is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 13, 27-03-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vraag van een bioloog aan zijn collega

Amice, Jij, met je training in het hanteren van de taal en van theologisch-philosophische vraagstukken, jij moet me eens helpen. Natuurlijk kan dat ook op vele momenten elders, maar ik meende nu dat dit eens geen onderonsje mocht blijven. Te meer daar ik weet, dat het volgende ook jou niet met rust laat.

Het begon zo, ja precies weet ik dat niet meer, maar in de dertiger jaren las ik een boek van Keiler: „De onbekende God”. En nu enkele maanden geleden las ik een boek van R. Junck: „De toekomst is reeds begonnen”, terwijl ik kortgeleden een conferentie meemaakte in het Eykmanhuis, die me ook op het punt waar het bij mij om gaat niet met rust liet.

Laat ik achterstevoren beginnen. In de discussies van deze conferentie over „Nieuwe normen, nieuwe vormen” kwam duidelijk naar voren, dat de Kerk omtrent het eeuweinde een beslissend moment heeft voorbij laten gaan, waardoor ontelbaren zich van haar afkeerden. Dat is nu nog een schuldenlast van ons. In grote kringen echter komt toch steeds meer het besef, dat men niet weer zo’n decisief moment in de historie mag laten voorbijgaan. Wij als „Kerk” moeten steeds beter leren het „waakt en bidt”.

Op deze conferentie kwam naar voren, dat nu wellicht het moment zal gaan aanbreken, dat de Kerk moet gaan waarschuwen tegen de vermechanisering en de vermilitarisering van het leven. Hier komt de

mens en zijn opdracht in gevaar en bij het zoeken naar de nieuwe normen voor zijn handelen zal de Kerk hem niet alleen mogen laten tobben. Luister even naar het boek van Junck (een journalistiek werk, ik weet dat, maar... toch!)

Hij spreekt er van schoonheid in Amerika als koopwaar. Daar zijn we het snel over eens. Maar verder over de „lie-detector”, de leugenontdekker gebruikt bij ... sollicitatietests. Over spionmicrofoontjes bij de arbeidsanalyst, of onder de toonbanken. Over de bedrijfspsycho-analyst als biechtvader, om de mensen eens „rustig over hun zorgen te laten vertellen; want opgelucht doen ze hun werk opgeruimder, dus beter; en dus stijgen de productie, de omzet, de winst, de aandelen.” Is dit niet een perversie, een geestelijke duikbotenoorlog?

Maar nu kom ik op mijn biologisch terrein.

Op blz. 204 in Juncks boek heet het hoofdstuk: „Nieuwe houding tegenover het dier”. En vooraf een hoofdstuk: „De kippenhemel”. Kalkoenen gekweekt precies op maat voor moderne fornuizen en ijskasten. Kippen met speciaal zwakke botjes, erg vet vlees en zonder vleugels. In plaats van 166 eieren, nu 215 per hen per jaar. Braadkippen i.p.v. in 12 weken in 9 weken op de markt. Hormoonpraeparaten (stilbeustrolinjecties achter de kam) maken kapoenen, én veel malser én 30 pet. goedkoper. Maar eet de hals niet mee, anders krijgt de eter ook kapoenkwaliteiten! Over klavervelden laat men zes tot zeven maal zoveel

bijen uitzwermen als vroeger. De diertjes krijger; nu geen nectar genoeg en knijpen uit honger alle bloempjes open, maar bestuiven er nu zoveel, dat de groenvoerproductie met 500 pot. toeneemt. De bijen sterven bij horden, maar de bijenhouder verdient méér aan het verhuren van zijn volken dan aan het „bijproduct” de honing, waarmee voor hem de kous af is. Niet voor allen echter, want de schrijver sprak één die er tussenuit kneep, omdat hij niet „God onder zijn duiven wil schieten en (de man houdt van de natuur) zijn schepselen erger dan de ergste slavenhouder wil uitbuiten”...

De succesvolle farmer: „wij beschouwen onze koeien in de eerste plaats als machines.” De K.I. bij de dieren! K.I. = kunstmatige inseminatie. Realiseer je dat bij elke paring enkele millioenen zaadcellen verloren gaan. In de veeteelt ziet men node van stamboekvee zulk een verkwisting van prachtmogelijkheden. (Mijn vrouw maakte bezwaren tegen het volledig citeren van wat Junck erover schrijft). Deze „stierservice” met een kunstkoe van met vel overtrokken draadwerk en kunstmatig vrouwelijke geslachtsorganen, waarbij het mannelijk dier in een grauwbetonnen gang nooit anders dan één richting kan gaan, laat niets meer verloren gaan en bovendien loopt de stier niet het risico van ziek worden. De technicus zegt: „Er zijn maar weinigen, die weigeren.”

Ik weet, collega, dat de biologie nog véél meer kan en ook, dat daardoor de vergrote productie met veel betere kwaliteit aan nog meer mensen ten goede kan komen. Ik weet ook, dat vivisectie aan meer mensen het leven geschonken heeft, dan wanneer deze niet zou zijn toegepast.

En toch, collega, haakt in mij het verhaal van het manna in de woestijn. De goddelijke „Verkwister” stond niet toe, dat zijn overvloed gereglementeerd werd.

En nu wat me uit A. Keilers boek heugt. Hij beschrijft een benauwde droom. Hij ziet daarin een kalf, dat hem met grote donkere ogen aanziet en hem woordeloos vraagt: „Wat hebt gij, mens, met mij gedaan?”

Nee collega, je kent me, ik ben geen vegetariër. Ik ben ervan overtuigd, dat de mens dierlijke eiwitten nodig heeft. Ik weet ook, dat aan de mens macht is gegeven over al wat leeft en wat niet leeft op aarde. Zou God, zonder Wiens Wil geen musje ter aarde valt en die duizenden mussen in de kou van honger laat omkomen, soms groter dierenkweller zijn, dan de ideaal-kippenfokker, die zijn kippen zachte muziek en langere belichting geeft om de leg te stimuleren, in een onbesproken ideale „levensruimte” van een roestvrije stalen kooi? Is het geluk van de mens aan deze ideaalfokkerij gebonden?

En waar liggen de grenzen van deze mogelijkheden? Zij hoeven toch bij de mens niet op te houden? Ook K.I. of een kunstmoeder? (Lees Huxley „The brave new World”). Gedoseerde hormoonpreparaten voor bevrediging van elke aandrift? Qngebreideld-heer-van-al-’t-levende? Euthanasie?

Amice, hier móét de Kerk een woord hebben, voor ons biologen, medici, dierenartsen, landbouwers, veefokkers, boeren. Hier, in de betrekking God-mens-natuur. Ik zie graag je antwoord tegemoet, amice, want hier vrees ik, dat een beslissend moment voorbij kan gaan!

Je collega

’ A. W. MOLL

(R. Junck „De toekomst is reeds begonnen”, macht en onmacht van Amerika. Uitgave Lannoo—Tielt, 348 blz. ƒ8,90).

(Vervolg van pagina 3) de maatschappij, het volk, de wereld geen eisen stellen aan de artist, is er dus geen heil te vinden in geleide kunst, dit betekent niet, dat de artist zich niet bewust moet zijn van de samenhang met zijn omgeving. Het gaat er zeker om voor de artist, dat hij de grenzen van zijn egocentriciteit weet te doorbreken. Dit moet geschieden door zelfherziening, niet door vrijheidsbeperking van buiten af.

Er volgde op beide toespraken een uitvoerige gedachtenwisseling; deze hier weer te geven, zou te veel ruimte opeisen.

Dat zulke kunstenaarsdagen belangrijk zijn, ook al werpen ze niet onmiddellijk practische resultaten af, werd op deze dag weer duidelijk gevoeld en bewezen.

Een enkel woord nog over de onder

auspiciën van de Vara aangeboden muziek, ten gehore gebracht door de muziekkring „Obrecht”. Dit muziekgezelschap beijvert zich muziek uit de middeleeuwen uit te voeren met de middelen, die toen werden gebruikt. Zo konden we de muziek beluisteren van meesters als Obrecht, Des Prés, Morley, Dufay e.a., voortgebracht op vedel, harp, fluit en luit.

En zo fijnzinnig en ingetogen, zo puur en beschroomd klonk deze schone en simpele muziek, dat het was of we in dat uur omvangen waren door een droom uit vervlogen eeuwen. En men zou alleen wensen, nog eens deze muziek te horen uitvoeren in een volkomen van de buitenwereld afgesloten zaal, bij kaarslicht bijvoorbeeld, als in de Renaissancezaal van het Frans Halsmuseum te Haarlem. JOHAN TOOT