is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 32, 14-08-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan wie danken \ wij de humoristische films?

Wie zorgen voor de humor in de film? De grappenmakers of de regisseurs?

Altijd en altijd weer: de regisseur! Voorbeelden? Ernst Lubitsch (denk aan „Ninotschka”, de enige film waarin Greta Garbo voorgoed aanvaardbaar is). René Clair met o.m. „Le chapeau de paille d’ltalie”, „Le million”, „A nous la liberté”, „Spook te koop”, „Les belles de nuit”), Blasetti en soms Zampa (met hun sociale satire, bijv. in „Vier stappen in de wolken”, ten dele in ~Leven in vrede” en ~Een vrouw uit het volk”). Frank Capra (met zijn in politiek opzicht verkwikkende werken als „It happened one night”, „Mr. Smith goes to Washington ” en „You can’t take it with you”), Feher (met de verrukkelijke „Roverssymphonie”), onze Max de Haas (wiens „Ballade ,van de hoge hoed” u natuurlijk kent en bewondert), H. Cornelius met ~Passport tot Pimlico”, Emeric Pressburger (met „I know where I’m going”) en Mackendrick (maker van „Whisky galore” en ~De man in het witte pak”).

Ik zie al gefronste voorhoofden en hoor protesterende stemmen: „En Chaplin? En Danny Kaye? En Fernandel? En Jacques Tati?”

Tot uw dienst! Hoe bekoorlijk, hoe uniek Chaplin is, beleven wij voor de zoveelste keer, nu zijn „Jochie”, „De nieuwe dominee”, „Gold Rush” en „City Lights” opnieuw worden vertoond; het is Charlie die ons doet lachen en ons tevens de tragische achtergrond doet beseffen, Charlie voor ofis op het witte doek maar een Charlie, die zo en niet anders werd geplaatst door regisseur Chaplin!

Danny Kaye? Onvergetelijk zal hij blijven, niet als de Gogol’se „revisor”, ook niet als potsenmaker aan de Rivièra, en zeker niet in de rol van Andersen; in onze herinnering zal hij blijven voortleven als de enigszins chaplineske „Walter Mitty”, wiens „verborgen leven” door Norman McLeod werd onthuld in een film die de draak steekt met een tijd die voor de kleine man een leven zonder dag- en wensdromen ondraaglijk maakt.

Nog duidelijker wordt heel die zaak, wanneer wij verschillende films met de komiek Fernandel de revue laten paseren: hoe grof, hoe banaal, hoe gauw vergeten zijn ze? Wie zou ooit hebben vermoed, dat deze zelfde Fernandel op overtuigende wijze „Don Camillo” zou kunnen spelen? Regisseur Duvivier heeft deze ontdekking gedaan en uit de Fernandel der kluchten gehaald wat er maar uit te halen viel.

Van Jacques Tati weet u, dat hij niet alleen de lange onverschillige man is, die de postbode in „’t Is feest vandaag” en de vacantieganger in „Monsieur Hulot met vacantie” heeft gespeeld, maar dat hij van deze werken tevens en vooral de regisseur is, die met landschappen, voorwerpen en geluiden speelt en op onnavolgbare manier zinloos gedoe en gepraat belachelijk maakt.

Dat een —■ bijna „klassiek” geworden kolderfilm als „Helzapoppin” alleen en uitsluitend aan het kunstenaarschap van een regisseur te danken is, spreekt vanzelf.

Het zijn ook juist de belangrijke humoristische films, die hun land van herkomst niet willen en niet kunnen verloochenen.

hetgeen wordt aangetoond door de zojuist genoemde en andere belangrijke filmwerken uit Frankrijk en Amerika, uit Italië en Engeland.

Engelse humoristische films munten dikwijls uit door spot die tegen eigen hebbelijkheden is gericht en geen halt houdt voor menig heilig huisje. Alhoewel... dé heilige huizen meestal ontzien worden. Een man als Mackendrick is in zijn grote sociale film „De man in het witte pak” ettelijke stapjes verder gegaan; zij is inderdaad een belangrijk critisch werk t.o. van maatschappelijke toestanden geworden. Ironie én vertedering leven in de Engelse

films, die met oude vehikels, een afgetakeld treintje, een afgetobd paard, een voorwereldlijk autootje, met oude (ondoelmatig geworden) gebruiken de draak streken. De strekking van deze voortreffelijke humoristische films (die, ’t mag niet worden verzwegen, door het gevaar van „het cliché” worden bedreigd) ? Tegen én voor een oude gewoonte... tegen én voor oud Engeland... Enkele maanden geleden is het nieuwste product in deze serie gereedgekomen, en wel „The Maggie”, vervaardigd door Aiexander Mackendrick. Een niet weg te cijferen aandeel heeft hierbij de scenarioschrijver William Rosé, die ook het draaiboek voor „Genevieve” heeft geschreven. Wat in „Genevieve” de ouwe goeie auto was, is in „The Maggie” een puffende kolenboot, die uit de vaart genomen moet worden, omdatie voor niets meer deugt. Door een misverstand wordt hij toch weer tot activiteit gedwongen en moet binnen de kortst mogelijke tijd een waardevoile lading van Glasgow naar een der eilanden brengen. Hoe in deze kostelijke comedie die een sprankelende /iZmcomedie is, waarin niet alleen de vierkoppige merkwaardige „bemanning”, de onverstoorbare „kapitein” en de bedrijvige Amerikaanse zakenman, maar ook de in tweeërlei opzicht dode boot, voor ons gaan léven deze krachttoer wordt volbracht en een en ander op z’n pootjes (en op de grond van de zee) terechtkomt, vertelt deze film niet zozeer met dialogen, doch veeleer met beelden, waarin uitermate van elkaar verschillende manspersonen, oude Engelse gehuchten en kroegen, folklore, rivier en zee, en telkens weer die pufferboot, geestig zijn opgenomen.

Ofschoon „The Maggie” niet op het niveau van de twee andere films van Mackendrick staat, behoort zij tot de schaarse humoristische films, die ons het jaar ’54 heeft gepresenteerd. H. WIELEK

Dit is nu „The Maggie"

Gedachten over armoede in de negentiende eeuw

De grote, alle andere verdringende sociale vraag, die in de eerste helft van de 19de eeuw onafgebroken wordt gesteld, is die van de armoede. Sinds Gijsbert Karei van Hogendorp in 1794 zijn „Missive over het armwezen” schreef, verscheen een eindeloze stroom van brochures, boeken en tijdschriftartikelen over dit onderwerp in ons land, zoals trouwens in vrijwel heel Europa, want het pauperisme was een Europees vraagstuk. Eerst in de jaren zestig gaat deze stroom trager vloeien en eerst omstreeks 1895 neemt hij weer een bredere bedding in, nu ongetwijfeld onder invloed van het opkomende socialisme. Nog in 1851 schrijft Jeronimo de Bosch Kemper, de latere Amsterdamse hoogleraar: „Geen onderwerp kan belangrijker geacht worden voor den wijsgeer, voor den staatsman, voor den menschenvriend, dan het onderzoek naar de oorzaken der armoede en naar de middelen om die te verminderen.” Men lette op dit laatste woord. De gedachte dat men de armoede daadwerkelijk zou kunnen bcstrijden, lag deze overigens vooruitstrevende liberaal nog ver, en daarin stond hij niet alleen. De onvermijdelijkheid van de armoede was vrijwel een axioma voor allen die er zich mee bezighielden. Men beriep zich daarbij op Bijbelteksten uit het Oude en het Nieuwe Testament. Van Mozes was

de uitspraak: De arme zal niet ophouden uit het midden des lands, van de Spreukendichter: Rijken en armen ontmoeten elkander, de Heer heeft ze allen gemaakt, en van Christus het door drie evangelisten gestaafde woord: De armen hebt gij altijd met u. Daarom is het niet geheel en al onbegrijpelijk dat Bilderdijk en zijn volgelingen binnen en buiten de Réveilkringen de bestrijding der armoede uit den boze achtten. Want te midden van de tientallen economen en would-be-economen die jaar in, jaar uit over de armoede schreven, waren er enkele die een inzicht hadden in de werkelijke oorzaak van de armoede: de ongelijkheid van de bezittingen. Een van die weinigen was Johannes van den Bosch, de latere gouverneur-generaal, die in 1818 de stoot gaf tot de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid en van de bedelaarskolonie Ommerschans en de vrije koloniën Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelmina’s oord. Van den Bosch zag de armoede nietals een onvermijdelijk kwaad,hij meende dat werkverschaffing deze kon opheffen en hij sloeg zelf de hand aan de ploeg, Da Costa ergerde zich gruwelijk over deze toch zo goed bedoelde pogingen om de armoede te bestrijden. „Hij verdient, dat men hem den kop voor de voeten legt,” schreef hij, „die generaal Van den Bosch! Want