is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 33, 21-08-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het bepaald werd door de christelijke leer en de christelijke instellingen, was op God gericht en hielp de mens voor God te leven. Ook in deze meer anthropocentrische tijd zal een harmonie verwerkelijkt moeten worden, waarin het geschapene zijn plaats weet ten opzichte van het enig absolute, waarin de profanen waarden geïntegreerd worden in het christelijk perspectief. Dan zal ook het openbare leven weer strekken tot verheerlijking van God en tevens de sfeer scheppen, waarin de enkeling zowel zijn tijdelijk als zijn eeuwig welzijn kan nastreven en bewerken.”

Het heimwee naar de middeleeuwen wordt achter deze woorden voelbaar.

En het is dan ook duidelijk, wat de bisschoppen bedoelen, wanneer zij zeggen, dat het de taak der gelovigen is, om mee te werken aan de opbouw van een christelijke maatschappij en daardoor aan de bloei en de uitbreiding van het Godsrijk op aarde.

Het mandement leeft uit het heimwee naar de theocentrische levensstijl van de middeleeuwen en uit de droom, dat de Rooms-katholieke Kerk het grote christelijke lichaam is, dat heel het maatschappelijk bestel hiërarchisch ordent, incorporeert en voor Christus opeist.

De Linie zegt het in een hoofdartikel „De Bisschoppen spreken” onomwonden: „Het Nederlandse volk is eens, in zijn geheel, katholiek geweest. De Kerk werkt gestadig aan het herstel van die gezegende situatie. Volgens richtlijnen, gegeven door die daartoe gesteld zijn in de kracht van de heilige Geest.”

De eigenlijke inhoud van het mandement is dan ook volgens De Linie, dat de roomskatholieken, om de samenleving te herkerstenen, in onderling organisatorisch verband moeten optreden.

Het is naar mijn overtuiging nodig, op deze achtergronden en perspectieven van het mandement te wijzen.

De pleidooien voor de eigen rooms-katholieke organisaties, de verboden van en de waarschuwingen tegen het lidmaatschap van de PvdA en het NVV worden in onze kring nog al te veel en al te eenzijdig vanuit een uitsluitend politiek gezichtspunt gewaardeerd. Dat is begrijpelijk en gerechtvaardigd, maar het is onvoldoende. Het gaat in het mandement om veel en veel meer. Het gaat om de herkerstening, maar dat wil in het mandement zeggen: om de rekatholisering van staat en maatschappij. Het Nederlandse volk is eens in zijn geheel katholiek geweest en de Rooms-katholieke Kerk werkt gestadig aan het herstel van die gezegende situatie. De Linie zegt het onomwonden en openhartig, onomwondener en openhartiger dan de bisschoppen, die liever het woord christelijk dan katholiek gebruiken, maar De Linie heeft wel voor honderd procent gelijk, wanneer zij christelijk en katholiek als sjmoniemen beschouwt.

Rome weet zich geroepen van Godswege te werken aan het herstel van de gezegende situatie, dat het Nederlandse volk in zijn geheel katholiek was. Het werk aan dat herstel ziet het als roeping en zending. De Line zegt, dat het mandement voor alle rooms-katholieken aanleiding moet zijn „ons geloof in die zending te vernieuwen.”

Er is geen enkele reden, om het De Linie kwalijk te nemen, dat het aan het mandement deze toespitsing geeft. Het mandement zelf geeft daartoe alle recht. Maar De Linie zal het ons niet kwalijk nemen, dat wij als niet-rooms-katholieken ons terdege rekenschap geven van deze achtergronden en perspectieven van het mandement.

De strijd van Rome tegen het socialisme kan men uitsluitend vanuit politiek oogpunt waarderen, maar met die waardering

gaat men aan de eigenlijke motieven van Rome toch nog voorbij. De strijd van Rome tegen het socialisme is opgenomen in een verband, dat veel en veel meer omvat dan de politiek. Het is in wezen een strijd voor het herstel van een katholiek Nederland en een katholiek West-Europa.

Maar wij verlangen niet naar een Nederland en een West-Europai, waarin deßoomskatholieke Kerk heel het maatschappelijk en staatkundig bestel hiërarchisch ordent, incorporeert en voor Christus opeist. Wij willen geen kerkelijke voogdij over staat en maatschappij, geen protestantse, maar ook geen rooms-katholieke voogdij.

Daarom vonden wij het noodzakelijk, dat heel Nederland weet, welke de geestelijke achtergronden van het mandement zijn en welke geestelijke perspectieven de boodschappen in het mandement openen.

J. J. BUSKES JR.

MANON van de bronnen

Hoewel het op een verregende vacantiedag moeilijk is een goede film te gaan zien, heb ik tussen de vele Abbott en Costello’s toch nog een filmgenoegen kunnen smaken.

De juffrouw die voor mij zat hoorde ik in de pauze tegen haar partner zeggen: „Wat een meesterlijke films maken die Fransen.” Een paar oude dames bij de uitgang waren het daarmee helemaal niet eens. Die vonden het een langdradige saaie film. In de fietsenstalling maakte een heer de geïrriteerde opmerking: „Ik begrijp niet hoe die stomme mensen kunnen lachen bij de preek van die pastoor.”

Zo, nu wist ik meteen dat ik ook bij die stomme mensen hoorde, want ik heb ook gelachen en ik schaam me er geeneens over. Waarom zouden we onze mede-mensen niet hun eigen wijze van reageren gunnen? Men kan zich tranen lachen en huilen zonder tranen. En wie is het gegeven het weefsel van tragiek en humor te ontrafelen. Manon van de Bronnen is in ieder geval een film die reacties oproept. Een film die appelleert aan het betere in de mens en die, tenzij men ziende blind en horende doof is, kostbare indrukken achterlaat. Een bekend predikant in Den Haag vond er zelfs stof voor een preek in. Inderdaad, er zit stof voor een preek in genoemde film, meer zelfs, de film is een PREEK. En een zeer goede preek.

Nu kan ik zoals gebruikelijk is, gaan vertellen, dat Marcel Pagnol de schepper van deze film, in Manon het filmische element meer tot z’n recht heeft laten komen dan in zijn voorgaande films. Het is bekend dat Pagnol uitermate boeiende dialogen schrijft, beter geschikt voor het toneel dan

voor de film. De film heeft immers een eigen kunstvorm en daarom moet een film geen verfilmd toneelstuk zijn. Vooral het begin van de film is een reeks van dialogen, die een oude dame de opmerking van „langdradig” kunnen ontlokken.

Pagnol heeft de moed om een bioscooppubliek aan het denken te zetten. Maar over de filmische en artistieke kwaliteiten wil ik het niet hebben. Wat mij in deze film zo getroffen heeft, is de uitbeelding van die levensgrote werkelijkheid, dat de kleine en grote zonden van ons, mensen, en het verzuim om stelling te nemen tegen aanschouwd onrecht, een gemeenschap te gronde richt. Dat grote zonden een bedreiging van onze menselijke samenleving vormen zal iedereen beamen. Dat echter de som van al die kleine en vergoeilijkte zonden wel eens groter kan blijken te zijn dan de som van die enorme schandaal-zonden, dat ontgaat de meesten van ons. En dat een angstig neutrale houding bij het aanschouwen van onrecht zonder dat er een protest gehoord wordt, elk samenleven verkankert en verteert, daarvan zal men in het algemeen niet willen weten. Want wee degene die het lef heeft te protesteren, zo iemand is op staande voet veroordeeld als onruststoker, oproerkraaier, revolutionnair. En z’n stem blijft klinken als een roepende in de woestijn.

Manon van de Bronnen is een film waar we weer eens geconfronteerd worden met de kernwaarheden van het leven. En daarom vind ik het voortreffelijk dat de prolongatie week na week voortduurt.

Tot slot nog dit over de plaats die de kerk in de film van Pagnol krijgt toebedeeld. De kerk is in dat Franse dorp alleen nog maar symbool van een voorbije tijd. Plotseling wordt het dorp met ondergang bedreigd. De wetenschap wordt erbij gehaald. Met heel veel geleerdheid weet de man van de wetenschap de oorzaak van de ondergang te verklaren. Maar voor de ondergang behoeden, neen, daartoe is de wetenschapsmens niet in staat. Dan mag de kerk en de baas van de kerk, God, het nog eens proberen. En o, met welk een goddelijke humor wijst de kerk de mens terug op zich zelf. De kerk in dat Franse dorp was waarlijk KERK in de beste betekenis van het woord.

Het oordelende en reddende Woord Gods werd daar voluit gepredikt. Bekeert u, herstelt al het onrecht dat u hebt gedaan en kom dan terug om God te bidden of Hij het nog eenmaal met ons proberen wil.

Ja, ik vond het een mooie film en de preek van die pastoor vond ik geweldig en daarom heb ik gelachen of moet ik er soms om huilen als ik mijn eigen tekortkomingen ontdek?

A. SNAAUW