is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 36, 11-09-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sociaal christendom in Amerika

In Nederland zijn wij in het algemeen op de hoogte van de sociale stromingen onder de protestantse christenen in Amerika. Een naam, die tot ons spreekt, is die van prof. Reinhold Niehuhr uit New York. Niebuhr was een der vooraanstaande bezoekers op de vergadering van de Wereldraad van Kerken in 1948 te Amsterdam. Van en over hem zijn in ons land verschillende publicaties verschenen, waarvan de vertaling van zijn standaardwerk The Nature and Destiny of Man wel het meest bekend is.

Intussen staat Niebuhr met zijn opvattingen niet alleen. Hij .is de erkende leider van een belangrijke groep academici, waartoe ook mannen als John C. Bennet en de vroegere Duitsers Paul Tillich en Eduard Heimann behoren. Hun gezamenlijke belangstelling is gericht op de vraag wat de onderlinge verhouding is van christendom en maatschappij, van het christeiijk geloof en de sociale problemen. Omtrent de wijze, waarop zij deze vraag behandelen, zijn wij thans uitstekend ingelicht door een in 1953 verschenen publicatie getiteld; Christian Faith and Social Action*) waarin Niebuhr en twaalf van zijn geestverwanten zich duidelijk uitspreken op historisch, cultureel, kerkelijk, sociaal, politiek en internationaal terrein. Het loont de moeite uit de activiteiten van deze groep het een en ander mede te delen.

Samenwerking in een Fellowship

Meerderen van de groep, die aan dit geschrift medewerkten, kwamen in 1930 samen om de Fellowship of Socialist Christians op te richten. Hun doel was te zoeken naar een vorm van sociaal christendom, onafhankelijk van marxisme en pacifisme. Zij noemden zich met opzet niet christensocialisten, maar socialistische christenen. Daarmede wilden zij tot uitdrukking brengen de prioriteit van hun godsdienstige overtuiging. Uit deze overtuiging wilden zij hun sociale inzichten afleiden.

Geleidelijk kwam de groep tot het inzicht, dat de term „socialist” voor haar geen passende benaming was. De naam Fellowship of Socialist Christians werd daarom in 1946 gewijzigd in Frontier Fellowship. Blijkens de verklaring, waarin deze verandering werd toegelicht, speelde daarbij vooral een rol de vrees, dat een te ruim doorgevoerde socialisatie der productiemiddelen een te gevaarlijke machtsconcentratie bij de overheid zou teweegbrengen en daardoor zou gaan ten koste van de democratie. Vandaar dat steeds de nadruk werd gelegd op een decentralisatie van publieke bevoegdheden.

Ook na deze verandering wilde men intussen wel radicaal blijven. Dat blijkt wanneer wij nagaan welke houding werd aangenomen tegenover verschillende stromingen, waartegen de Frontier Fellowship zich keerde.

Critiek op de conventionele religie

De conventionele religie in Amerika heeft de sterke neiging bepaalde Amerikaanse instellingen en opvattingen van goddelijke sanctie te voorzien. Dit komt bijv. tot uitdrukking In de bijnaam van Amerika als „Gods own country”. Maar er bestaat niet alleen de neiging, bepaalde nationale waarden te vergoddelijken. Ook het kapitalisme, dat in Amerika een zo fan-

*) Charles Scribner’s Sons, New York/ Londen 1953.

tastische ontwikkeling heeft gehad, werd overeenkomstig Gods wil geacht. De christelijke eis van geestelijke vrijheid was een der gronden om inmenging van de overheid in het economische leven af te wijzen.

Het conventionele geloof bood hier geen tegenweer. Want het had geen boodschap voor het nationale en sociale leven. Het nam, o.a. onder invloed van het piëtisme, een individualistische houding aan. De godsdienst kon geen leiding geven aan de maatschappij, maar bedoelde alleen de ziel van de individuele mens te redden.

Tegen deze gehele gedachtengang is de Fellowship met grote kracht opgekomen. Zij liet een radicaal en een profetisch geluid horen. Radicaal was haar verweer, omdat zij wilde doordringen tot op de bodem der vraagstukken, die in het geding waren. En profetisch was haar geluid, omdat zij verkondigde, dat alle menselijke instellingen en waarden onder het oordeel Gods staan en daarom door ons, mensen, scherp critisch moeten worden bezien. Vandaar dat zij streed tegen de nauwe band van de conventionele religie met conservatieve stromingen. Uiteraard werd daarbij het kapitalisme niet ongemoeid gelaten.

Gemakkelijk was deze taak niet. Want wat de Fellowship beschouwde als een critiek, geïnspireerd door het oordeel van God, op Amerikaanse instellingen en waarden, werd door de tegenstanders uitgelegd als een critiek op God. Zozeer was In de conventionele religie de identificatie van de wil van God met het bestaande doorgedrongen!

Critiek op de Social Gospel

Omstreeks het begin van deze eeuw maakte in Amerika de Social Gospelbeweging een grote opgang. Deze beweging was niet tevreden met een geloof, dat uitsluitend gericht was op de reddjng van de menselijke ziel en geen antwoord had voor de problemen van de maatschappij. Tegenover dit individualistische en „jenseitige” geloof stelden zij, dat het christendom ook een sociale boodschap heeft te brengen. Op grond daarvan stelden zij allerlei sociale eisen, daar waar zij meenden, dat de christelijke moraal in het gedrang kwam. De Social Gospelbeweging zocht dus, evenals de Frontier Fellowship later, naar een sociale interpretatie van het christelijk geloof. Maar overigens oefent de Fellowship op deze beweging én theologisch én sociaal een zeer scherpe critiek uit. Theologisch leefde de Social Gospel beweging uit de geestelijke sfeer van het liberalisme der 19e eeuw, welke werd gekenmerkt door optimisme. God openbaarde zich volgens haar in de harmonieuze, natuurlijke orde en in de vooruitgang der maatschappij. Jezus was een voortreffelijk leraar en voorbeeld, die het Vaderschap van God en de broederschap der mensen leerde. Ook over de mens werd optimistisch gedacht Voor de zonde was geen plaats. Zeker, er waren sociaal nog wel misstanden. Maar met de hulp van de hemelse Vader zou de mens in staat zijn om de nodige maatschappelijke vorderingen te maken naar de ideale maatschappij, die de Social Gospel beweging als het Koninkrijk Gods aanduidde.

Na de vreselijke gebeurtenissen, die wij in de laatste halve eeuw op allerlei terrein hebben beleefd, kost het ons moeite ons

een dergelijke optimistische gedachtengang in te denken. Het is dan ook begrijpelijk, dat de Fellowship hiertegenover stelde, dat het christelijk geloof op deze wijze volkomen werd misverstaan. De Bijbel spreekt ons van een mens, die zondaar is. Voor die zondaar wil God tegelijk Rechter en Redder zijn. Eerst wanneer wij weer oog hebben voor de invloed van het kwaad en de zonde in ons eigen en in het maatschappelijk leven, zullen wij weer oog heb – ben voor de noodzakelijkheid van redding van mens en maatschappij.

Door het bodemloos optimisme van de Social Gospel beweging omtrent mens en maatschappij aldus de Fellowship worden ook sociaal onjuiste, immers irreele, richtlijnen getrokken. Zo is niet te verwachten, dat kapitaal en arbeid elkaar krachtens het liefdegebod zullen vinden en dat wetten om een onderling rechtvaardige houding te scheppen overbodig zullen zijn. Evenmin is aannemelijk, dat de blanken de kleurlingen zo zullen liefhebben, dat wetten, die een rechtvaardige rassenverhouding nastreven, kunnen worden gemist. Ook het pacifisme van de Social Gospel beweging werd door de Felowship bestreden als zijnde niet verantwoord in een wereld, waar het boze zulk een machtige invloed heeft en alleen machtsuitoefening enige rechtshandhaving kan verzekeren. Het toepassen van het gebod der liefde blijkt heel wat gecompliceerder te zijn dan de Social Gospel beweging aangaf.

Opvatting over het marxisme

De leden der Fellowship hebben zich heel wat moeite gegeven om met het marxisme tot klaarheid te komen. Daarbij richtten zij zich naar twee kanten. Aan de ene zijde bestreden zij hen, die zonder werkelijk critisch onderzoek christelijke labels op marxistische ideeën plakten. Maar anderzijds weerden zij zich evenzeer tegen die geloofsgenoten, die op grond van hun fundamentalisme het marxisme zonder meer als anti-christelijk brandmerkten. De Fellowship zelf kwam tot de conclusie, dat de huidige vorm der communistische gedachte een tragische, boosaardige zaak is, waartegen vrije mensen zich krachtig moeten verzetten, maar die zij toch ook moeten trachten te doorgronden.

Het marxisme is zelf een religie geworden, omdat het van zijn volgelingen een volstrekte trouw vraagt, die de betekenis van hun bestaan vormt. Daardoor is voor de erkenning van God geen plaats. Maar aldus de Fellowship het marxisme heeft, beter dan menige andere nieuwe opvatting, de invloed van het kwaad in de wereld beseft. Met gevoel voor realiteit heeft het de harde feiten van onrecht en ellende duidelijk gezien. Maar het maakt de fatale fout om al het menselijke kwaad te identificeren met hebzucht, met de begeerte naar private eigendom. Daaruit werd dan de volkomen onjuiste conclusie getrokken, dat wanneer het systeem van de private eigendom zou zijn afgeschaft, het kwaad vanzelf zou verdwijnen.

De Fellowship heeft hiertegenover het Bijbels standpunt geplaatst, dat het kwaad en de zonde veel diepere en meer doordringende wortels hebben dan enig systeem van eigendom. Volgens de Bijbel is onze zonde, dat wij voortdurend weer in ons zelf opgaan, in plaats van God in het middelpunt van ons leven te plaatsen. In sociale verhoudin-