is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 44, 07-11-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER CHARLES DICKENS

n.a.v. de welhaast voltooide vertaling van al de werken van Charles Dickens met de oorspronkelijke platen. Uitgave: Het Spectrum, Utrecht. Per deel ƒ 1,75. Bij intekening op de 34 delen per stuk ƒ 1,15.

Het is een grote verdienste van de Utrechtse uitgeverij. Het Spectrum, het geweldige romanwerk van Dickens tegen zo’n aantrekkelijke prijs onder het grote publiek te hebben gebracht. Ik hoop dat de Nederlandse uitgeverij met dit soort uitgaven doorgaat. Ik denk bijv. aan de Balzac, Tolstoj, Dostojewski. wy, mensen van deze tijd, moeten ons steeds weer verzetten tegen de verleiding van „bij te willen zyn,” van alleen maar moderne boeken te willen lezen. De omgang met de grote romanschrijvers van het verleden doet ons de prestaties van eigen tijd op hun juiste waarde schatten. Het rustige verhaaltrant remt de overhaasting van onze vluchtige geest, terwijl er tevens wel eens op gewezen mag worden, dat het probleem der vrye-tijdsbesteding vruchtbaarder opgelost wordt door de kalme, maar actieve lectuur van dergelijke boeken, dan door het passieve genot van film en radio. De uitgave van dergeiyke pocketboeken tegen bescheiden prijs moet daarom een sociale weldaad van de eerste rang genoemd worden.

Het is met Dickens (1812—1870) een wonderlijk geval. Eens, een der beroemdste schrijvers van de wereld, wórdt hij nu ouderwets. Twee groepen zijn hem evenwel trouw gebleven. De argeloze, naïeve lezers zonder smaak, en de vaklui. Bezig met een studie over romankunst viel het me dezer dagen weer eens in, hoe hoog Dickens tegenwoordig genoteerd staat bij de grote Europese deskundigen over romankunst en romantechniek.

Ik wilde in dit artikel enige overwegingen doorgeven, die ik tegenkwam bij de vakkundige bewonderaars van Dickens. Allereerst moet gezegd worden, dat het beeld van Dickens als schrijver door de publicaties der laatste jaren geheel gewijzigd is. Hij blijkt niet het naïeve, ydele natuurtalent te zijn, waar men hem lang voor gehouden heeft. Hij was een zeer bewust kunstenaar, voor wie elk boek een nieuwe proefneming was op zijn talent, op zijn lezerspubliek; een man ook van een groot verantwoordelijkheidsgevoel, die de invloed van zijn romans resoluut aanwendde tot aanklacht tegen de maatschappij van zijn tijd, tot verbetering van de schreeuwende wantoestanden, die heersten in de episode der industriële revolutie. Hij was, wat de Fransen noemen, „engagé,” d.w.z. betrokken by en schrijvende vanuit zijn tijd. Hij was ook niet de brave, Victoriaanse burger, waar men hem lang voor versleten heeft. De stormen van de hartstocht hebben hem niet gespaard, zoals uit zijn brieven blijkt. Hij wist uit smartelijke ervaring, wat de mens is en waartoe hij in staat moet geacht worden.

Ik geloof dat Henr. Roland Holst hem onrecht aandoet, als zij hem in haar studie „Romankunst als levensschool,” zover ten achter stelt by Tolstoj en de Balzac. Het gaat er maar om het juiste uit-

gangspunt te vinden voor de waardering van zijn werk en dat is zeker niet de ideeënwereld. Mevrouw Roland Holst heeft gelijk als ze constateert, dat de Balzac en Tolstoj rijker zijn aan vruchtbare (èn betwistbare èn verouderde) ideeen. Dickens is typisch geen intellectueel. Dickens had dus ook geen beredeneerde beginselen- omtrent politieke of sociale hervorming. Ais hij een mistoestand zag, sloeg hij hard en soms doeltreffend toe (de Armenwetten, de gevangenissen voor schuidenaars, de rechtbanken, de kiassenstrijd), maar hij sloeg altijd naar wat onmiddellijk onder zijn ogen kwam, en hij aanvaardde de maatschappelijke structuur van zijn tijd als vanzelfsprekend. Hij had ook weinig religieuze diepgang. Aan de kerk ging hij meestal voorbij; dat hij tijdgenoot was van Newman en Darwin en dat een hevige geloofsstrijd in zijn land heerste, Dickens wist er niets van. In een van zijn romans ziet een der figuren in de verte een kerktoren: „Ha”, zei hij, „daar is een kerk. Laten we nu maar gauw trouwen!”

Heel zijn geloof is samen te vatten in het bijbelse: „de weduwen en wezen bezoeken in hun beproeving en zichzelf onbesmet houden van de wereld”. Maar hij had een diep en onaflaatbaar besef van goed en kwaad. Hij spot niet met het goede, hij verzoent zich niet met het boze. Hij haat de zonde en zal de elementen oproepen, donder en bliksem, sneeuw en storm, om de grote misdadigers te straffen; daarna kan de hemel weer op trekken en stralend zijn over de eenvoudige mensen van goede wil.

Dlckens had een bittere jeugd gehad en op de hoogte van zijn succes en van zijn rijkdom, heeft hij zich uitgelaten over zijn ouders, die hem in de steek hadden gelaten als klein kind, op een wijze, als zelden een volwassene, zeker in die tijd, zich durfde uiten. Verdrietig en verbitterd? Deze geniale straatjongen, die zich later geschaamd heeft over de smadelijke armoede van zijn jeugd en oorsprong, die in begrijpelijke trots geweten heeft, dat hij de hoogte, waartoe hij opgeklommen was, te danken had aan eigen onvermoeibare inspanning, heeft de dromen van zijn jeugd over een hartelijker wereld, geprojecteerd in zijn geweldig romanwerk. Hij heeft zichzelf tot monarch aangesteld om toe te zien, dat er gerechtigheid geschieden zou aan de armen en onderdrukten, wier verdrietig leven hij kende. Geen schrijver van ideeën, maar van mensen! Dickens is een stadsmens. De natuur zegt hem niets. Hij kent de stad, en tot het eind van zijn leven zal hij inspiraties putten uit lange

nachtelijke wandelingen in de verlaten, lelijke straten van Londen. Het landschap van Engeland kent hij vaag uit zijn leertijd als reporter. Hij reisde in snelle vaart langs de landwegen per koets. Zo zien we ook in zijn romans de heide en de weiden van Engeland, vanuit het raampje van de rammelende koetswagen. De grootheid van Dickens berust allermeest op zijn vermogen om mensen te scheppen. lemand heeft eens opgemerkt, dat geen schrijver der wereldliteratuur, tenzij misschien Shakespeare, zoveel verrukkelijke dwazen heeft ontworpen als Dickens, en hoe moeilijk is het, een heerlijke gek te verzinnen! Maar neem welk mensentype ook: de sluwaard, de stakkerd, de dokter, de advocaat, de gevangene, de schoolmeester, de koetsier, de drankbestrijder, de dief, Dickens schudt ze uit zijn mouw om een ganse wereld voor ons te bevolken, een drukke wereld, met gaande en komende

„Wij hebben eens een aapjeskoetsier gekend, die zózeer onze bewondering opwekte, en zó’n diepe indruk heeft nagelaten, dat wij het neerdrukkende gevoel hebben, dat geen menselijk wezen daartoe ooit meer in die mate in staat zal zijn.

Hij had bruine bakkebaarden, een vntte hoge hoed, en een rode neus. En zijn helder blauwe ogen hadden vaak, —T ten minste één ervan een kunstmatig aangebrachte versiering, die men gewoonlijk eveneens „een blauw oog” noemt. Hij droeg kaplaarzen en een corduroy broek, en om zijn nek een gele halsdoek. ’s Zomers hield hij een bloem in zijn mond, en ’s winters een strootje, hetwelk voor een bespiegelende geest een teken is van liefde voor de natuur, en voor de plantkunde”.