is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 34, 28-08-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De achtergebleven gebieden

Toen Truman president van Amerika werd, hield hij een rede, die in de geschiedenis bekend zal blijven als de rede van Punt Vier: de hulp aan de achtergebleven gebieden. En nog altijd is het zo, dat, wanneer over Punt Vier gesproken wordt, de hulp aan de achtergebleven gebieden aan de orde komt.

Mr. De Niet heeft enkele jaren geleden in Socialisme en Democratie een zeer boeiend en instructief artikel over dit vraagstuk geschreven. Hij vergeleek de verhouding tussen het Westen en de achtergebleven gebieden met de verhouding tussen de bezittende klasse en het proletariaat in ons land in de vorige eeuw. Daar de bezittende klasse van de vorige eeuw weigerde het bezitloze proletariaat recht te doen, ontstonden er spanningen, die geleid hebben tot felle strijd tussen de beide klassen: de klassenstrijd. Zo zullen volgens mr. De Niet de spanningen tussen het bevoorrechte Westen en de achtergebleven gebieden leiden tot een intercontinentale klassenstrijd, indien dat bevoorrechte Westen niet bereid is, om aan het arme Azië en Afrika recht te doen.

Professor Schermerhorn heeft op zijn wijze hetzelfde gezegd: Het vraagstuk van de achtergebleven gebieden is in wezen hetzelfde als dat van de klassenstrijd. Wanneer er geen oplossing komt, zullen wij als bezittende klasse en dat zijn wij in het Westen allemaal op een verschrikkelijke manier aan het kortste eind trekken!

Truman heeft het vraagstuk in zijn rede voor het forum van de gehele wereld geplaatst.

In de loop der jaren is er over de oplossing ontzaglijk veel gediscussieerd. Aan die oplossing werd intussen ook wel iets gedaan, maar toch bitter weinig in vergelijking met wat voor een wezenlijke oplossing nodig is. Onbegrijpelijk is een en ander niet. De vele woorden zijn het gevolg van het feit, dat het Oosten ontwaakt en het geweten zich niet tot zwijgen laat brengen. De zedelijke waarden, die voor het Westen karakteristiek zijn, laten niet na hun invloed te oefenen. De weinige daden zijn het gevolg van het feit, dat enerzijds de bezitters nu eenmaal niet graag en in de regel nooit gewillig afstand doen van hun bevoorrechting en anderzijds het Westen kapitalen uitgeeft voor de bewapening in de strijd tegen het communisme. Wat gedaan wordt voor de achtergebleven gebieden is, hoe waardevol ook, minder dan een druppel op een gloeiende plaat.

Van belang is ook, te letten op de motieven, die achter de hulpverlening werken.

Men onderscheidt er vier.

Het eerste is het gevoel van medelijden met de Oosterse volken in hun afschuwelijke ellende.

Het tweede is de overtuiging, dat men door hulpverlening het communisme de wind uit de zeilen neemt.

Het derde is de gedachte, dat, als de achtergebleven gebieden geholpen worden, hun koopkracht zal toenemen.

De vierde is, dat het Westen hoopt de Oosterse volken door hulp aan zich te binden in politiek opzicht.

Het is wel duidelijk, dat het eigenbelang, zo niet de zelfzucht, in het geheel van deze motieven een grote rol speelt. Die zelfzucht is het dan ook, die aan een grootse aanpak van het vraagstuk in de weg staat. Amerika is er het beste bewijs van. De bedragen, voor de hulp aan de achtergebleven gebieden gevoteerd, zijn al maar verlaagd en er is een streven om alleen aan die volken hulp te verlenen, welke bereid zijn, zich politek te laten beïnvloeden en zich in het front tegen het communisme te laten inschakelen. Dat het vraagstuk op deze wijze nooit tot een oplossing kan worden gebracht, spreekt wel vanzelf. Men moet zich niet af vragen, wat dit in de nabije toekomst betekenen zal.

Wij brengen onze lezers deze dingen in herinnering in verband met enkele berichten, die wij de laatste tijd in de pers tegenkwamen.

Op de tweede Assemblée van de Wereldraad van Kerken, die op het ogenblik in Evanston gehouden wordt, heeft dr.

Charles Malik, lid van de Grieks-Orthodoxe Kerk en vertegenwoordiger van de Libanon in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, gezegd, dat het overspeeld worden van Azië en Afrika door het communisme bij de tegenwoordige stand van geestelijke machteloosheid een kwestie van tijd is. De leiders van het Westen zijn volkomen te kort geschoten in het vinden van oplossingen voor de Aziatische en Afrikaanse vraagstukken.

Peter Dagadoe, methodistenpredikant en secretaris-generaal van de Christelijke Raad van de Goudkust sprak eveneens op de Assemblée van de Wereldraad van Kerken over het jammerlijk gebrek aan begrip bij de wereld van het Westen voor Afrika. Dit werelddeel wordt nog altijd door het Westen geëxploiteerd. Wij worden nog altijd beschouwd als primitieve mensen, die onder voogdij moeten staan. De volken van Afrika mogen nog altijd niet volledig deelnemen aan de besprekingen over oorlogsaangelegenheden, hoewel zij wel getroffen zullen worden door de gevolgen van internationale oorlogen.

Naar zulke getuigenissen zullen wij moeten luisteren. Het zijn waarschuwingen en roepstemmen, die wij alleen tot grote schade van het Westen en de gehele wereld kunnen negeren.

Tegelijkertijd ongeveer vond ik in de krant het bericht, dat de Nationale Raad van Christelijke Kerken in de Verenigde Staten, die meer dan dertig millioen protestanten vertegenwoordigt, er bij de regering op aangedrongen heeft, om het Amerikaanse hulpprogram voor de onderontwikkelde gebieden in zijn oorspronkeiijke vorm te herstellen en los te maken van een program voor militaire hulp. De

GOUDEN KUITEN

Omdat krantenlezen een onderdeel van mijn vak is, wind ik mij graag méé op over zaken, die door de collega’s-journalisten met verve beschreven worden. Op het ogenblik zijn Brussel, het mandement, John en zelfs het weer verdrongen door de stampei in de voetbalwereld.

De zaak interesseert mij heus. Niet, omdat ik tot de trouwe bezoekers van de voetbalvelden behoor. De enkele keer, dat ik een voetbalwedstrijd voor de televisie zie, boeit hij me maar matig. Ik kan mij het plezier van al die lichamelijke inspanningen ternauwernood indenken.

Maar thans komt de vraag naar de betaling naar voren. Die kerels werken. Dat is duidelijk. Ze werken slechter, dan hun collega’s in het buitenland, dat is uit de trieste, berustend-droevige verslagen van de interlandwedstrijden eveneens duidelijk. Wie dat leest, komt diep onder de indruk van het dalen van ons nationaal prestige en hij durft ternauwernood zijn neus buiten de grenzen te steken.

Het is goed, na te gaan, wat er eigenlijk gebeurt. Want, alle spot terzijde, de beoefening van het voetbalspel actief en passief is van grote betekenis geworden voor onze samenleving, voor de vrije-tijdsbeste-

ding. De voetbal vormt tienduizenden geestelijk en zedelijk. Blijkens de statistiek van 1953 zijn er 320.000 mannen en O vrouwen lid van een voetbalorganisatie. Het aantal bezoekers van wedstrijden loopt in de millioenen. Daarom is wat thans gebeurt in de voetbalwereld niet een liefhebberij van enkelen, maar een zaak voor de ganse natie. Wat gebeurt er?

De sport, eenmaal een zaak des harten geworden, wordt een hartstocht. Het begint als spel, het eindigt als broodwinning, waarbij het spel tot een techniek wordt, tot een wetenschap.

Zo is het in het algemeen. Hierover moeten wij ons niet verbazen iri een wereld, die concurrentie, succes en geldverdienen als maatstaven heeft aanvaard. Dadr zit de oorzaak. Wij richten ons te zamen naar de gemeenschappelijke maatstaven, of wij willen of niet. Wij leven in het burgerlijkkapitalistische tijdperk en wij hebben nog geen maatstaven, die ons er geestelijkzedeiijk uit stuwen.

Laten wij dat maar eens nagaan. De schaker van klasse kiest het schaken als beroep. Hij is een geëerd man. Hij heeft het wedstrijdspelen, simultaan of è, deux, tot een enerverende broodwinning gekozen