is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 29, 17-07-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat is politiek?

Enige tijd geleden merkte de N.R.Ct. enigermate bits op, dat de schrijver der hoofdartikelen in Trouw de dingen wel scherp, maar ook onjuist zegt. Door de scherpte en de abruptheid laat men zich wel eens imponeren, en bemerkt dan niet, dat de essentie van de gestelde zaak geweld wordt aangedaan. Deze opmerking leek mij niet geheel juist, hoewel de abruptheid en de versimpeling van het probleem wel eens de indruk vestigen van onberadenheid. Het grote voordeel van deze stijl is echter de aangename leesbaarheid en dat maakt veel goed.

Bloeiende doronicum, een bron van honing

Een voorbeeld daarvan wil ik graag signaleren, niet om het bovenstaande te bewijzen, maar omdat het voorbeeld zelf misschien ook weer eens aantoont, waarin anti-revolutionnairen van het van deze schrijver en socialisten van elkaar verschillen.

In Trouw van 28 April 1954 staat een hoofdartikel, waarin de schrijver reageert op een artikel over de meningsverschillen in de Partij van de Arbeid over de radio. Trouw meent, dat deze verschillen wel degelijk het wezenlijke van de politiek raken en bewijst dat met de volgende zin:

„Want het gaat in de politiek om de staat, om wat de staat moet en wat de staat mag.”

Dit noem ik nu een duidelijke versimpeling. Er is zelfs sprake van een duidelijke onjuistheid. Daar wordt immers beweerd, dat het politiek alleen maar gaat om de staat en diens bevoegdheden. De socialisten zo behoort de lezer te denken! zijn de mensen die voorstanders zijn van het geven van grote bevoegdheden aan de staat. De anti’s zijn de mensen, die weten van de grenzen van de staatsbevoegdheden. Maar het gaat in de politiek om veel meer dan alleen om de staat. Het gaat naar een heel wat meer doordachte omschrijving van politiek om het vorm en gestalte geven, het opwekken en beteugelen van maatschappelijke krachten. En deze krachten moeten in dienst gesteld worden van de mens en niet in dienst van de staat of de maatschappij. De staat is er niet om

zich zelf en de maatschappij is er niet voor zich zelf, maar alles dient de mens. En zo zullen de christenen daaraan toevoegen deze mens dient samen met andere mensen zijn Schepper en Verlosser.

Politiek is dus niet het opsommen van wat de staat wel en niet mag doen. Politiek is het kanaliseren van de in de maatschappij tot uiting komende impulsen. Deze impulsen kunnen verkeerd zijn en dan dient de politiek tot beteugeling. Deze impulsen kunnen ook gewenst zijn en dan dient men ze te bevorderen.

Met deze omschrijving valt heel wat meer te doen dan met die van Trouw. Dan immers kan men aansturen op een samenleving, waarin recht en gerechtigheid heerseri, hetgeen soms te realiseren zal zijn met en soms zonder staatsingrijpen. Het is nl. een oud fabeltje, dat de socialisten zo verzot zijn op staatsingrijpen. Socialisten zijn gericht op het bouwen van een samenleving, waarin gerechtigheid heerst, d.w.z. waarin ieder het zijne krijgt. Helaas is het harde werkelijkheid, dat de individuele mens en de individuele groep vaak geneigd zijn slechts te denken aan het eigen recht en niet aan dat der anderen. Dan maar alleen dan! heeft de staat niet alleen het recht, maar ook de plicht in te grijpen en te zorgen, dat de andere ook het zijne krijgt.

Dit is zo vanzelfsprekend op het terrein van het bestaande straf- en burgerlijke recht, dat er geen enkele groep in Nederland is, die piekert over de vraag of de justitie wel tot ingrijpen mag overgaan, indien er een diefstal heeft plaatsgevonden, of wanneer een aanrijding is geschied. Maar op grond van een volstrekt liberale conceptie is men afkerig van het rechtsbestel, indien een ingrijpen van de staat op economisch of sociaal gebied nodig is. Terecht heeft men dan ook wel eens gevraagd, of aan sommige uitwerkingen van het beginsel der souvereiniteit in eigen kring, met name waar het gaat om de relatie tussen staat en bedrijf, niet ten grondslag ligt de negentiende-eeuwse liberalistische gedachte van de staatsonthouding. En of men nu dit beestje al een godsdienstig jasje aan-

trekt, de scherpe toeschouwer kijkt wel door dit jasje heen. Het is daarbij alleen maar gelukkig zij het wat zielig dat velen in anti-revolutionaire kring niet eens meer zien, hoe het beestje er zelf uit ziet. Want als men het wel zag, zou men in wezen verzet plegen tegen het christelijke gebod van het gerechtigheid uitoefenen.

De staat is er slechts om de mens! Dat is een goed-socialistisch dogma. Niet de staat is primair, maar de mens. Geef de staat zo weinig mogelijk bevoegdheden en de mens zoveel mogelijk. Maar de nadruk valt dan op zo weinig mogelijk en zoveel mogelijk. De socialist is nu eenmaal niet zonder meer optimistisch over de geneigdheid van de mens en de christensociaUst is dat zeker niet. De tot het kwaad geneigde mens moet men ter wille juist van de menselijkheid en de gerechtigheid in de gaten houden. In onze maatschappij doet o.a. de staat dat. Het valt te veronderstellen, dat er ook een samenleving mogelijk is, waarin andere instituten dit doen. De staat kan Ik in de Bijbel niet als scheppingsordening terugvinden en ik verzet mij dan ook tegen bepaalde neo-calvinistische meningen dienaangaande, omdat deze m.i. onschriftuurlijk zijn.

In de Partij van de Arbeid is er verschil van mening over het fundament van het gezag van de staat. Maar dat is er in ARkring eveneens. De theocraten denken daarover anders dan de democraten. En laat men in AR-kring niet te snel menen, dat deze zaak onbelangrijk is. Zulke vragen doen zich regelmatig voor, bijv. bij de kwestie van de subsidiëring van de humanistische geestelijke verzorging en binnenkort weer bij de vraag over de processiekwestie. Dan gaat het weer over de inhoud van art. 36 der Nederlandse geloofsbelijdenis en dan staan zowel in Partij van de Arbeid- als in AR-kring tegenover elkaar zij, die menen, dat de staat van Godswege geroepen is tot bepaalde maatregelen ook in dit soort zaken, en zij, die menen, dat de staat in dit soort vragen in een veelkleurige samenleving neutraal behoort te zijn. Wij zijn in Nederland nog lang niet klaar met de vraag naar het fundament van het staatsgezag en het is onjuist om daarbij alleen de Partij van de Arbeid verwijten te doen.

Maar zefs al zou op den duur in elke partij , behalve de Partij van de Arbeid, volstrekte eenheid van visie in zake het staatsgezag aanwezig zijn, dan nog zou dit niets zeggen over de Partij van de Arbeid, die als politieke partij maar zeer ten dele te maken heeft met vragen over het staatsgezag. Politiek is immers niet allereerst de vraag naar wat de staat mag doen en niet mag doen, maar is het leiding en vorm geven aan maatschappelijke krachten. Dat daarenboven de Partij van de Arbeid wil steunen op een geestelijk federalisme, waarin voorwaarde is, dat de band tussen godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging enerzijds en politieke beslissingen anderzijds zeer gewenst wordt, ontstaat de mogelijkheid om binnen partijverband in gezamenlijke verantwoordelijkheid de weg te zoeken, waarlangs de maatschappij in al haar algemene geledingen dient te gaan. Meningsverschil daarover, bijv. op terrein van de radio, is geen zwakte, maar integendeel een bewijs van veerkracht en openheid, te meer, daar allen op grond van de partijstructuur beseffen, dat men elkaar bij vele beslissingen moet vrij laten. Daarom is een volledige partijdiscipline bij het nieuwe partij type, dat de Partij van de Arbeid vertoont, dan ook volkomen onmogelijk. Dat het systeem der democratie daardoor gediend is, zal wel geen verdere verdediging behoeven.

Rotterdam. J. G. VAN DER PLOEG