is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 46, 21-11-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bedrijf en maatschappij

Onlangs heeft voor de Limburgse Katholieke Werkgeversvereniging de bewindsman van het jongste onzer departementen, dat voor Maatschappelijk Werk, minister Van Thiel gesproken over de sociale taak van de ondernemer en daarbij een uitermate belangrijk vraagstuk aangesneden, nl. dat van de plaats en de functie van de onderneming of het bedrijf in het geheel der maatschappij.

Als uitgangspunt voor enkele opmerkingen over dit vraagstuk citeren wij een paar passages uit de rede van minister Van Thiel:

„Er zijn vele algemene sociale voorzieningen tot stand gekomen, die de bevolking in het algemeen beschermen en deze een ruggesteun geven in moeilijke omstandigheden... Ondanks deze en nog andere sociale voorzieningen, die in het kader van de algemene sociale politiek zijn getroffen, heeft de mens in verschillende omstandigheden toch nog raad en steun nodig. Daarbij komt, dat algemene voorzieningen niet voldoende rekening kunnen houden met de individuele mens, de gezinnen en de kleinere sociale groepen, waaruit de samenleving is opgebouwd. Dit brengt met zich mee, dat er in verschillende gevallen direct op het individu en op het gezin gerichte maatregelen nodig zijn. Zouden we dit niet inzien, dan dreigt het gevaar, dat wij in deze tijd, waarin wij het woord sociaal zo dikwijls en soms zelfs te veel gebruiken, de mens en zijn gezin uit het oog verliezen. In dat geval zouden we, in plaats van deze ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid te bevorderen, depersonalisatie in de hand werken.”

Bij dit eerste citaat een enkele negatieve en een paar positieve opmerkingen.

Negatief: wij missen in deze aanduiding van wat op het terrein der sociale wetgeving en sociale voorzieningen tot stand is gebracht, het accent van de gerechtigheid. De sociale strijd is bovenal een strijd geweest om sociale gerechtigheid. In de aanduiding van minister Van Thiel blijft het naar onze smaak teveel in de sfeer der barmhartigheid, der charitas. Mogelijk doen wij hem hiermee onrecht. Een mens kan in één rede nu eenmaal niet alles zeggen.

Positief: Zeer terecht heeft minister Van Thiel hier gewezen op de begrenzing en de mogelijke gevaren van algemene, generaliserende voorzieningen, hoe goed eh noodzakelijk deze ook zijn.

Een verheugend en verkwikkend personalistisch geluid, zouden we willen zeggen. Zowel de gerechtigheid als de barmhartigheid dreigen immers daar hun meest wezenlijke waarde te verliezen, waar ze niet meer gericht zijn op de concrete, individuele mens, waar ze niet meer aangepast zijn aan de rijke gevarieerdheid van lot en noden van enkeling en groep, maar waar ze gereduceerd worden in zekere zin tot voorzieningen in „gevallen”, waar de algemeenheid geen ruimte laat voor het indi-

viduele. Inderdaad dreigt dan de depersonalisatie. Hier ligt een probleem, waaraan niet gemakkelijk te veel aandacht kan worden geschonken.

Tegelijk komt daarmee ook de vraag naar voren, welke verbanden in de tegenwoordige maatschappij nog in staat zijn dat element van het persoonlijke, het individuele tot zijn recht te doen komen. Onverbrekelijk daarmee verbonden is die andere vraag: welke verbanden worden door de mens van vandaag nog ervaren als verbanden, waartoe hij in een persoonlijke relatie staat.

Met een enkel voorbeeld willen we dit illustreren. Enige tijd geleden kwam op een conferentie dit zelfde onderwerp ter sprake. Op een gegeven ogenblik zei een der deelnemers aan de discussie: „Terwijl ik zo zat te luisteren, heb ik me afgevraagd door wie ik me zonder tegenzin zou laten helpen, wanneer ik door omstandigheden in moeilijkheden zou geraken. Ik heb voor me zelf dit antwoord gegeven: in de eerste plaats door mijn vader, in de tweede plaats door een heel goede vriend, in de derde plaats door het bedrijf, waar ik werk en dan... zou ik het niet meer weten.” De man, die dit zei, was ook lidmaat van een kerk.

Toen we er over doorspraken, bleek het criterium voor hem hierin te liggen, dat die hulpverlening voor hem gevoelsmatig acceptabel was, waar ze nog was verbonden met een persoonlijk-menselijke relatie. Die relatie werd door hem nog ervaren in de familiale verhouding tot zijn vader, in de

incidentele persoonlijke relatie tot de goede vriend en in de verhouding tot het bedrijf. Wat daarbuiten lag zelfs de kerk droeg als het ware een anoniem, onpersoonlijk karakter.

Hier komt zeker een aspect naar voren van het vraagstuk van de sociale functie van het bedrijf of de onderneming, dat aandacht verdient.

Misschien mag er zelfs de vraag aan worden verbonden, of, door wat er op het terrein van het moderne bedrijfsbeleid gebeurt, hier en daar het bedrijf niet bezig is zich te ontwikkelen tot een samenlevingsverband, waarin op positieve wijze persoonlijke waarden en verhoudingen opnieuw gestalte gaan krijgen.

Zeker: het zou dwaas zijn zich hier over te geven aan een stuk romantisering van het bedrijfsleven. De werkelijkheid geeft daar stellig geen reden toe. Maar het zou ook te betreuren zijn, indien positieve ontwikkelingen en mogelijkheden niet werden gezien. Ook minister Van Thiel heeft over deze, wat wij zouden willen noemen interne sociale functie van de onderneming goede dingen gezegd.

Het meest opmerkelijke gedeelte van zijn rede was echter dat, waarin hij de grenzen van deze interne sociale functie overschreed en de stelling poneerde, dat het eveneens tot de taak van de ondernemer (en daarmee dus ook stellig van de onderneming J. H.) behoort om „een positieve bijdrage te verlenen tot de bevordering van de persoonlijkheidsontplooiing der werknemers buiten de onderneming en aan de vormgeving aan het wijdere maatschappelijk milieu.”

Minister Van Thiel was er zich van bewust, dat hij met deze stelling, om zijn eigen woorden te gebruiken, „buiten de veelal gangbare interpretatie trad.”

Inderdaad; van meer dan een zijde zullen er tegen deze opvatting bedenkingen zijn. Juist omdat het hier gaat om de functie van het bedrijf (de onderneming) in de maatschappij en om de begrenzingen van deze fimctie. In een volgend artikel hopen we daarom juist op deze stelling nog wat nader in te gaan. J. H.

Republikeinen in nood

De politieke gebeurtenissen in de Verenigde Staten zijn voor de Republikeinse Partij weinig hoopgevend. De meeste tussentijdse verkiezingen hebben een nederlaag voor deze partij opgeleverd. Voorts is uit een recent opinie-onderzoek gebleken, dat de populariteit van Eisenhower sterk dalende is.

Er zijn vele tegenstrijdige factoren, waaruit deze teruggang verklaard moet worden. Tegenstrijdig, omdat de politieke scheidslijnen in Amerika veelal dwars door de partijen lopen. Een zeer belangrijk punt is, dat de regering-Eisenhower met zijn vele captains of industry als ministers, economisch min of meer de internationale koers van de democraten voortzet. De talloze kleinere fabrikanten, die belang menen te hebben bij een economisch beleid, dat de buitenlandse concurrentie binnen nauwe perken houdt, zijn teleurgesteld.

De al even belangrijke groep der boeren wordt ook ontevreden. De Verenigde Staten zitten opgescheept met surplusi-voorraden aan landbouwproducten ter waarde van 3 è, 4 milliard dollar. Als de regering deze voorraden op de markt zou brengen (waarvan sprake is), zal zulks een ernstige terugslag hebben op het huidige prijspeil (overigens dreigt hier ook voor ons land een gevaar. Minister Mansholt heeft over deze kwestie vorige week besprekingen gevoerd te Washington)V

Het geval-White Een tweede bron van onrust en ontevredenheid heeft zijn hoogtepunt gevonden in het geval-White. Twee weken geleden maakte de minister van justitie, Herbert Brownell, bekend, dat Truman in 1946 de toenmalige assistent( Vervolg op pag. 4)