is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 38, 25-09-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De christelijke organisatie en het apostolaat

Professor Brillenburg Wurth voert een pleidooi voor het apostolaat der christelijke organisaties. Daarin schuilt naar onze vaste overtuiging een groot gevaar, wanneer het althans om politieke en sociale organisaties gaat en dat is in het betoog van professor B. W. het geval.

Men vergete toch niet, dat de strijd van de politieke en sociale organisaties een strijd om macht is. Ik weet wel, dat velen dit trachten te verdoezelen. Zij zeggen, dat de christelijke organisaties niet om macht, maar om recht strijden. De tegenstelling tussen macht en recht, die zij poneren, is echter een onzuivere tegenstelling. Het is niet waar, dat wij in het politieke en sociale leven voor het alternatief „macht of recht” staan. Het is veeleer zo, dat de strijd om het recht ook altijd een strijd om de macht is. Vakverenigingen en politieke partijen zijn machtsformaties. Het is irreëel dat te ontkennen. En de bijbelse gedachte van het apostolaat ligt wel heel ver weg uit de buurt van het streven naar macht. Elke kerk, die naar macht streeft, maakt zich zelf de uitoefening van het bijbelse apostolaat onmogelijk. Het streven naar macht is in strijd met het wezen van de kerk. Geen aardse macht begeren wij! Dat is het strijdlied van de kerk, een wonderlijk strijdlied, maar zij heeft geen ander. Sociale en politieke organisaties begeren wel aardse macht, moeten dat ook doen. Het streven naar macht behoort nu eenmaal tot het wezen van de sociale en politieke organisatie. Juist daarom is het zo gevaarlijk, om de christelijke politieke en sociale organisaties te zien liggen in het verlengde van evangelie en kerk. Aan organisaties, wie het om macht te doen is, hoezeer zij ook strijden voor recht, kan het apostolaat niet worden toevertrouwd. Niet, omdat de leden van deze organisaties geen oprechte christenen zouden kunnen zijn, maar omdat wat deze organisaties voor ogen zweeft iets anders is dan wat het evangelie en de kerk bedoelen. Zodra machtsorganisaties zich het epitheton christelijk toeëigenen, vindt er wat de inhoud van het epitheton christelijk betreft een verschuiving plaats. Het woord christelijk moet onherroepelijk devalueren, wanneer het als bijvoeglijk naamwoord gezet wordt voor het zelfstandig naamwoord politieke of sociale organisatie. Het woord apostolaat kan alleen zijn bijbelse inhoud behouden, als het gebruikt wordt voor het werk van de kerk als gemeente van Christus.

Er is nog een ander gevaar, dat professor

B. W. heel goed onderkent en waarvan ook de bisschoppen een en ander vermoeden. Professor B. W. zegt: „Ook wij willen niet blind zijn voor een gevaar, waarop ook het mandement van de bisschoppen wijst, dat de organisatie, ook wat het apostolaat betreft, de verantwoordelijkheid van de enkeling op de achtergrond gaat dringen. Het getuigenis, dat van de kerk ook in de samenleving zal moeten uitgaan, zal voor alles een persoonlijk karakter moeten dragen en laat zich nooit aan een organisatie endosseren.” Zeer juist. Wij zien echter niet in, dat men, wanneer men zo grote nadruk legt op het apostolaat van de christelijke organisaties, aan dit gevaar kan ontkomen. Professor B. W. kan nu wel zeggen, dat de christelijke organisaties „ten ernstigste ervoor hebben te waken, dat niet haar organisatorische geslotenheid in de hand werkt een geestelijk isolement van haar leden, dat voor de volvoering van hun roeping tot getuigenis een belemmering zou vormen”, hij maakt ons echter niet duidelijk, hoe zij daartoe in feite in staat zullen zijn.

Hij weet even goed als ik, dat ook de christelijke organisaties strijdorganisaties zijn. Hij vindt dat, zolang het een principiële strijd blijft, ook helemaal niet erg. Hij vergeet echter, dat deze strijd niet enkel een strijd om recht, maar ook een strijd om macht is. En hij redt het niet met de verklaring: „Als men daarbij maar niet uit het oog verliest, dat de eis van christelijke solidariteit blijft gelden. En als men daarbij maar niet afleert ook in de tegenstander van zijn organisatie de mens te blijven zien, tegenover wie wij, bij al wat ons principieel van hen scheidt, om Christus’ wil ook een roeping behouden, waaraan wij ons tot geen prijs mogen onttrekken.” Dat klinkt prachtig, maar in de practijk komt er niets van terecht. Wanneer men over deze dingen ernstig wil schrijven, dan zal men veel en veel meer dan professor B. W. het doet, rekening moeten houden met wat machtsstrijd voor hen, die deze machtsstrijd voeren, betekent. Ik meen, dat de geschiedenis bewezen heeft, dat machtsstrijd ons bijna altijd de christelijke solidariteit onmogelijk maakt, neen, natuurlijk niet in krantenartikelen en mandementen, maar wel in de practijk van het leven. Daarom moet men machtsorganisaties liever niet christelijk noemen. Dat zijn ze niet en kunnen ze niet zijn. En wanneer zij zich zelf wel christelijk noemen, ontkomen zij er niet aan, het woord christelijk door hun machtsstrijd te devalueren en uit te hollen.

Machtsorganisaties kunnen de eis van christelijke solidariteit nooit vervullen. Het wonderlijke is, dat juist degenen, die uit de bijbel weteri, wat zonde betekent, dit het minst schijnen te zien en te willen erkennen. Men redt het evenmin met te zeggen, zoals de bisschoppen doen: één in eigen verband en van daaruit samenwerking met anderen, met behoud van eigen zelfstandigheid! Banning noemt dit terecht de theorie der verzuiling.

Het wil zeggen: één in de christelijke organisatie en dus zonder ooit wezenlijk naar de ander geluisterd te hebben toch een eerste eis van de christelijke solidariteit samenwerken. Van een wezenlijke ontmoeting is er zo geen sprake meer. Een organisatorische ontmoeting is geen wezenlijke ontmoeting. Wat van de Rooms-Katholieke Kerk geldt, geldt ook van de christelijke organisaties: zij hebben het socialisme permanent veroordeeld, maar het nog nooit wezenlijk ontmoet.

De doorbraak betekent een mogelijkheid tot een wezenlijke ontmoeting. Ik beweer volstrekt niet, dat wij erin geslaagd zijn, deze mogelijkheid tot een werkelijkheid te maken. De Partij van de Arbeid is een experiment, maar dan toch een experiment, waaraan wij met inzet van alle krachten gewerkt hebben en nog altijd werken.

Professor B. W. kan weten, dat het ons daarbij nooit te doen is geweest, om de antithese tussen geloof en ongeloof weg te werken. Wij verzetten er ons alleen tegen, dat hij en zijn geestverwanten de christelijke politieke en sociale organisatie als geloofsplicht hebben geproclameerd. In onze artikelen hebben wij nog weer eens getracht, duidelijk te maken, waarom wij het ongeoorloofd vinden, om met een beroep op de bijbel de antithesepolitiek te handhaven. Wij menen nog altijd, dat, als de apostolaats-theologie in‘ het geding wordt gebracht, de christelijke organisatie, die naar het oordeel van haar voorstanders in het verlengde van evangelie en kerk ligt, het apostolaat van de kerk meer in gevaar brengt dan de doorbraak. J. J. BUSKES jr.

GEDENKSTEEN DS. D. BAKKER

Bij een aantal vrienden van de onlangs overleden ds. D. Bakker van Huizum is de gedachte gerezen, dat het goed zou zijn wanneer op zijn graf een eenvoudig gedenkteken kwam als aandenken aan hem, die zo talloze vrienden had in de kringen van de kerk, de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden, de socialistische beweging, de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers, de Blauwe beweging.

Ondergetekenden hebben een comité gevormd om aan deze gedachte uitvoering te geven. Zij weten, dat honderden graag een bedrag uit dankbaarheid voor dit doel willen afzonderen. Uiteraard: het wordt een eenvoudig teken, door kleine bedragen van velen mogelijk gemaakt. Wil men, wat men geven wil, hetzij als enkeling, hetzij samen met anderen, gireren op nr. 620135 van J. T. Veilenga, Euterpestraat 82, Leeuwarden met aantekening: „Gedenksteen ds. Bakker?”

De leden van de commissie zijn: prof. dr. W. Banning te Driebergen, voorzitter. J. T. Veilenga te Leeuwarden, secretaris-penningmeester. J. G. Jansonius te Huizum. J. Klok te St. Annaparochie. W. Kuipers te Huizum. Ds. D. J. Miedema te Tzummarum. B. H. Peters te Huizum. Ds. L. H. Ruitenberg te ’s-Gravenhage.