is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 18, 01-05-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten is dus bijzonder ongunstig. Het kan eigenlijk niet veel meer dan eisen en verlangens ter tafel brengen, terwijl het op grond van de werkelijke situatie concessies zou moeten doen. De enige werkelijke mogelijkheden zijn vooralsnog de politiek van de gebalde vuist met het daaruit voortvloeiende oorlogsrisico, of wel de militaire inmenging op bescheidener schaal met een wapenstilstand in een later stadium. Beide mogelijkheden hebben hun vele griezelige kanten. En het alternatief? Het verlies maar nemen, en proberen het in de toekomst beter te doen? Elke verwachting in deze richting lijkt ons voorlopig irreëel, ofschoon zo’n besluit op de keper beschouwd de meest reële manier is om zich uit dit wespennest te bevrijden.

Het is nl. dringend nodig, dat het Westen zijn politiek herziet. Op de huidige manier is het op kritieke momenten niet tegen het communisme opgewassen. Wat moet er bijv. gebeuren als India zijn positie nog

verder neutraliseert? Of als Japan weigert als (hetgeen helemaal niet is uitgesloten) in Indonesië de communistische invloed nog sterker wordt?

Moeten dan deze landen tegen zich zelf beschermd worden? Moet dan daar ook maar gewapenderhand worden opgetreden ten einde de (overigens zeer belangrijke) Westerse strategische positie te behouden? Het ziet er naar uit, dat het Westen zich zelf langzaam maar zeker verslaat.

De enige mogelijkheid voor het Westen is de nog niet communistische Aziatische volken tot werkelijke bondgenoten te maken. Misschien kan dat nog, als het Westen bereid is deze volken te helpen op hun moeizame weg naar werkelijke vrijheid, politiek, maar ook sociaal en economisch. Dat vergt een wezenlijk andere mentaliteit, en bovendien ontzaglijk veel geld. Ofschoon al het geld, dat aan de oorlog in Indo-China is besteed, voor dat doel reeds wonderen had kunnen doen. H. VAN VEEN

Ruimer aanpak mogelijk

Tijdens de behandeling van de begroting van defensie in de Tweede Kamer heeft minister Staf een nota moeten toezeggen om zijn beleid nader uiteen te zetten. Dit gold meer in het bijzonder zijn voornemen om in plaats van drie divisies vijf divisies op te leiden en uit te rusten van 1955—1957. Laten wij de propagandapoespas rusten die de reis van minister Staf begeleid heeft en het heeft willen voorstellen of de Nederlandse plannen instemming vonden aan de overkant, want zij waren immers juist op verzoek van Amerika opgesteld.

In de Eerste Kamer werd het vijf-divisieplan heel wat gunstiger ontvangen dan in de Tweede Kamer, maar dat neemt niet weg dat de vertegenwoordiger van de Partij van de Arbeid verklaard heeft, dat een beslissing door de Partij nog niet is genomen. Wat betekent dit?

Betekent dit, dat de mogelijkheid bestaat dat ook deze plannen de goedkeuring van de Nederlandse Socialistische Partij zullen verwerven? En hoe zal dan die beslissing genomen worden? Zullen de leden en de afdelingen in de gelegenheid worden gesteld zich over de zeer grote belangen uit te spreken die hier op het spel staan? De AR-afgevaardigde Algra heeft in de Eerste Kamer een verklaring afgelegd die erop neerkomt dat de Nederlandse economie in de volgende jaren een ruimer aanpak toe zou staan. Een ruimer aanpak waarvan, is hier de vraag? Van het Nederlandse onderwijs? Van de bijdragen van Nederland aan de vredesopbouw van de VN in het algemeen en aan het Speciale Fonds voor de economische ontwikkeling van achtergebleven gebieden in het bijzonder? Is het niet zeer voor de hand liggend, dat de Partij die zich van de Arbeid noemt een speciaal congres over de buitenlandse en de defensiepolitiek belegt, nu de regering opnieuw komt met voorstellen om de militaire veiligheidsmaatregelen te vergroten? Zijn het niet de producenten van hoofd en hand die recht hebben om gehoord te worden? Dit klemt te meer nu de gehele theorie waarop de militaire defensiemaatregelen

door de PvdA zijn goedgekeurd, verouderd is. Verouderd door de ontwikkeling van de militaire atoomtechniek.

Uit het artikel van ir. H. Vos in „Socialisme en Democratie” van Juni 1952 0.a., blijkt, dat de deelname van de PvdA aan de bewapeningsmaatregelen van Nederland in het kader van het Atlantisch Pact en eveneens haar instemming met de EDO, gebaseerd waren op de militaire overmachtstheorie. Deze theorie is verouderd. Militaire overmacht is niet meer mogelijk. J. Hulsebosch heeft in het nunimer van T. en T. van 7 October 1953 „Spel der machten” uitvoerig stil gestaan bij de verschuivingen die sedert 12 Augustus 1953 in de militair strategische wereldverhoudingen zijn opgetreden. En sedert 1 Maart 1954 zijn deze feiten ook tot de grote massa van het wereldpubliek doorgedrongen.

Thans is het meer dan ooit tijd dat alle organen die zich met het bestuur van de grotere en kleinere mensengemeenschappen bezighouden, een standpunt bepalen tegenover de vraag: Kan en mag dit zo doorgaan? Is er geen andere weg? En vooral met de vraag zoals deze door de Ned. Hervormde Synode op 3 Juli 1952 werd gesteld: „Wij kunnen niet nalaten ons met schrik af te vragen of de ongerechtigheid, waarmee gestreden wordt, niet soms even erg of erger is dan de ongerechtigheid waartegen de strijd gaat.” M.a.w. of als wij bij de verdediging van de Westeuropese cultuur geen andere wapenen weten aan te voeren dan de H-bom of er dan kort en goed nog wel van het verdedigen van een beschaving gesproken kan worden. Het wordt aan steeds groter delen van de mensheid duidelijk dat wij op deze militaristische weg niet kunnen en mogen doorgaan. Juist het spreekwoordelijke Coventry is hier voorgegaan! Laten wij daarom beginnen die delen die ontwapend zijn niet te herbewapenen. Duitsland, Japan. En laten die landen die tot een ruimer aanpak in staat zijn Nederland beginnen die middelen voor een positieve verdediging te bestemmen.

JOH. W. E. RIEMENS

De onderdrukking van de dilettant

Het artikel „Lof van het dilettantisme” in T. en T. van 17 April jl. brengt mijn pen als vanzelf in beweging, omdat het een „trap tegen het zere been” is. Ik loop namelijk al lang rond met allerlei gedachten over en soms ook grieven tegen zowel het specialistendom als het dilettantisme. En al ben ik niet van plan met Ruitenberg te discussiëren over de vraag, of zijn diagnose in alle opzichten juist is, het moet me van het hart, dat ze eenzijdig is, als ze tot tweemaal toe constateert, „dat de dilettanten verstek laten gaan.” Daarbij wordt evenwel de andere kant van de zaak onderbelicht: dat in deze tijd de eeuw van de managers! de „dilettant”, de niet-„deskundige” ach, hadden we wat minder „deskundigen” en wat meer ter-zake-kundigen! er doodeenvoudig niet aan te pas komt, wanneer het om „de grote vragen van onze tijd” gaat. De „leek” is alleen maar goed om te dienen als enquête-materiaal want we enquêteren alles en nóg wat; we hebben „Bronnenboeken”; we kennen het Nipo; we maken statistieken ohne Ende. En de leek mag proberen, zich zelf en zijn evennaaste uit de tellingen, rubriceringen en „gewogen” cijfers te herkennen. Maar wee zijn gebeente, als hij daarna durft blijk geven van een eigen oordeel!

Waarlijk, de dilettant kr ij g t niet zómaar een minderwaardigheidscomplex; het wordt hem, als hij niet bereid is, het zich zelf aan te meten, wel aangepraat. Want alléén de „intellectueel” en die benaming schijnt tegenwoordig minder te worden toegepast op mensen met intellect dan op hen, die, hoe dan ook, een academische titel hebben weten te veroveren is deskundig. Commissie A roept sollicitanten op voor een betrekking van secretaris voor 2 a 3 dagen per week: academische vorming gewenst (welke?). Raad B kan, hoewel vroeger een „gewone” onderwijzer het werk deed, nü alleen maar een predikant gebruiken. Fabriek C heeft voor de functie van „leider van de afdeling vorming in haar bedrijf” een meester in de rechten nodig. Een rusthuis kiest als directeur eveneens een jurist (om de testamenten van de bejaarden te toetsen of zo?). En zelfs „Tijd en Taak”, waarin de „Lof van het dilettantisme” bezongen wordt, heeft een redactie, die bestaat uit twee dominees en een doctor in de letteren: de „des”kundigen.

„Hoe wijs was het van de mannen der Reformatie, om kerkeraden in te stellen met ouderlingen en diakenen.” Ja, en hoe stom was de kerk, om zich zelf te degraderen tot domineeskerk; en hoe stom is de kerk, als ze nu het „gewone gemeentelid” het odium van ondeskundigheid oplegt en de idee der minder geschiktheid opdringt. We klagen dag en nacht in allerlei toonaarden, dat „de achterban” zo weinig belangstelling heeft maar hoe kómt dat? Is één van de redenen niet, dat het gemeentelid alleen maar deugt tot „offeren”? „We zijn maar domme mensen,” zegt men hier. „Meneer moet het maar weten; dominee moet het maar doen; meester moet het maar zeggen.” Aan wie