is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 39, 03-10-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T#-i -Ifl liet VOCtSpOOf V3.fl 0033JK

Het zieltogende bestaan van de Raad van Europa is onderbroken door een frisse najaarsvergadering. Deze heeft de feitelijke onmacht van het Straatsburgse instituut weliswaar nog niet ongedaan gemaakt, maar in elk geval zijn bestaansnut duidelijk aangetoond. Op de laatste bijeenkomst der najaarszitting hebben de vergaderde parlementariërs uit de zes landen n.l. met grote meerderheid (74 tegen 7) een resolutie aangenomen, die in hoge mate verdient richtsnoer te worden voor de Westeuropese politiek; zulks zowel op grond van haar behartigenswaardige inhoud als gezien het feit, dat 74 van de 81 afgevaardigden, allen gekozen volksvertegenwoordigers van de verschillende landen, het er over eens geworden zijn.

De resolutie

Deze resolutie, waarvan wij het tweede deel, waarin concrete doeleinden van een Europese politiek worden aangegeven hierna aanhalen, draagt duidelijk de signatuur van de in Europese zaken onvermoeibare Spaak. In grote lijn stemt zij n.l. overeen met het rapport, dat Spaak had opgesteld:

De resolutie zegt:

1. zo snel mogelijk een Viermogendherenconferentie, die als voornaamste agendapunten de problemen Oostenrijk en Duitsland zal hebben. Met medewerking van de Oostenrijkse regering zou een regeling tot stand moeten worden gebracht, waarbij Oostenrijks politieke en economische onafhankelijkheid wordt gewaarborgd. Wat Duitsland betreft, moet het einddoel een vredesverdrag zijn, waaraan vrije verkiezingen vooraf moeten gaan, naar aanleiding van welker uitslag een regering kan worden gevormd die uit naam van het herenigde Duitsland kan handelen. De integratie van dat Duitsland in de Europese eenheid zou een waarborg voor de vrede zijn, maar het zal de toekomstige Duitse regering moeten zijn, die tenslotte Duitslands positie zal bepalen.

2. de hoop op een gunstige afloop van de Viermogendhedenconferentie zal niet verslappend mogen werken op de inspanning ter bereiking van collectieve veiligheid in Europa, noch op de uitwerking van beter samengaan van de Europese krachten met deelneming van West-Duitsland, noch op de voortzetting van de onderhandelingen tot vorming van een Europees politiek gezagsorgaan met beperkte taak, maar werkelijke bevoegdheden, die een democratische controle waarborgen. Aan Engeland en de overige landen van de Raad van Europa buiten de Zes wordt daarom gevraagd een zo nauw mogelijk samengaan met de instellingen van de Zes tot stand te brengen.

3. om blijk te geven van de vredeswil der volken van het vrije Europa zou men aan Rusland in het kader van de V.N. een verdrag moeten voorstellen ter wederkerige waarborging van de veiligheid; partijen bij dit verdrag zouden moeten zijn Rusland, Amerika, Engeland, de Zes, behorende tot de Europese politieke gemeenschap, (of deze gemeenschap zelf wanneer zij eenmaal bestaat) en eventueel andere staten.

Positieve critiek

Deze punten zijn vooral belangrijk, omdat zij een eigen Europees geluid vertegenwoordigen. In het eerste gedeelte van de

resolutie, waarin wordt gesteld, dat West-Europa alle mogelijke initiatieven moet nemen om een eind te maken aan de internationale spanningen, en waarin voorts wordt gezegd, dat het samengaan in de Westerse wereld moet worden geconsolideerd met wederzijdse eerbiediging van de onafhankelijkheid van een verenigd Europa en van de Verenigde Staten, wordt dit eigen Europese geluid nader gemotiveerd. Als versterking van de vele pogingen in de Westerse wereld om Amerika van al te grote eigenzinnigheid te weerhouden, zal de resolutie zeker zijn invloed hebben. De veelal helaas negatieve critiek op het Amerikaanse beleid, de geïrriteerdheid die langzaamaan onmiskenbaar geworden is in West-Europa, kan langs de weg die de parlementariërs te Straatsburg nu hebben ingeslagen, wellicht in positieve actie worden omgezet.

Engeland Behartigenswaardig is ook de tot Engeland gerichte oproep om zich nauwer aan Europa te binden. Engeland begroet elk Straatsburgs en Europees voorstel met sympathie, maar blijft in feite afzijdig. Zoals het heet „in verband met de verplichtingen die het als kernland van het Gemenebest heeft”. Over die sleutelpositie in het Britse Gemenebest wordt nogal geredetwist. Het is inderdaad een gek geval. Wat is dat Gemenebest? Canada, Australië en Nieuw-Zeeland bekokstoven hun eigen buitenlandse politiek. India is min of meer neutraal tussen Oost en West, Zuid-Afrika wil niets liever dan de banden voorgoed verbreken.

Is dat Gemenebest dus een fictie? Toch ook weer niet helemaal. Ondanks de zeer losse banden (onlangs is dat weer eens gebleken toen de Verenigde Staten, Australië en Nieuw-Zeeland een verdrag hebben aangegaan over de samenwerking in de Stille Oceaan, waarbij Engeland in het geheel niet heeft mogen meepraten) zijn er toch nog wel enige bindingen overgebleven, welke van politieke waarde zijn. Al zou het maar alleen de binding zijn van het regelmatige goed functionnerende overleg tussen de staten, die dat Britse Gemenebest vormen. Eigenlijk toont het Britse Gemenebest de wereld, hoe er zonder werkelijke wederzijdse verplichtingen een rede-

lijke vorm van overleg kan bestaan. Zoiets moet niet zonder meer worden prijsgegeven.

Maar het is overdreven om te zeggen, dat Engeland zich tengevolge van die bindingen tot de rol van toeschouwer in Europese zaken moet beperken.

De oorzaak daarvan moet veeleer gezocht worden in de mentaliteit van de Engelsman. In de Nieuwe Rotterdamse Courant haalt een correspondent een uitspraak van een Engels diplomaat aan, toen hem naar de oorzaak van de geringe populariteit van de Europese integratie in Engeland werd gevraagd. „De Britse diplomaat”, zo schreef de correspondent, „kijkt mij, met een vonkje spot in zijn ogen, over zijn brilleglazen aan. Ik stel mij zo voor, zegt hij, welke ontvangst mij te beurt zou vallen als ik op een goede dag een Engelse „pub” zou binnenstappen en de brave burgers die er aan de toonbank hun glaasje bier staan te drinken kond zou doen: „Verheugt jullie! Van morgen af zijn jullie niet alleen meer Britse staatsburgers. Jullie zijn Europeanen geworden!” Ik zou waarschijnlijk weggekeken worden. —” Deze mentaliteit veranderen vraagt meer dan een aantal Straatsburgse resoluties. Maar wie weet, op de lange duur? Erkenning gevraagd

De punten over Duitsland en over de verhouding met Rusland zijn in zoverre nieuw, dat zij veel genuanceerder dan de Amerikanen ooit hebben kunnen opbrengen, de Westerse wensen naar voren brengen. Er worden eisen gesteld binnen de perken der redelijkheid. Er wordt niet gescholden, maar wel met beslistheid gesproken. Een vertoon van waardigheid, dat navolging verdient.

Het belangrijkste ten slotte voor het uiteindelijke welslagen van hetgeen in Straatsburg wordt voorbereid, nl. de werkelijke politieke samenwerking in West-Europa, is het aandringen op de vorming van een Europees politiek gezagsorgaan met werkelijke bevoegdheden. Aangezien Straatsburg tot nog toe slechts adviseerde, ging er van de besluiten weinig practische invloed uit. Nu blijkt, dat de Straatsburgse initiatieven werkeiijk waardevol en zeer doordacht zijn, nu bovendien elke vorm van werkelijke saamhorigheid dringender dan ooit nodig is geworden in de Westerse wereld, wordt het tijd dat die bevoegdheden gegeven worden. De stem van Straatsburg kan niet meer worden verontachtzaamd.

H. VAN VEEN

Droom of realiteit

2

De vorige keer probeerde ik aan te tonen, hoe inderdaad, zoals prof. Banning in het gesprek over „Socialisme en Utopie” tegenover prof. Polak opmerkte, de sociaalpsychologische voorwaarden voor een utopisch geïnspireerde socialistische beweging er niet meer zijn.

De hieruit voortvloeiende conclusie ligt voor de hand. geen enkele politieke partij kan in een dergelijk klimaat de verwachting koesteren die bezieling, dat enthousiasme op te wekken, dat prof. Polak noodzakelijke voorwaarde acht voor de toekomst van het socialisme. Ik geloof, dat deze conclusie in vrij sterke mate inderdaad juist is. Laten we bijv. niet uit het oog verliezen, dat het gemis aan bezieling en de matheid, waarover prof. Polak en vele anderen zich zorgen maken t.a.v. het socialisme, waarachtig geen symptomen zijn, waarover men

alleen in socialistische kring klaagt! Men legge zijn oor maar eens te luisteren bij KVP, AR, enz.

Nu kan men zeggen: des te erger. Men kan ook met Banning de sociaalpsychologische oorzaken analyseren en wat feit is, als feit accepteren. Misschien moeten wij de geschetste situatie ook niet eenzijdig negatief waarderen. ’t Zou m.i. mogelijk kunnen zijn, dat met alle respect en waardering voor het enthousiasme, de bezieling en het geloof van het verleden de eigenlijke en eigen functie van de politiek en daarmee van een pH>litieke partij juister en evenwichtiger naar voren komt.

De partij, de socialistische beweging zijn toch in het verleden voor velen zeer veel, zo niet alles geweest. Middel voor een gerechtvaardigde sociale en politieke strijd.