is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 38, 25-09-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Martinus des Amorie van der Hoeven

Van tijd tot tijd moeten wij, Nederlanders, ons de merkwaardige persoonlijkheid van deze oorspronkelijke Nederlandse denker in het geheugen roepen, en allereerst wij die op grond van ons christelijk geloof socialist zijn, omdat wij in hem een voorloper mogen begroeten. Er is nu trouwens een bijzondere aanleiding om hem te herdenken, omdat het deze zomer een eeuw geleden is dat hij het belangrijkste schreef wat hij ons in zijn korte leven heeft nagelaten, de studie Over het wezen der godsdienst en hare betrekking tot het staatsregt.

Dit geschrift van Martinus des Amorie van der Hoeven is niet meer dan een brochure, waarvan de eigenlijke tekst maar twintig bladzijden telt. Maar Martinus’ leerling Quack schrijft in zijn Herinneringen (1913) dat deze bladzijden hem de dienst gedaan hebben van het „mémorial” van 23 November 1654, dat Pascal op zijn borst droeg. „Zij waren,”schrijft hij,„steeds als vlammend schrift voor mij, een „Mene Tekel”* uit Daniëls boek. Zeker, die bladzijden zijn geschreven als met de pen van een Meister Eckhart, moeten dus liefdevol en eerbiedig worden gelezen en begrepen. Maar zij behelzen, naar mijn inzicht, een der diepste religieuze opvattingen, welke in mijn tijd in ons land zijn gevoeld, opvattingen die ik, trots veel struikelen en vallen, telkens weder heb aangegrepen en vastgehouden.” En toen Bart de Ligt in 1913 door Quacks Herinneringen het geschrift van Martinus leerde kennen, werd hij diep getroffen door de principiële, soms bijna woordelijke overeenstemming hiervan met wat hij zelf, samen met F. J. Welzenbach, het jaar tevoren tot „Toelichting van de ontwerp-beginselverklaring” voor de Bond van Christen-Socialisten geschreven had. In 1917 heeft De Ligt het destijds volkomen vergeten boekje opnieuw uitgegeven bij J. Ploegsma te Zeist, met een brede inleiding en aantekeningen. Daardoor is het opnieuw onder de aandacht van vele christenen en van vele socialisten gebracht, onder wie het woord van Martinus toen meer weerklank kon vinden dan het in zijn eigen tijd vermocht te doen.

Wie was Martinus des Amorie van der Hoeven? Hij was in 1824 te Rotterdam geboren als zoon van de remonstrantse predikant Abraham des Amorie van der Hoeven, die drie jaar later hoogleraar aan de kweekschool der remonstranten te Amsterdam werd en voor een der beroemdste kanselredenaars van zijn tijd gold. Een drie jaar oudere broer van Martinus, die naar zijn vader genoemd werd en eveneens predikant werd, stierf in 1848 op nauwelijks 27-jarige leeftijd. Hij liet een studie na over De godsdienst het wezen van den mensch, die tot het beste behoort wat in die tijd in ons land op theologisch gebied verscheen. Martinus studeerde in Amsterdam in de rechten en de letteren en promoveerde in 1845 in beide wetenschappen. Hoewel hij tegen zijn zin en alleen op aandrang van zijn vader advocaat werd, was Amsterdam al spoedig van zijn roem als pleiter vervuld, door zijn welsprekendheid, zijn overredingskracht, maar vooral door

zijn scherpzinnighelid, zijn vlugheid van opvatting en zijn diep ingaan op de dingen. Toch stond de advocatuur hem meer en meer tegen, en zo was het een uitkomst voor hem, toen hij in 1848, kort na de dood van zijn oudste broer, met wie hij vurig gedweept had, tot professor in de rechten aan het Athenaeum van Amsterdam werd benoemd. In de zomer van dat jaar, nog vóór hij zijn nieuwe werkkring was begonnen, overviel hem een geloofscrisis, die hem zo benauwde dat hij soms wenste te sterven. Dan weer keerde hij zich in het gebed tot God en vroeg hem, wat hij toch misdaan had en hoe God het kon aanzien dat zijn arm kind van honger en dorst versmachtte, terwijl alle andere mensen om hem heen rust en vrede schenen te genieten. Toevallig eens door de Kalverstraat lopend zag hij voor de ramen van een boekwinkel een boek liggen, dat hem interesseerde en dat hij daarom kocht, tegelijk met een ander boek. Beide handelden over staathuishoudkundige onderwerpen, en er was dus geen enkele aanleiding voor de boekhandelaar, om Martinus ook de Études sur Pascal van Vinet te tonen. Martinus kende Pascal tot dusver weinig meer dan bij name. Nu las hij de Pensées en deze openbaarden hem aan zich zelf. „Wat heeft dat boek mij aangegrepen!” schreef hij later aan een vriend. „Hoe vond ik vooral in dat eerste opstel, bij de schildering van den mensch, van zijne ellende, van de oorzaak zijner eerzucht, van de redenen waarom hij bezigheid en tijdverdrijf zoekt mijzelven trek voor trek weder.” Pascal bracht hem tot het Evangelie, en dit leerde hem dat christen te wezen identiek is met volkomen mens te zijn. „Hoe langer hoe meer ben ik tot het resultaat gekomen: het Evangelie is goddelijk, zoo waarachtig als ik leef.” Als Thomas had hij willen zien, voor hij kon geloven. Nu had hij gezien, en nu wilde hij ook de vermaning van Pascal opvolgen: „Jésus sera en agonie jusqu’è, la fin du monde: – il ne faut pas dormir pendant ce temps-1ö,.” Martinus had het vaste steunpunt voor zijn leven gevonden. Hij kon nu de slotwoorden van het zevende boek van Augustinus’ Belijdenissen tot de zijne maken: alle moeilijkheden waarin Paulus hem eens had toegeschenen zich zelf tegen te spreken, waren verdwenen. Zijn leven had de rust gevonden, van waaruit het hem mogelijk zou zijn, zijn gaven op harmonische wijze te ontwikkelen. De bezieling waaruit hij leefde, openbaarde zich in al wat hij deed, in de colleges die voor zijn studenten een blijde verrassing waren, in de filosofische voordrachten, die hij voor stampvolle zalen hield, „zeker de beroemdste die immer in ons land zijn gehouden,” noemt Quack ze, waarin hij zijn gehoor wist mee te slepen, en ook het helaas al te weinige wat hij op filosofisch gebied heeft geschreven. Het belangrijkste daaronder is het boekje, waarvan we de verschijning vóór honderd jaar hier met een enkel woord willen herdenken.

Martinus des Amorie van der Hoeven richt zich in dit betoog tot twee tegenstanders: Opzoomer, de filosoof, en Groen van Prinsterer, de staatsman. Opzoomer had in

het tijdschrift „Themis” een artikel geschreven, waarin hij de vraag „Kan de godsdienst grondslag van het staatsrecht zijn?” ontkennend had beantwoord. In tegenstelling tot de bekende uitspraak van Madame de Stael: „La réligion doit être tout OU rien dans la vie”, beweerde hij dat de godsdienst wel veel, maar niet alles in het leven behoorde te zijn, en zeker niet in het politieke leven. Min of meer betrok hij ook het nagelaten geschrift van zijn oudste broer, De godsdienst het wezen van den mensch, in zijn betoog, en daarom zag Martinus het als zijn plicht om in zijn plaats Opzoomer van repliek te dienen. Zijn 'stelling luidt, dat de mens medearbeider Gods is en dat het werk van God de verandering der menselijke maatschappij in het Koninkrijk der hemelen is. En wanneer Opzoomer vraagt of – indien de godsdienst alles in het leven moet zijn – dan ook het gehele staatsrecht door de christenen op de Bijbel moet gegrondvest worden, beantwoordt Martinus die vraag bevestigend, en spreekt over de heerlijkheid van het staatsleven, in onze tijd slechts gebrekkig begrepen. „De staat is een van de weinige dingen, waarom het de moeite loont, op deze wereld te leven.” En deze staat moeten wij omvormen tot het Koninkrijk der hemelen. Deze arbeid, die ons tot medearbeiders Gods maakt, moeten wij volbrengen in volkomen gemeenschap met elkander en in volkomen gehoorzaamheid aan God. Tegen Groen en zijn anti-revolutionnairen merkt hij op, dat het Gods wil is, dat wij alles wat ons omringt hervormen en herscheppen zullen. Nog tasten wij als blinden rond, maar meer en meer zullen wij de natuur – Martinus bedoelt daarmee de gehele waarnemelijke wereld – doorgronden, beheersen en revolutionneren. Altijd blijft het God die in ons werkt, maar hij werkt dan door ons als door zelfstandige wezens, die zelf willen en zelf weten wat met en door hen geschiedt. De staten zijn door de goddelijke voorzienigheid tot stand gekomen, dus door het droit divin, en het was een dwaling van de Franse revolutie, te geloven dat dit goddelijk recht niet meer gold. „Dit tijdperk zijn wij thans nog volstrekt niet geheel ontwassen.” „Maar ééns zullen ook de staten geheel en al zijn het eigen kunstwerk van den mensch.” Martinus bedoelt daarmee dat de mens welbewust een nieuwe vorm van gemeenschapsleven zal voortbrengen en dat het daarom in de wereldgeschiedenis gaat, omdat de mens medearbeider Gods is en daarom mee moet bouwen aan het Koninkrijk der hemelen.

Wij zouden, honderd jaar later, dit alles anders geformuleerd hebben en bijv. liever van gemeenschap dan van staat gesproken hebben. Maar de grondgedachte die uit deze bladzijden spreekt is de gedachte die tientallen jaren later een aantal christenen er toe bewoog socialist te worden, omdat zij op deze wijze hun taak als medearbeiders Gods het best meenden te kunnen volbrengen.

Martinus des Amorie van der Hoeven behoort tot diegenen, die tijdens hun leven op hun omgeving een haast wonderbaarlijke invloed uitoefenen, maar die na hun dood snel vergeten zijn, omdat zij geen werk nalieten dat hun betekenis voortdroeg. Hij was een eenzaam mens, omdat hij niet begrepen werd door zijn tijdgenoten, zo eenzaam dat hij een tijd lang in de nacht der krankzinnigheid heeft moeten leven. In 1868 is hij gestorven. „O mijn Meester!” schreef zijn leerling Quack in de biografie die hij aan hem wijdde, „ik heb altijd sterk het gevoel gehad dat uw „waanzin” zoveel heerlijker was dan het verstand van allen die mij omringen.” P. J. MEERTENS