is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 46, 20-11-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Adenauers zorgen

Ten aanzien van de Parijse overeenkomsten dreigt een dramatische, ofschoon curieuze ontwikkeling. De moeilijkheden komen nu niet van Franse zijde. De Franse regering zal naar aller verwachting wel de meerderheid vinden voor de overeen-’ komsten. In West-Duitsland heeft kanselier Adenauer het echter moeilijk gekregen. Tegen zijn verwachting in komt er van alle kanten oppositie, niet alleen van de socialisten die ten slotte buiten de regering staan, maar ook van de zijde der liberalen en van de vluchtelingenpartij. De tegenstand gaat zelfs nog verder, want ook een achttal leden uit de CDU Adenauers eigen partij hebben te kennen gegeven tegen de overeenkomsten te zijn.

Het eerste gevolg van deze tegenstand is, dat Adenauer het debat over deze kwestie heeft uitgesteld tot 16 en 17 December a.s. Hij heeft dus nu nog een maand de gelegenheid door intern overleg tot een betere situatie te komen. Dat is hard nodig, want behalve de tegenstand tegen de verdragen zelf, doet zich de vraag voor of deze verdragen door een enkelvoudige meerderheid dan wel door een tweederde meerderheid moeten worden goedgekeurd. Omtrent hetgeen daarover in de grondwet is vastgelegd, heeft de oppositie een andere mening dan de Bondsregering.

Op zich zelf is deze situatie curieus. Hetzelfde Duitsland, dat nog maar enkele maanden geleden de brave Europeaan kon uithangen, dreigt nu de zondaar te worden.

Het voornaamste twistpunt is de voorgestelde regeling in zake het Saargebied.

Tegen de mogelijkheid, dat het Baarland op den duur niet meer bij Duitsland wordt gevoegd, komt geheel nationalistisch Duitsland in opstand.

Dat is wel verklaarbaar. In het verleden heeft de Westduitse regering immers zelf de eis gesteld, dat het Saargebied weer tot het „Vaterland” zal moeten behoren. Het feit, dat de Saarlanders daar zelf op het moment weinig voor voelen, heeft nauwelijks invloed. In Duitsland is nl. de in druk gewekt, dat deze Saarlandse beslissing niet vrij is geweest. Zulks veronderstelt men, omdat de Duits-nationalistische partij niet aan de Saarlandse verkiezingen heeft mogen deelnemen.

Een andere reden van het verzet is de vrees, dat de aanvaarding der verdragen de hereniging met Oost-Duitsland voorgoed in de weg zal staan. Zulks is uiteraard niet uitgesloten, maar daarbij komt dan onmiddellijk de vraag naar voren, dat zulks ook

bij de EDG het geval zou zijn geweest. Er moeten dus enige nieuwe aspecten zijn, op grond waarvan de hoop op hereniging weer groter is geworden.

Deze vinden wij in de eerste plaats in de algehele ontspanning, die zich in de wereld voortzet. De verklaringen uit Moskou en ook die van president Eisenhower wijzen in deze richting. Het is naar onze mening echter onwaarschijnlijk, dat deze ontspanning op korte termijn tot hereniging zal leiden. Oost-Duitsland is qua organisatie en structuur zo waarlijk anders geworden, dat de samenvoeging alleen reeds uit praktisch oogpunt problemen schept, die slechts met de grootst mogelijke wederzijdse royaliteit tot een oplossing kunnen worden gebracht. Tussen enige ontspanning in de

wereld en bedoelde royaliteit ligt echter een ontwikkeling van zeer vele jaren. Het is Adenauer overigens wel toevertrouwd, de rebellie in de regeringscoalitie te bezweren. Hij heeft er nu de tijd voor en is reeds hard aan het werk gegaan.

De wijsheid en slimheid, die hij daarbij ontwikkelt, is echter bij de uitvoering van de verdragen eveneens hard nodig. Er kon nl. van de voorgenomen samenwerking heel wat terechtkomen, mits de gezindheid der partners goed is. Het niveau, waarop de samenwerking nu moet plaatsvinden, stelt als zodanig geen onmogelijke eisen. Maar het is al een voldoende omvangrijke opgave om de Duitsers tot redelijke en billijke partners te hervormen.

Een aspect van de huidige situatie in West-Duitsland bleef nog buiten beschouwing. In Beieren en Hessen staan nl. verkiezingen voor de deur. Als deze eenmaal achter de rug zijn, zullen Adenauers coalitiegenoten wel wat minder fel van leer trekken. Op het ogenblik vrezen zij stemmen te verliezen als zij niet hyper-nationalistisch doen.

,H. VAN VEEN

TOEN EN NU

Tien jaar geleden overleed, zoals ge weet, de heer Colijn op 76-jarige leeftijd in Duitse gevangenschap. Men heeft hierin aanleiding gevonden om een blik terug te werpen op het werk en de figuur van deze grote antirevolutionaire leider.

„Nederlandse Gedachten”, officieel orgaan van de ARP heeft in zijn nummer van 21 October 1954 een artikel van niet minder dan zes pagina’s gewijd aan het werk en de figuur van dr. H. Colijn, en in dit herdenkingsartikel, althans als zodanig zal het wel bedoeld zijn, heeft het blad gemeend een felle aanval op de socialisten en op de figuur van de minister-president, dr. W. Drees, te moeten doen.

Het AR-orgaan begint met vast te stellen dat dr. H. Colijn een veel omstreden figuur is. Blijkbaar wenst de redactie het werk van dr. Colijn geheel te verdedigen, en uitgaande van de stelling dat de aanval de beste verdediging is, begint ze met klappen uit te delen aan de socialisten.

De AR penvoerder schrijft onder meer:

„Voor de socialisten is het kapitalisme de grote vijand het is de incarnatie van al het kwaad. De oorzaak van alle onrechtvaardigheid en van alle ellende. En dr. Colijn is de verpersoonlijking van het kapitalisme. Voor Drees, de goede brave Drees, vallen ze in aanbidding neer. Hij is de vader der bejaarden. Hij is de engel der barmhartigheid, die de ouden van dagen wel heeft gedaan. Maar Colijn is de kapitalist, de man zonder hart.”

Maar, zegt het blad, dat verwijt is niet gegrond, want in een „periode van zware economische storm (bedoeld wordt de economische crisis van de dertiger jaren) mag de kapitein zich niet bezighouden met de accommodatie van bemanning en passagiers.”

De schrijver gaat dan hierop nog eens uitvoerig in en dan stelt hij ten aanzien van de huidige sociale vrede: „Het heeft er alle schijn van dat de sociale vrede werd gehandhaafd ten koste van de gepensionneerden, van de ouden van dagen, van de sociale fondsen en van de huiseigenaren.”

Zes pagina’s tekst over een onderwerp zijn wel wat moeilijk te bespreken en het spreekt vanzelf dat we dus maar zo hier

en daar een greep gedaan hebben. Bovenstaande opmerkingen dwingen ons echter tot een reactie.

Het is namelijk wel wat kinderlijk van de schrijver om het zo voor te stellen alsof de socialisten in het kapitalisme de grote zondebok zien waar uitsluitend en alleen alle beroerdigheid die onze samenleving vandaag den dag aankleeft, op af te schuiven is. Misschien wil „Nederlandse Gedachten” er even nota van nemen dat ten minste de doorbraak-christenen er van overtuigd zijn dat in principe het begin van alle kwaad ergens anders ligt, voor ons is het woord Zonde heus nog niet te ouderwets geworden! Als het A.R. blad het begrip socialisten gebruikt, mogen we toch wel verwachten dat het zich dan rekenschap geeft van het feit dat er in de Nederlandse socialistische beweging talrijke christenen aangetroffen worden,- die heus nog wel eens de Heidelberger ter hand nemen.

Wat wij als socialisten, strijders voor een socialistische (rechtvaardige) maatschappij wel tegen het kapitalisme hebben, is dat het aan de slechte menselijke eigenschappen gelegenheid geeft zich volop te ontplooien. Deze krijgen een kans, die ze in een naar socialistisch idee ingerichte samenleving niet gekregen zouden hebben.

Maar de schrijver zal toch wel nimmer een socialist hebben horen beweren dat in de socialistische maatschappij der toekomst alle ellende en onrechtvaardigheid voorgoed verdwenen zijn. Met zojuist een tweede wereldoorlog achter ons zijn we realist genoeg om in te zien dat het niet alleen de kapitalistische maatschappij is, waar onrechtvaardigheden plaatsvinden. Daarentegen is het wel zo dat in de socialistische maatschappij de kansen op rechtvaardigheid, gelijkgerechtigdheid en geluk voor allen aanzienlijk groter zijn dan in een samenleving, waarin het kapitalistisch denken „leder voor zich en God voor ons allen” domineert.

De heer Drees heeft inderdaad veel gedaan om het socialistisch ideaal te helpen verwezenlijken. In dit kader moet men hetgeen er onder zijn bewind is geschied ten behoeve van de Ouden van Dagen, zien. Desondanks zal de heer Drees er weinig

uit de Bijbel, waar men na één kwade geest uit het huis verdreven te hebben, tot de ontdekking komt, dat er zeven andere voor in de plaats gekomen zijn.

Toch mag deze perspectiefloze ontwikkeling ons niet tot defaitisme verleiden en evenmin mogen we populaire en goedkope oplossingen zoeken ten koste van verantwoordelijkheid en goede trouw. Op het kleine beetje vertrouwen dat Nederland c.q. het Westen, nog in Zuidoost-Azië heeft, moeten we erg zuinig zijn. Door ook dit laatste te verspelen winnen we het verlorene niet terug.

A. SNAAUW