is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 48, 05-12-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oorsprong en grond van de overheid

In een discussie met professor Van Niftrik over het vraagstuk van oorlog en vrede werd tegen mij de beschuldiging ingébracht, dat ik op een individualistische en doperse wijze de betekenis van de staat misken en het bijbelse staatsbegrip uithol.

Dat een man als professor Van Niftrik zo oordeelt, is voor mij reden genoeg, om mij zelf rekenschap te geven van mijn verhouding tot staat en overheid.

Het is mij niet onbekend, dat er antimilitaristen zijn, die staat en overheid uitsluitend zien als demonische verschijnselen, hetgeen voor hen betekent, dat zij als christenen slechts één roeping kennen: zich van staat en overheid te distantiëren en geen enkele verantwoording voor deze twee op zich te nemen.

Persoonlijk erken ik de overheid als een ordening van God en sta ik dus voor de vraag hoe ik mijn antimilitarisme, dat stellig ongehoorzaamheid aan de overheid betekent, met de door God gevraagde gehoorzaamheid in overeenstemming kan brengen. Ik geloof, dat ook vele christenen, die geen antimilitarist zijn, met de vraag van hun verhouding tot staat en overheid moeite hebben.

Daarom wil ik in enkele artikelen iets over deze vraag zeggen.

Het is veelzeggend, dat er de laatste twintig jaar een ontelbaar aantal studies over bijbel, staat, overheid en kerk verschenen is. Dat zegt ons in elk geval, dat wij hier inderdaad met een probleem te maken hebben en dat de kerk met dit probleem niet klaar is.

Volgens Ranke is de geschiedenis de geschiedenis van de verhouding van kerk en staat. Ik beweer niet, dat Ranke gelijk heeft. Ik citeer hem alleen, opdat onze lezers het grote belang van ons onderwerp zulleri beseffen.

Het is de moeite waard, ernst te maken met de kerk.

Het is evenzeer de moeite waard, ernst te maken met staat en overheid.

Wanneer men de bijbelse gegevens onderzoekt, komt men tot de overtuiging, dat het onmogelijk is een christelijke staatstheorie te geven en te spreken over een bijbels staatsbegrip.

Het belang, dat het christelijk geloof bij de kerk heeft, is onmiddellijk en direct. Het belang, dat het christelijk geloof bij de staat heeft, is middellijk en indirect. De gedachte van de kerk kan in de kerk voor honderd procent doordacht worden. Zij behoort geheel tot de wereld van het geloof. De gedachte van de 'staat is niet uitsluitend christelijk en kerkelijk. Zij kan van de zijde van het christelijk geloof slechts een bepaalde begrenzing ontvangen. De kerk kan alleen maar een christelijke bijdrage tot de leer van de staat geven.

Het moet dan ook niemand verwonderen, dat de oude belijdenisgeschriften der kerk niet over de staat, maar over de overheid spreken. Dat is in overeenstemming met het Nieuwe Testament, dat ook nergens over de staat spreekt.

Het begrip staat is van antiek-heidense oorsprong.

Ik waag mij niet aan een definitie van het begrip staat. Wel beweer ik, dat het begrip staat en het begrip overheid geen synoniemen zijn.

Staat betekent het geordende gemeenschapsleven. Overheid is de macht, die deze ordening in het leven roept en in stand houdt. In het begrip staat zijn regeerders en geregeerden samengevat. In het begrip overheid gaat het alleen over de regeerders. Bijbels is alleen het begrip overheid te gebruiken, niet het begrip staat, al weet ik zeer wel, dat wij, als wij over overheid spreken, ook met de staat te doen krijgen, maar er blijft een groot verschil tussen beide. Spreken wij over de staat, dan hebben wij te maken met een onpersoonlijke grootheid. Spreken wij over de overheid, dan hebben wij met een persoonlijke grootheid te maken, met mensen. Daarom spreekt het Nieuwe Testament over de overheid. Dr. Koopmans zegt, dat de staat op deze wijze gehumaniseerd wordt: getrokken in de persoonlijke sfeer van de verantwoordelijkheid. Niet de een of andere abstractie de neutrale of de christelijke staat regeert ons, maar de overheid: mensen, die verantwoordelijkheid dragen.

De staat om nog eens dr. Koopmans te citeren is een abstractie, die tot leven gekomen is. Wij zouden de staat een mythe kunnen noemen.

Het Nieuwe Testament zwijgt over de staat, maar als het in de buurt van de staat komt gebruikt het een mythologische naam: het beest (Openbaring 13). De staat wordt van zijn abstractie ontdaan en wij zien, wat erachter schuilt. Dan hebben wij niet meer met mensen te maken, maar met het beest. Het is dan ook zeker niet toevallig, dat speciaal de leeuw en de adelaar dienen moeten, om bepaalde staten te verbeelden. De staat als het beest is het einde van alles. Wat kan een wereld, die door het beest geregeerd wordt, anders dan een beestenboel zijn? Alles wordt beestachtig.

Willen wij de zaak, om welke het ons te doen is, bijbels waarderen, dan doen wij dus goed, niet over de staat, maar over de overheid te spreken.

Miskennen wij zo echter de werkelijkheid niet, daar wij toch meer met de staat dan met de overheid te maken hebben?

Dr. Koopmans wijst deze tegenwerping af met een verwijzing naar het Nieuwe Testament. Dat is ook onwerkelijk, in zover het niet bereid is, met een zeer reële mythologie mee te doen. Het zegt beest, waar iedereen God zegt. Tegelijkertijd echter erkent het de mensen in het ambt, waartoe God hen heeft geroepen. In deze zin heeft de kerk onwerkelijk te spreken door zich te distantiëren van de staat en onder alle omstandigheden met haar overheid te willen staan in het licht van het evangelie.

■Voor mijn besef is het van de allergrootste betekenis, dat de bijbel niet over de staat, maar over de overheid spreekt.

Laat de kerk zich in dit opzicht houden aan de bijbel. Het zal haar voor veel dreigende gevaren bewaren.

De eerste vraag is: waarin vindt de overheid haar oorsprong en grond?

Bonhoeffer heeft bij de beantwoording van deze vraag enige verhelderende opmerkingen gemaakt, die ik op mijn wijze weergeef.

De antieken vooral Aristoteles leiden staat en overheid af uit de natuur van de mens. De Roomse Kerk oordeelt niet anders. Dan is de staat een scheppingsordening. Deze aristotelische en thomistische leer vindt men ook bij de anglicaanse en moderne lutherse theologen. Bij de laatsten is de staat de realisering van Gods scheppingswil in het volk. Dit antieke staatsbegrip leeft voort in de vormen van volksstaat, sociale staat en christelijke staat. De staat is in al deze gevallen een bepaalde gemeenschap, die opkomt uit de natuur van de mens. Het begrip overheid komt hierbij zeer bepaald te kort, omdat ook de overheid uit de natuur van de mens wordt afgeleid. Het overheidsbegrip wordt uitgehold. De staat krijgt veel meer gewicht dan de overheid.

De Hervorming heeft het antieke staatsbegrip overwonnen. Zij leidt staat en overheid niet af uit de natuur van de mens, maar zoekt hun oorsprong en grond in de zonde. De zonde heeft de instelling van de overheid noodzakelijk gemaakt. De overheid moet met het zwaard de mensen en het leven van de mensen bewaren voor de chaos en de anarchie, die door de zonde veroorzaakt worden. Overheid betekent macht en geweld ter wille van de handhaving van een uiterlijke gerechtigheid.

Deze gedachte heeft twee mogelijkheden van ontwikkeling in zich. Het begrip gerechtigheid kan men laten bepalen door het begrip macht en geweld. Overheid is dan overal aanwezig, waar macht en geweld is. Het resultaat is de machtsstaat. Men kan echter ook het begrip macht en geweld laten bepalen door het begrip gerechtigheid. Overheid is dan overal aanwezig, waar recht is. Het resultaat is de rechtsstaat. Maar in beide gevallen komt de overheid niet op uit de natuur van de mens. Zij komt van boven af. Zij is een ordening van God. Niet uit de mens, het volk, de cultuur wordt de overheid afgeleid, maar uit God. Men zou haar een zondeordening kunnen noemen.

Zowel in het geval, dat men de overheid een scheppingsordening noemt als in het geval, dat men van een zonde-ordening spreekt, ontbreekt de relatie met Christus. De overheid staat los van de openbaring van God in Christus.

Kunnen wij echter over schepping en zonde spreken buiten Christus om?

Steeds meerderen gaan zien, dat het juist op die relatie met Christus aankomt. De hervormers, vooral Calvijn, Calvijn in elk geval meer dan Luther, hebben er iets van vermoed.

In Artikel 36 van de Ned. Geloofsbelijdenis staat, dat de overheid verordend is door onze goede God. Zij is een geschenk van zijn genade. Hier is een relatie met Gods barmhartigheid en dus met Gods openbaring in Christus. En Calvijn spreekt over de overheid in het laatste deel van zijn Institutie, dat tot opschrift heeft: „Over de uiterlijke middelen, waardoor God ons tot de gemeenschap met Christus nodigt en daarin bewaart.”

Hier is de relatie met Christus zeer duidelijk waarneembaar.

De hervormers hebben deze relatie met Christus in hun beschouwing over de overheid echter niet centraal gesteld en niet consequent doorgevoerd. Dat is eigenlijk pas in onze tijd gebeurd.

De gedachte is dan, dat ook de overheid