuwe werkwijzen invoeren, een kans om vooruit te gaan. Een derde voorwaarde is, dat de wettelijke en andere instellingen (institutions) in het land zo moeten worden hervormd, dat zij de vooruitgang bevorderen. In dit verband is aardig wat Boulding zegt over de politieke beleidsman: hij vergelijkt hem met een maatschappelijke landbouwer, daarmee bedoelende, dat, zoals het werk van de boer feitelijk bestaat in het gunstig maken van de groeivoorwaarden voor de planten, zo moet ook de beleidsman niet anders doen dan de groeivoorwaarden voor bedrijven gunstig maken. In het kapitalistische stelsel, dat Boul-

ding bespreekt, is in het geheel van het ontwikkelingsproces de rol van het bankwezen zeer belangrijk. Het is de taak van de bankier om de geldbezitters er van te overtuigen, dat hij goede winstmogelijkheden ziet, die verwezenlijkt kunnen worden mits zij hem hun geld toevertrouwen. Daar er in een kapitalistische maatschap-

pij vele bankiers zijn, kan men van decentralisatie spreken. Dit ziet Boulding als een voordeel. Sommige bankiers mogen foute beslissingen nemen, de meesten zullen juiste mogelijkheden exploiteren en daardoor zal dank zij hun activiteit de maatschappij uiteindelijk vooruitgaan.

Aan het klimaat, als factor voor het verklaren van het verschil in ontwikkelingspeil tussen verschillende landen, hecht Boulding, m.i. terecht, niet veel betekenis. Wel hecht hij grote betékenis aan de rol van de godsdienst. In het algemeen beschouwt Boulding de godsdienst als een activerende factor zolang hij nog niet „verpriesterd” is. Boulding noemt ook de grote betekenis van het protestantisme en andere hervormende stromingen voor het ontstaan van het kapitalisme, doch dat is voor iEuropa bekende stof.

Interessant is wat Boulding zegt over de betekenis van buitenlandse investeringen voor het in gang zetten van het ontwikkelingsproces in een land. Hij wijst hierbij op de algemene armoede in onontwikkelde landen, die met zich brengt een zeer kleine kapitaalsvorming. Deze is te klein om het land te veroorloven tot „omwegproductie” over tQ gaan. Dit nu kan vergemakkelijkt worden door een injectie met buitenlands kapitaal. De betekenis van een lichaam als de Internationale Bank is in dit verband duidelijk.

Aan het eind van zijn betoog komt Boulding terug op de rol van het protestantisme voor de opkomst van het kapitalisme en hij betreurt het, dat speciaal het vrijzinnig protestantisme zo weinig weerstand heeft geboden tegen critiek op het kapitalisme. Deze critiek was vooral een gevolg van de periodieke wanverhouding tussen aantal werkwilligen en aantal baantjes. Een deel van deze onzekerheid moet aanvaard worden als een prijs voor vooruitgang. Een ander deel is echter onnodig en behoeft niet voor te komen, als de regeringen hun taak van „governor” en stabilisator goed opvatten.

Het christelijk geloof en het economisch leven van de op vrijheid berustende maatschappij.

Niebuhr begint zijn opstel met te constateren, dat de liberale theorie als basis voor het economisch streven aannam de bevordering van het eigenbelang in een omgeving van vrije mededinging. Hoewel dit systeem grote vooruitgang bracht, moet erkend worden, dat het twee elementen over het hoofd zag. Ten eerste dat machtige individuen of groepen misbruik van hun vrijheid zouden maken, en dat het menselijk streven ook op andere dan economische motieven gebaseerd kon zijn. Er ontstond in de 19de eeuw een felle strijd tussen maatschappeiijke groepen, welke aangewakkerd werd door de marxistische theorie, welke deze strijd als de noodzakelijke factor om te komen tot een betere maatschappij zag. Het socialisme bergt echter het grote gevaar in zich, dat de economische en politieke macht in één hand worden geconcentreerd. Dit kan tot totalitarisme leiden. De moderne arbeiderspartijen hebben echter dit gevaar erkend en

zij streven nu meer naar een evenwicht tussen de diverse maatschappelijke krachten, dan naar een concentratie van alle macht in één groep. Men wil een combinatie van vrijheid en planning en op dit niveau kan Nietauhr een heel eind met hen meegaan. Hij onderstreept echter, dat er bij het zoeken naar dit evenwicht steeds een strijd zal zijn tussen hen die in de eerste plaats voordeel verwachten van vrijheid en hen die meer waarde hechten aan economische zekerheid, die een gevolg geacht wordt te zijn van planning.

Het bevorderen van rechtvaardigheid dient bij dit alles het leidende motief te zijn. Deze drang naar rechtvaardigheid zal, indien hij beïnvloed wordt door het christendom, een uitvloeisel zijn van het uitoefenen der christelijke Liefde. De mens behoort naar christelijk beginsel vol te zijn van de wil tot het betrachten van Liefde en hij mag nimmer de medemens zien simpel als een instrument tot het bereiken van eigen doelen. Het christendom moet, al getuigende van de voorrang die de Liefde behoort te hebben, echter zo realistisch zijn om te erkennen, dat in de mens het streven naar het bevorderen van het eigenbelang voortdurend en in sterke mate aanwezig zal zijn. De christelijke interpretatie van het leerstuk der economische vrijheid moet daarom rekening houden zowel met de scheppende als met de destructieve mogelijkheden van deze vrijheid.

Bovendien moet het christendom zich er voortdurend van bewust zijn wanneer het bepaalde economische richtlijnen formuleert, dat zulke normen steeds slechts voor een bepaalde situatie en een bepaalde periode kunnen gelden. Men moet er dus geen eeuwigheidswaarden aan toekennen. Economische en sociale normen kunnen slechts een beperkte waarde hebben en het volle gewicht van de Kerk moet blijven rusten op het prediken van de fundamentele, eeuwige christelijke beginselen. Niebuhr refereert dan aan Heimann, die betoogd heeft, dat in de moderne maatschappij het sociale ondergeschikt geraakt is aan het economische. Hij geeft dit toe voor het nabije verleden, maar wijst er op, dat er nu een duidelijke reactie tegen deze toestand is opgetreden.

Niebuhr is van oordeel, dat de Kerk zich, onder de boven uiteengezette beperkingen, wel degelijk met de maatschappij moet bemoeien en dat het verkeerd zou zijn indien de Kerk te veel nadruk legde op haar „ander-wereldsheid”. Doet zij dat, dan verliest zij haar greep op onze technische cultuur. Zij moet echter duidelijk de beperkte mogelijkheden van deze technische cultuur aan de mensen voorhouden. Deze cultuur kan ons grote voordelen brengen, maar het nastreven van. deze voordelen mag nooit het uiteindelijke doel van onze activiteit zijn, want wat baat het u indien gij de hele wereld wint, doch schade lijdt aan uw ziel?

De bovenstaande samenvatting van drie hoofdstukken uit dit rijke boek moet uiteraard gebrekkig zijn. Niettemin hoop ik, dat zij voldoende is om een indruk te geven van wat in de bundel wordt behandeld. Maar vooral hoop ik, dat deze samenvatting enig denkbeeld geeft van de inhoud van het tegenwoordige denken in een organisatie als de Nationale Raad van Christelijke Kerken in de USA. Ik geloof niet, dat dit doordenken van de maatschappelijke problemen aan deze kant van de Oceaan veel resultaten oplevert, die nieuw zijn voor Europa, maar het is in ieder geval goed te weten, dat de gedachten aan beide kanten van de „North Atlantic” dezelfde kant uitgaan. D. GROENVELD

Augustus 1953, Silver Spring, Md.