is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 43, 30-10-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na Parijs

Ons geringe enthousiasme over de remilitarisatie van West-Duitsland behoeft ons er niet van te weerhouden de overeenkomsten, welke in Parijs zijn gesloten, bemoedigend te vinden. Wij kunnen ervan uitgaan, dat de behoefte aan Westduitse herbewapening door de meerderheid der Westerse landen wordt gevoeld. Dit is dus een politiek feit, waarmede wij rekening moeten houden. Gegeven dit feit is de oplossing, welke in Parijs aan de hand is gedaan, tamelijk gelukkig. De mate van Westduitse bewapening wordt beperkt (nl. tot 12 divisies), de controle op de wapenproductie wordt goed geregeld, en ten slotte: de partijen hebben duidelijk uitgesproken, dat zij niet zullen mee werken aan een Westduitse militaire onderneming ter unificatie van de beide Duitslanden. Sterker zelfs, er zijn binnen de huidige samenwerking mogelijkheden om Duitsland te dien aanzien te remmen.

Hiermede stuiten wij echter tevens op de zwakke steê in het nieuwe bondgenootschap. Ofschoon duidelijk werd gesteld, dat de overeenkomsten moeten dienen om mede een einde te maken aan discriminatie van West-Duitsland, is het geheel van opgestelde verdragen toch discriminerend gebleven. De mogelijkheden van West-Duitsland zijn formeel zonder beperking, maar de praktijk ligt anders. West-Duitsland zal in zekere zin onder contróle blijven. Als de Westduitsers deze contróle van harte willen aanvaarden, is er geen vuiltje aan de lucht. Maar indien men anders wenst, zullen er moeilijkheden ontstaan in de toekomst.

Zo is ook deze groep verdragen en overeenkomsten in zekere zin een wissel op de toekomst. Minder sterk dan de EDG was, maar desniettemin onmiskenbaar. Het is

een poging om de Westeuropese volken naar elkander toe te laten groeien, in de hoop dat zo iets lukken zal. Slaagt deze opzet niet, dan blijven slechts controlemaatregelen over jegens West-Duitsland, welke in dat geval door de Duitsers als een last gevoeld zullen worden.

Toch heeft deze negatieve zijde van het overeengekomene een aanzienlijk voordeel, waarmede Mendès-France en waarschijnlijk ook Eden rekening zullen hebben gehouden. Het defensieve karakter van het bondgenootschap is er nl. zeer duidelijk door onderstreept. Dat wil dus zeggen, dat er geen objectieve redenen zijn voor de Sowjet-Unie om zich nu meer bedreigd te gevoelen dan enige tijd geleden. Het tegendeel is nl. waar, en dat is vooral het opmerkelijke van hetgeen te Parijs werd bereikt.

Toen immers de EDG enmogelijk bleek te zijn, bestond de mogelijkheid, dat de Amerikanen op eigen houtje de bewapening van West-Duitsland ter hand zouden nemen. Het is zonneklaar, dat die combinatie voor de Sowj et-Unie een sterkere bedreiging zou hebben betekend dan de EDG, en een veel sterkere dan de huidige overeenkomsten.

Dit nu gewonnen voordeel kunnen wij op naam zetten van de Franse premier. Eens te meer heeft hij getoond een zeer Adndingrijk realist te zijn, die kans ziet alle belangrijke factoren in zijn beleid een plaats te geven.

Met name de kwestie der contróle op de bewapening, een contróle welke zich ook over de andere deelnemende landen uit-

strekt, zou op den duur wel eens de praktische grondslag kunnen vormen voor een algemene ontwapening. In dit verband is het tekenend, dat er in een UNO-resolutie door Amerika, Frankrijk, Engeland, Canada én de Sowjet-Unie op wordt aangedrongen het gesprek over ontwapening voort te zet-

ten. Laten wij ons niet vergissen! Er is uiteraard geen enkele reden om aan te nemen, dat zo’n internationale controle nu spoedig een feit zal worden. Maar het stelsel voor West-Europa kan het allereerste begin zijn voor een regeling in deze richting. In deze zin kunnen wij het beschouwen als een van de kleine bijdragen tot een verdere ontspanning in de wereld.

Hoe nodig die ontspanning is, moge blijken uit de snelle ontwikkeling van het industriële potentieel van de Sowjet-Unie. Het is de politiek van Stalin geweest steeds met de grootst mogelijke voorrang de zware industrie op te bouwen. Op het ogenblik is het al zo, dat naast de Verenigde Staten alleen de Sowjet-Unie tot de werkelijke grote mogendheden behoort. Engeland, Frankrijk, West-Duitsland behoren langzamerhand tot de tweede rang. Het is waarschijnlijk, dat China eveneens over dertig tot vijftig jaar tot grote industriële macht komt. Zodra dat het geval is, staan wij tegenover een gecombineerde macht van in totaal 900 millioen mensen. Volgens deze gegevens is het zeer waarschijnlijk, dat de Westelijke landen op den duur door de communistische zullen worden overvleugeld. Wanneer deze macht in militaire kracht wordt omgezet, zijn de gevolgen niet te overzien. Daar staat tegenover, dat de Sowjet-Unie in een rustiger wereld stellig gaarne aan haar bewoners een materieel royaler bestaan zal willen toekennen. Zulks is dimkt ons een politieke noodzaak. Wellicht ligt daar dus het ontmoetingsvlak. H. VAN VEEN

(Vervolg van pag. 5)

van bezit en stand worden opgehaald. Arbeidersjongens zijn minister geworden. Ook zij kunnen eens naar omhoog vallen. Hoe zou het ook anders moeten? Met minder kan Nederland niet toe. Zouden wij thans niet de hoogste eisen stellen aan verstand, doorzettingsvermogen, plichtsbetrachting en goede wil, dan zou ons land achteropkomen in de vaart der volken. Daarom kunnen wij ons de weelde en het onrecht niet meer veroorloven, goede eigenschappen braak te laten liggen, alleen omdat ze behoren tot mensen van de lagere klassen. Nederland zou in menig opzicht tot de achtergebleven gebieden der aarde gaan behoren, als het niet alle geestelijke capaciteiten gebruikte, die het rijk is. Ons onderwijs is al zo ten achter in vergelijking met andere landen, dat het de vraag is, of wij in de toekomst nog wel de krachten kminen leveren, die nodig zijn voor het zich steeds verder ontwikkelende en steeds zwaarder eisen stellende industriële leven.

En zo zal over enige jaren Burgemeester opgevolgd worden door een kwiek jong ventje, met een meesterstitel misschien wel. Hij zal niet slapen in de raad en niet hoesten in de kerk. Maar het dorp krijgt een nieuwe brug en een kleuterschool. iEn dat moet je niet uitvlakken!

H. J. DE WIJS

Over een kuise film en grove kritiek

Er is in ons land en in het buitenland, het land van herkomst. Frankrijk, inbegrepen, nogal wat te doen geweest over de nieuwste film van Claude Autant Lare „Le Blé en Herbe”, hier vertoond onder de titel „Als het jonge koren rijpt”. Het had niet veel gescheeld of hij was in Nederland door de filmkeuring verboden; waarschijnlijk is dit slechts vermeden door het paedagogische zedepreekje, dat „pour besoin de la cause” de film voorafgaat, zoals meer ën meer in dergelijke gevallen te doen gebjuikelijk wordt. Als dit de enige manier was om „Le Blé en Herbe” in onze bioscopen te krijgen, zijn wij er van harte mee content... het is alleen zo jammer, dat het blijkbaar nodig is.

Want als er ooit een decente, waardige, fijngevoelige en kuise film is gemaakt, dan is het deze van Autant Lare naar het verhaal van Colette. En het is toch wel heel teleurstellend, dat ook volwassen, intelligente mensen, van wie men beter mocht

verwachten, dat inleidinkje niet hebben genomen voor wat het is, een kalmerend middeltje voor verontruste gemoederen, maar het waarachtig gebruiken om krom te praten wat recht is, om van de film te maken een soort waarschuwing aan het adres van bepaalde ouders en opvoeders, die de sexuele voorUchting verwaarlozen, Wel, niets ligt zowel de schrijfster Colette als de regisseur Autant Lara verder dan dit soort quasi-ethisch vlagvertoon, dat de lading zou moeten dekken, en we kunnen hen daarvoor dankbaar zijn, want deze lading heeft geen dekking van node.

Nee, „Le Blé en Herbe” heeft niets te maken met sexuele opvoeding, maar alles met „éducation sentimentale” wat iets volkomen anders is. Want de ontluikende lichamelijke liefde tussen het 15-jarige meisje Vinca en de 16-jarige jongen Phil wordt geheel en al psychologisch benaderd en uitgebeeld. Ook in Phils erotische belevenis met de geheimzinnige witte dame, die