is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 10, 06-03-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPSCHEPPEN MAAR, JONGENS!

Slecht weer op de vrije Woensdagmiddag, dat betekent: binnenblijven. „’t Scheelt me niks,” zegt onze jongste, „ik weet nog zoveel werkjes om te doen.” Z’n broers vinden het ook niet erg dat het regent: de ene heeft nog een bouwplaat om uit te knippen en de andere zit al te tekenen. Een poosje later hoor ik ze alle drie fluiten, elk een eigen deun: daar in de kamer wordt gewerkt! De bel gaat. Kees staat voor de deur. Dat geeft even deining: het wonder Kees komt er aan!

Kees, die nooit een fout heeft op school, die alles kan, die alles weet. Kees, de hevig bewonderde vriend van onze 7-jarige zoon. We hebben al heel wat sterke verhalen over Kees gehoord: onze verwachtingen zijn hoog gespannen! „Zullen we met je auto’s gaan rijden,” begint Kees.

,flè nee, ik ben nou net zo fijn aan ’t knippen. Je mag wel meedoen. Daar ligt nog een schaar.” „Wat moet het eigenlijk worden?”

„Het Muiderslot,” „O, ik heb er thuis een van een auto, maar die is nog niet af.” „Wat is het voor merk?” „Een Renault.”

„Kees, weet jij wat dat betekent: Muiderslot,” vraagt de jongste. „Ja hoor, ik ben er wel eens boven op geweest. Het zijn hoge torens en een oud huis, een soort kasteel.” „Moeder heeft gezegd dat wij misschien

van de zomer er heen gaan met een bus.” „O, ik ben er met een auto geweest. Ik ga vaak uit met een auto. Ik ben ook in Duitsland geweest in de vacantie.”

„En wij zijn lekker in Friesland geweest, in Kortehemmen bij juffrouw Gorter en als het weer zomer wordt, gaan we er weer heen. Dat is een lange reis, naar Friesland!” „En wij gaan van de zomer naar Frankrijk.”

Nou wordt het toch te bar, vindt de oudste. „Hé, ik dacht, dat je dan wél eens naar Engeland zou gaan.” Maar Kees gaat rustig door: „Daar is m’n vader pas geweest met een vliegtuig.”

„En onze vader is wel eens naar Parijs geweest in een vliegtuig.” Als ik even binnenloop om wat uit de kast te halen zie ik ze met rooie koppen om de tafel zitten. Geknipt wordt er niet meer, „Vader in het vliegtuig” eist alle aandacht op.

„En toen mijn vader weer terugging uit Engeland, ging hij met een bus naar het vliegveld en toen-dacht hij dat hij er was, maar dat wds niet zo, want op het vliegveld moest hij weer in een andere bus om bij het vliegtuig te komen. Zó groot is daar in Engeland het vliegveld.” „En mijn vader kreeg een zakje zout en een zakje peper in het vliegtuig,” herinnert zich onze 5-jarige. „Zout? Wat gek! Mijn vader kreeg suiker.” „Ja, maar dat zout hoorde bij het warme

eten, maar onze vader heeft het bewaard om het ons te laten zien.”

„Nou, die suiker was voor de thee, want mijn vader ging ontbijten in het vliegtuig, zo vroeg was hij weggegaan. En raad nou eens, hoe laat hij terugkwam in de nacht? Dat kun je niet raden. Het was precies één minuut voor twaalven. Ik was wakker gebleven, die avond, en ik hoorde het vliegtuig met m’n vader erin over ons huis vliegen, om half elf denk ik zo ongeveer.”

De jongsten kijken Kees bewonderend aan, maar dan klinkt het opeens uit de hoek bij het raam, waar zo druk getekend werd, wél een tikje spottend: „En toen heb jij zeker het raam opengedaan en toen ben je gaan wuiven en je vader woof zeker terug, hè?”

Dan lachen ze allemaal. Ze pakken de scharen weer beet en ons drietal zingt de lievelingsdeun van de laatste weken, die ze „Ons volkslied” noemen:

„Hatoea, hatsjeori, hatsjeori, hatsjeori!”

R. B.—V. R

Nadere toelichting

Gaarne maak ik van de mij geboden gelegenheid gebruik een naschrift te plaatsen bij het ingezonden stuk van mijn pg. V. Veen (T. en T. 27 Febr.).

1. Ofschoon de consequentie van het zwijgen over rechterlijke uitspraken, totdat de hoogste rechter heeft beslist, inderdaad niet steeds bevredigend is, nl. in die gevallen, waarin men tevergeefs op het instellen van hoger beroep wacht, is mij nogmaals na informatie gebleken, dat het in journalistieke kringen gebruikelijk is om de grootste reserve in acht te nemen, wanneer men weet, dat een principiële uitspraak van de hoogste rechter aanstaande is.

Ik ken dan ook verschillende bladen, die zulks doen. Het is bovendien in het belang van de pers zelf, daar men moeilijk het risico kan lopen zijn betoog te moeten inslikken, wanneer de Hoge Raad het standpunt van de desbetreffende krant niet blijkt te delen.

Wat het onderhavige geval betreft: wanneer V. Veen goed gelezen heeft, heeft hij toch ook moeten zien, dat ik het in dit geval wel heel moeilijk vond voor „HW” om te zwijgen; dat ik dus a.h.w. mijn hand over mijn hart streek.

2. Het was beter geweest, dat ik het K.B. E 102 letterlijk had geciteerd: dan had ik voorkomen, dat pg. v. Veen kon menen, dat ik het woord „streven” over het hoofd had gezien. Of dit woord er staat of niet staat, maakt voor mij weinig verschil, daar ik juist betoog, dat dit streven zo gemakkelijk is te camoufleren, des te meer omdat het fascisme anno 1954 over ’t algemeen niet als een voortzetting van de NSB en de 33 aanverwante organisaties kan worden beschouwd, omdat iedere tijd zijn eigen type van fascisme kent en dit zich steeds wijzigende fascisme niet met gelegenheidswetgeving is te achterhalen. Wanneer we alle fascisme willen zien als een voortzetting van het streven van wijlen de NSB + 33 satellieten dan is dit toch werkelijk te veel eer voor deze organisaties!

J. A. DE JONG

Vervolg van pagina 3

cipieel verschil er is tussen de affiches, die vrolijke jongens laten zien, die het heerlijk vinden bij het leger of de marine, en de affiches, die de Duitsers op onze muren plakten, met even zo frisse jongensgezichten, om te zeggen, dat het prettig dienen was bij de Kriegsmarine. Weet men dan bovendien nog iets af van hetgeen op sommige scholen is geschied, en met vele jongens, dan weten wij niet meer, wat voor verschil er is tussen de Duitsers en de Nederlandse legerautoriteiten.

Ons volk heeft van het militarisme altijd een diepe afkeer gehad. Niet, omdat het zijn onafhankelijk bestaan niet, desnoods te zwaard, zou willen verdedigen. De luttele oorlogsdagen hebben dat voldoende getoond en de hevige strijd tegen de bezetter liet het vijf jaar lang in toenemende mate zien. Wij blijven de velen eren, die goed en bloed in die strijd voor ons allen hebben gegeven. Ons volk zou daar weer toe bereid zijn. Maar, het heeft in het Pruisische nationalisme altijd en terecht het grote gevaar gezien van het soldaat zijn als métier. Daartegen is de innerlijke weerstand altijd zeer groot geweest. En daarom is ons volk niet militaristisch en begaat ieder die het wil maken, een misdaad aan dat volk.

Ik zeg dus niet, dat wij in omstandigheden verkeren, dat wij geen weermacht nodig hebben. Ik wil zelfs wel zeggen, dat, indien een leger nodig is, het ook een goed leger moet zijn. Maar tegelijkertijd weet ik, dat elk goed leger een gevaar in zich bergt, om-

dat het nooit zijn eigen grenzen ziet en kent. En iedereen weet, dat als in practijk moet worden gebracht, wat dan wordt geleerd, dit alleen maar vernietiging, ellende en ondergang met zich meebrengt. De vorige oorlog is op tal van punten, zoals dagelijks nog blijkt, nog immer niet „gewonnen”; een volgende zal door niemand meer gewonnen kunnen worden.

Nu heb ik nog niets gezegd over datgene, dat mij als christen dan nog bovenmate bindt en benauwt. Men behoeft waarlijk geen lid van „Kerk en Vrede” te zijn al is het allerminst een schande óm het te zijn om als christen gebonden te zijn in zijn consciëntie en te weten, dat het een goddeloze zaak is om jongens te leren hoe zij de „vijand” moeten doorsteken e.t.q. Wie een beetje weet wat het zeggen wil om in een moderne oorlog een geoefend soldaat te kunnen zijn, huivert bij de gedachte, dat hij ergens er debet aan is, dat de theorie nog eens practijk zal worden. Hij dekt zich dan met het oude adagium: si vis pacem, para helium. Dat was dan een romeins adagimn. Maar bijbels is het in elk geval niet.

Een christelijk dagblad zou de christenen die het lezen, ten minste moeten helpen om uit hun conflict te komen ten deze. Zoals de Hervormde Kerk dat gedaan heeft, zonder dat zij, natuurlijk, van de wereld een andere wereld kan maken. Maar, wanneer nu juist aan christelijke kant gezegd wordt, hoe heerlijk het allemaal is ja, wat moet ik met zo’n christendom en, wat erger en belangrijker is, wat moet die wéreld ermee? N. G. J. V. S.