is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 1, 02-01-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is de conjunctuurdiagnose van prof. Colin Clark juist?

In het 28 November-nummer van de Groene Amsterdammer verscheen een opvallend artikel: „Crisissymptomen in Amerika van de Engelse econoom Colin Clark.

In dit artikel dat uit het Engels vertaald is wordt door Colin Clark het volgend jaar (1954) een economische crisis in de Ver. Staten verwacht. Deze verwachting is gebaseerd op de analyse van een aantal statistisch belangrijke verschijnselen.

Wanneer zich verschijnselen van een verminderde afzet in het binnen- en buitenland voordoen, gaat men de voorraden beperken. De individueel genomen beslissingen op dit gebied kunnen leiden tot een kettingreactie. Dit heeft dan weer tot gevolg dat ook de productie wordt verminderd. De economische activiteit daalt. De werkloosheid gaat stijgen.

Dr. V. d. Woestijne wijdde in ’t bovengenoemd nummer van de Groene en ook H. van Veen in ’t Tijd en Taak-nummer van 28 November aan deze voorspelling aandacht.

Colin Clark is van mening dat de door hem bestudeerde verschijnselen gelijkenis vertonen met die welke aan de grote crisis van 1929 in de Ver. Staten vooraf gingen. Hij acht het daarom zijn plicht een waarschuwend woord te laten horen. Nu Is het nog tijd om maatregelen te treffen die een ramp kunnen voorkomen. Hoe langer men wacht met het nemen van die maatregelen, des te ingrijpender van aard zullen zij moeten zijn, om nog resultaat te hebben. Nodig zijn maatregelen die snel voelbaar worden, zoals bijv. bepaalde belastingverlagingen. Het gaan uitvoeren van grote publieke werken doet de geldsomloop veel te langzaam toenemen. Dergelijke maatregelen zijn daarom niet geschikt, nu het erom gaat snel in te grijpen. Ook van het verstrekken van leningen aan het buitenland verwacht Colin Clark effect, omdat deze vermoedelijk tot een verhoogde af zet van goederen in het buitenland zullen leiden.

Zijn analyse komt kort samengevat eigenlijk hierop neer, dat de koopkracht die het publiek beschikbaar stelt voor het verbruik achterblijft bij het aanbod van goederen en de totale prijswaarde die deze vertegenwoordigt. Het ontstaan van deze situatie is afhankelijk van de gezamenlijke uitwerking van allerlei factoren, die het ontstaan van deze onevenwichtigheid tussen vraag en aanbod bevorderen.

Men kan het ook zo uitdrukken: in onze samenleving zijn economische krachten werkzaam die ertoe leiden tenzij zij tijdig worden onderkend en beheerst dat het productievermogen sneller groeit dan het consumptievermogen. Wij hebben hier dus te doen met een zgn. onderconsumptietheorie.

Colin Ciark tracht ons te suggereren dat eigenlijk een reeks van kleinigheden (indien hun uitwerking in dezelfde richting tendeert en daardoor hun effect cumulatief maakt. Schr.) de oorzaken zijn die een crisis kunnen doen ontstaan.

Zijn analyse, zoals deze in ’t artikel voor ons ligt, is echter in feite onvoldoende diepgaand. Zowel een daling van de uitvoer, een vermindering van de binnen-

landse afzet, een lichte daling van de overheidsuitgaven etc. kunnen natuurlijk bijdragen om het consumptievermogen te verminderen of af te remmen, waardoor deze achterblijft bij het productievermogen.

Maar deze oorzaken zijn zelf weer gevolgen van andere verschijnselen. Verschijnselen die tot nu toe onvoldoende aandacht kregen. De hier bedoelde verschijnselen zijn gedeeltelijk van psychologische en ten dele van technisch-structurele aard. Omdat Colin Clark die niet of nauwelijks in zijn analyse heeft betrokken, kan de diagnose m.i. niet scherp gesteld zijn. Dit oordeel vereist een nadere motivering.

De diepere achtergrond

Welke factoren behoren dan tot die dieper liggende oorzaken? Laat ik deze factoren vragenderwijze invoeren. Daarbij is er niet naar gestreefd volledig te zijn. Nauwgezet onderzoek in elk land kan uitwijzen in welke mate iedere factor afzonderlijk werkzaam is in een ongunstige richting. Ailereerst moet dan iets gezegd worden over sociaal-psychologisch werkzame krachten.

In welke mate stagneert op het ogenblik het doen van uitgaven? Wordt het doen van uitgaven, hetzij voor investeringen, hetzij voor consumptieartikelen vertraagd? Is zich een soort psychische massa-infectie aan het verspreiden, waarbij velen menen hun inkomen in een wat langzamer tempo te moeten besteden omdat winsten verminderen en prijzen dalend zijn?

In ieder geval zou uit een dergelijke situatie een accumulatie van geldmiddelen ontstaan. Een deel der ontvangen inkomens zou dan niet meer of in ieder geval vertraagd en te traag in de actieve geldsomloop terugkeren. In welke mate tekent zich een dergelijk bevriezingsproces in ons economisch leven af? Indien een dergelijk proces afmetingen gaat aannemen zou dit een verstoringsfactor van de eerste orde worden. En hoeveel landen beheersen dit proces op ’t ogenblik technisch in voldoende mate?

Technisch-structurele factoren

Er zijn fundamentele technische oorzaken werkzaam. De technische ontwikkeling schrijdt voort. Zij doet de bedrijven steeds meer „niet-menselijke energie” verbruiken bij ’t productieproces.

De bedrijfsefficiency neemt toe. Men kan met steeds minder menselijke arbeid een eenheidsproduct maken. Dit heeft tot gevolg dat de totale hoeveelheid arbeidsloon weliswaar stijgt, maar de totale prijswaarde van de geproduceerde goederen op de markten nog meer.

Dit verschijnsel behoeft niet te betekenen dat zij, die in de productiesector werkzaam zijn, te weinig ontvangen. Het betekent wel dat het mechanisme, dat de inkomensvorming beheerst: nl. het productieapparaat, relatief te weinig koopkracht distribueert en in de geldsomloop brengt. Daardoor kunnen niet allen die in het economische kringloopproces diensten verrichten en van die geldinkomensvormende functie van ’t productieapparaat indirect

afhankelijk zijn, een redelijk inkomen ontvangen.

Soorten van werkgelegenheid en de beloningstechniek

Prof. Pourastié heeft erop gewezen dat het meest kenmerkende van de technisch-industriële vooruitgang is, dat een steeds groter deel van de totale beroepsbevolking niet meer rechtstreeks aan de productie van goederen kan meedoen. De dienstensector breidt zich in omvang steeds meer uit en daardoor ook de voortbrenging van „niet met winst verkoopbare, maar maatschappelijk toch nuttige diensten.”

Deze laatste bepalen ’t culturele welvaartsniveau van een industriële beschaving. Maar op welke wijze denkt men die diensten te financieren? Het klassieke mechanisme het productieapparaat dat de omvang van de inkomensvorming beheerste, kan deze functie steeds minder doelmatig verrichten naarmate de absolute omvang van de dienstensector toeneemt.

Hier moet naar mijn mening een der meest fundamentele structurele oorzaken worden gezocht, die ’t ruil- en afzetproces verstoren, het vraagstuk der werkgelegenheid zo moeilijk maken en een crisis der industriële cultuur binnen zichtbaar verschiet brengen. *)

Het gevolg van deze situatie is dat het consumptievermogen achter moet gaan lopen bij het productievermogen van goederen en diensten. Indien men de diepgaande verandering in het mechanisme onderkent, dat de inkomensvorming door middel van ’t productie-apparaat beheerst en dit verschijnsel in relatie brengt met de invloed die de technische vindingen reeds op de economische structuur en ’t geldstromenverloop hebben gehad kan dit voorspellende economisten voor myopie behoeden.

Conclusie

Onder de invloed van de technische ontwikkeling wordt het klassieke mechanisme dat de omvang van de inkomensvorming, de verdeling en de afzetmogelijkheden beheerste, steeds meer ontwricht. Daardoor moet de rendabele afzet gaan achterlopen bij het productievermogen.

Prijzen en winsten worden er door aangetast. Dit veroorzaakt een massa-phychologische besmetting waardoor de geldcirculatie stagneert en de economische activiteiten worden afgeremd. De daardoor optredende verschijnselen werken weer versterkend op de groei van crisisverschijnselen.

De door mij vragenderwijs opgeworpen stellingen zijn stuk voor stuk op hun betekenis verifieerbaar, wanneer op een doelmatige wijze gebruik wordt gemaakt van het tegenwoordig bekende statistische materiaal. Wij bezitten de thermometers om af te lezen of onze economische samenleving gezond is dan wel bezig is ernstig ziek te worden. De vraag is slechts of wij die maatschappelijke thermometers zo goed mogelijk weten te gebruiken en niet zullen aarzelen er de, juiste conclusie uit te trekken en daarbij aansluitend doelmatige beslissingen te nemen.

Zolang dit nog niet voldoende wordt begrepen, zullen helaas ook alle pogingen om tot een integratie van Europa te geraken gedoemd zijn te falen.

Wordt echter de diagnose scherper gesteld —■ dan geloof ik dat er reden is om te vertrouwen dat een ernstige economische inzinking vermeden kan worden.

E. V. d. LELY

*) Zie hierover ook het technisch dieper gaande artikei „Europa op de Tweesprong”, tijdschrift Economie Juli/Aug. 1951.