is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 3, 16-01-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch anders, Meneer Gilhuis

De heer T. M. Gilhuis is de onderwijspolemist in „Trouw”. Met scherpe neus en vaardige pen volgt hij alle uitingen in de wereldlijke pers, die dienen kunnen om het christelijke onderwijs te kunnen verdedigen.

Zo heeft hij „Wending” gelezen, en daarin natuurlijk het stuk van Bomhoff. Bomhoff (ónze Bomhoff uiteraard) heeft in het laatste nummer van „Wending”, dat aan de verhouding tussen kunst en kerk gewijd was, enige opmerkingen gemaakt over de kleine terreur der neutralisten. Hij hekelt daarin de manier, waarop buitenkerkelijke critici de kunst van christenen óf voorbijgaan, óf als het onmogelijk is, deze te negeren het christelijke gehalte te verdonkeremanen.

Bomhoff heeft gelijk. En het is goed, dat dit gezegd wordt in een blad, dat ook de aandacht vraagt van buitenkerkelijken. Maar nu verbindt de heer Gilhuis in „Trouw” van 29 Dec. ’53 daar toch een aantal conclusies aan, die ik niet deel. Zeker, wij gunnen hem, dat hij Bomhoff, „doorbraak-man”, zoals hij hem noemt, als kroongetuige naar voren roept om tegen een neutralisme te getuigen, dat inderdaad wel erg smalletjes kan zijn. Wij vragen ons echter af, of hiermee het christelijke onderwijs op zijn wijze te verdedigen valt. En dan zeggen wij: néén.

Integendeel. Deze feiten, die duidelijk zijn, wijzen op een andere weg ter genezing. Naar mijn gevoel dient de heer Gilhuis goed te zien, dat de negatie der neutralisten van alles wat christelijk is niet alleen een stuk domme hooghartigheid, maar ook een stille wraak is. Toen ik op een gymnasium was, in de goede oude tijd, dat daarop ook nog gereformeerde jongeren zaten, was dr. J. Th. de Visser minister van Onderwijs. Het was in die tijd, dat de HBS-en „Nathan der Weise” niet op hun boekenlijstje mochten zien prijken. Wij lazen het natuurlijk wél, juist daarom, en bij mijn weten is geen

enkele gereformeerde jongen daardoor zijn geloof kwijtgeraakt. De Rijks HBS was dus geblokkeerd voor deze vruchten van een humanistisch en tolerant denken. Wij daarentegen lazen Lucifer, Max Havelaar (met de preek van ds. Wawelaar) en Van Schendel. Helemaal cursorisch, in de klas. Wij lazen ook Revius en Camphuyzen. Wij lazen Henriëtte Roland Holst en Gorter. Wij vonden het prachtig en leerden ons er tegen afzetten. Dat was geen probleem, behalve dan dat wij ergens een minachting kregen voor scholen, waar men dit kennelijk niet mocht. Dat waren, naar wij hoorden, christelijke middelbare scholen. De gevoelens van minachting voor zulke scholen heb ik, mede door mijn latere contacten, slechts langzaam kunnen overwinnen.

Zeker, ik weet nu wel, dat er ook toen reeds verschil was tussen de ene christelijke middelbare school en de andere. Ik neem aan, dat een dergelijk literatuurverbod thans niet meer geldt, ook niet meer op christelijke middelbare scholen. Maar is het zo’n wonder, dat mensen, die later niet meer reëel in aanraking komen (tot hun eigen schade) met het christelijke geloof, deze jeugdherinneringen niet kwijtraken? En zij zó reageren: „J. Th. de Visser, schepper van onze onderwijswet, o, ja, die verbood Nathan der Weise.”

Hoe kwam het, dat wij waarlijk niet neutralistisch werden opgevoed? Eenvoudig hierdoor, dat ons gymnasium een lerarenkorps had, waar elke richting op vertegenwoordigd was. Zo moet ik het niet zeggen. Alle invloeden werkten samen onder leiding van een actief-remonstrantse rector en een orthodox-hervormde conrector. Je merkte natuurlijk wel, dat de ene leraar anders was dan de ander, maar je leerde daardoor, dat dit óók een facet was van de wereld, waarin je je weg moest zoeken.

Het terugtrekken van de christenen onder de leraren, mede door het oprichten

van al die christelijke lycea, het zich isoleren op een wijze, die werkelijk niet de anderen tot jaloerse navolging noopte, eerder de minachting vergrootte, is een der oorzaken geworden, waardoor er een buitenkerkelijk, agnostisch, ja in feite nihilistisch intellectuelendom is ontstaan, dat Bomhoff signaleerde.

Let wel, het is één der oorzaken. Niet de voornaamste. De eigenlijke oorzaken liggen dieper. Die zijn te vinden, als wij op zoek gaan naar de geest dezer eeuw, waardoor wij allen, christen of niet, aangestoken zijn. Maar dat is een ander probleem.

Maar het staat voor mij vast, dat de houding der neutralisten tegenover de christelijke cultuuruitingen mede een gevolg is van de houding van een bepaald soort christenen tegenover de cultuur.

Als socialisten hebben wij natuurlijk ook onze bezwaren. Ik ben er niet zeker van, dat de socialistische beweging in alle schoolboeken, gebruikt op de christelijke middelbare scholen, zo wordt behandeld, dat zij zich in de tekening herkent. Het is meestal zo, dat een tekening, waardoor het zich zelf herkent, door anderen als propaganda wordt opgevat. Dat geldt over de gehele linie tot op de huidige dag.

Het probleem, dat hier achter ligt is dit: bestaat er onbevooroordeelde wetenschap. De neutralisten zeggen „Ja” en doen aan anderen tekort. De confessionelen zeggen: „neen” en wringen daarmee anderen in een schema, waar zij zich niet in kunnen terugvinden. Ik meen, dat het mogelijk is, althans bij de geesteswetenschappen, dat men zich zó in de ander in kan leven, dat men hem recht doet wedervaren, zonder eigen visie op te dringen of te verloochenen. Dat is géén neutralisme. Dat is een zaak van eerbied. En ik meen ook, dat het van het Evangelie uit gezien noodzakelijk is, dat men deze methode juist toepast op middelbare scholen. Juist als wij handelen over groepen, die niet in ons schema passen. Ik meen, dat een op die manier geleide, breed samengestelde middelbare school voor moderne christenen de meest aantrekkelijke is.

Nu nog iets.

Terwijl Bomhoff schreef over de neutralisten, komt de heer Gilhuis terecht bij de liberalen. Hij wil beslist niet onder het juk van herleefd liberalisme doorgaan. Nu is mij bekend, dat er in de jaren negentig geen groter scheldwoord voor gereformeerden bestond, dan liberaal. Dat is thans vervangen door socialist. Ik meen echter, dat men het liberalisme bepaald géén recht doet, het te verbinden met de neutralisten, die Bomhoff signaleert. Er is een miezerig liberalisme, zoals er ook een miezerig socialisme en zelfs een miezerig gereformeerdendom is. Maar het liberalisme in zijn grondstructuur, Thorbeckiaans, is waarlijk wél in staat de geestelijke waarde van wie anders denken niet alleen te bevroeden, maar ook tot gelding te doen komen.

Ik ga er mee accoord, zoals de heer Gilhuis schrijft, dat het de taak van christenen is, hun jongeren heen te leiden naar hun oerbestemming, nl. de glorie Gods te verkondigen in deze wereld. Ik verwerp het echter, als hij zegt, dat men de jonge mens daartoe heen moet drijven. Mensen, zelfs jonge mensen, zijn geen kudde vee. De bestemming vindt de mens op de plaats, die God hem gegeven heeft. Dat is, steeds, naar bijbels besef, de ruimte, waarbij hij tot zich zelf moet komen.

Hadden wij maar scholen voldoende, die deze ruimte werkelijk geven. Dat deze ruimte per definitie een christelijke school zou zijn, geloof ik werkelijk niet. Het moet tóch anders, meneer Gilhuis! L. H. R.

verstand betreft, kan ze het ULO-onderwijs wel volgen. Als er dus een stimulans is, volbrengt ze het misschien ook wel.

Nelly N. is een prettige cursiste, van wie op de meisjes, waarmee ze samen is, een positieve leiding uitgaat. Ze is zeer belangstellend en doet actief met alles mee. Wat het huishoudelijk werk betreft: ze ziet het werk, is netjes en vlug. Ook hulpvaardig en ze kan goed met anderen samenwerken. In een gesprek met haar bleek, dat ze veel voelde voor het beroep van gezinsverzorgster. Dit is een goede keus. Ze houdt van kinderen, voelt voor huishoudelijk werk en ze zal zich zeker gauw thuis voelen in een omgeving, waar haar hulp nodig is. Ze is opgewekt en ze kan initiatief nemen. Ze zal de opleiding wel kunnen volgen, wat haar verstandelijke aanleg betreft, terwijl ze met de opleiding tot verpleegster (ook een beroepswens) waarschijnlijk te veel moeite zou hebben. Nel is een echte puber, die deze phase in haar ontwikkeling gezond

beleeft. Ze heeft er behoefte aan, dat haar omgeving ook zo nu en dan toont, dat men van haar houdt.

Anneke schreef ons na een dag of tien, dat ze een kantoorbetrekking had aangenomen. Trots een beetje, want er waren drie candidaten geweest en zij was gekozen! En Nel kwam juist op tijd thuis, want haar moeder was ziek. Betsy gaat weer naar school, die wil klnderverzorgster worden en Co heeft al een plaatsje gevonden in de keuken van een grote inrichting. Ze heeft behoefte aan veel lichaamsbeweging en kan haar hart ophalen aan het sjouwen met grote pannen en het tillen van zware teilen! Alles natuurlijk aangepast aan haar jeugdige kracht!

En als zo vaak volgen we deze kinderen met belangstelling en hopen we, dat de Vonk lets heeft mogen doen, om ze duidelijker te doen zien, wat de beste weg is voor hen. C. H. D.