is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 50, 18-12-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Atoombommen, democratie en ' verantwoordelijkheid

Op een openbare bijeenkomst, door de Duitse Quakers te Berlijn georganiseerd aan het slot van hun vorige jaarvergadering, werd door vertegenwoordigers van verschillende levensgebieden het woord gevoerd over ’s mensen verantwoordelijkheid ten aanzien van het openbare leven.

Als vertegenwoordigster van de wetenschap sprak prof. Catherine Lonsdale (die indertijd ook deel uitmaakte van de Quaker-delegatie naar Moskou). Zij begon met te wijzen op het grote contrast tussen het optimisme van vlak na de eerste wereldoorlog (de tijd waarin zij haar wetenschappelijke arbeid begon) en de tegenwoordige tijd, waarin wij zijn begonnen te wanhopen aan de mogelijkheid om ooit te worden verlost van de oorlog. Het gepraat over ontwapening dient slechts om ons geweten te sussen; niemand gelooft in ernst dat de ontwapeningscommissie van de Verenigde Volken iets zal kunnen uitrichten voor de grote mogendheden hun geschillen hebben bij gelegd. En daar zijn we nog ver van verwijderd. Met negering van de grondslagen der Verenigde Volken zijn wij teruggekeerd tot een politiek van machtsevenwicht, die des te ge vaar lijker is geworden, nu wij over zulke verschrikkelijke wapens beschikken. In alle landen hebben de geleerden aan de vervaardiging van deze wapens meegewerkt, zij het dan, dat het hun daarbij vaak onbehaaglijk te moede was.

„Persoonlijk,” aldus prof. Lonsdale, „heb ik mij nooit geleend tot onderzoekingen voor militaire doeleinden, noch ooit enige geheime opdracht van welke aard ook aanvaard. Maar ik weet, dat zuiver wetenschappelijke methoden, aan wier ontwikkeling ook ik heb meegewerkt, zijn toegepast in de laboratoria, waarin de atoombommen werden voorbereid. In die dagen leken deze wiskundige tabellen onschuldig als pasgeboren kinderen, waarvan men hoopte, dat zij zouden opgroeien om goede dienston te verrichten maar nu hebben zij het aanzien van monsters verkregen, die in Hirosjima plotseling het masker lieten vallen.

Wat kunnen wij thans doen? Moeten wij allen ophouden met onze wetenschappelijke arbeid? Dat is niet goed mogelijk men kan nu eenmaal de wijzers van de klok niet achteruitdraaien tot in de Middeleeuwen en misschien zelfs nog verder terug, naar voorhistorische tijden. Maar moeten wij nu dan ook verder gaan en nog meer wetenschappelijke ontdekkingen doen? Zou het misschien niet beter zijn om alle onschuldige kinderen te doden, of er misschien zelfs geen meer ter wereld te brengen, ten einde te voorkomen, dat zij slechts opgroeien om moordenaars te worden?

„Wanneer ik de vraag in deze vorm stel, heb ik haar feitelijk reeds beantwoord. Wanneer wij geen kinderen meer zouden hebben, zou het mensdom uitsterven. Ophouden met het doen van wetenschappelijke ontdekkingen, zou geen redding van de beschaving betekenen, maar het afsterven daarvan.

Men kan niet verhinderen, dat een kind wil weten, wat de wielen in beweging brengt en evenmin kan men de menselijke geest afhouden van het wetenschappelijk onderzoek. Wanneer men dit in het Westen beperkte, zou het in het Oosten het hoofd

weer opsteken, gelijk thans reeds geschiedt.”

Spr. wijst dan op de noodzakelijkheid, dat de geleerde een verantwoordelijk gebruik maakt van zijn kennis van de natuur, en op de moeilijkheden, die rijzen voor hen, wier ontdekkingen zowel ten kwade als ten goede kunnen worden gebruikt, en in het bijzonder voor diegenen onder hen, die men wil dwingen tot onderzoekingen voor militaire en andere geheime doeleinden. Velen van hen menen, dat zij als democraten verplicht zijn te gehoorzamen aan de volkswil, zoals die in de gekozen regeringen is belichaamd.

„Dat is de redenering,” zo gaat zij dan voort „waarmede de vertegenwoordiger van de wetenschap zijn geweten tracht te sussen, dat het hem echter lastig blijft maken, tot het door een of ander verstandelijk betoog de mond wordt gesnoerd.

Men betoogt zelfs, dat de vertegenwoordigers van de wetenschap, die zoals ik zelf tegenstanders zijn van de militaire dienst en spontaan elke geheime militaire arbeid afwijzen, ondemocratisch zijn, want wanneer alle geleerden aldus handelden en weigerden dergelijk werk te verrichten, zouden zij in feite de kiezers beroven van hun uiteindelijke zeggenschap over de politieke koers van de staat. Pilatus wies zich de handen om zijn onschuld te demonstreren en de vertegenwoordiger van de wetenschap tracht thans hetzelfde te doen met behulp van het stembiljet. Doch dat ontslaat hen nog niet van hun zedelijke verantwoordelijkheid.

Persoonlijk trek ik mij niets aan van het verwijt, dat ik anti-democratisch zou zijn, wanneer ik weiger mijn medewerking te verlenen aan schrikwekkende experimenten, die ten doel hebben mijn land sterker te maken dan enig ander land. Democratie is nog wel wat meer dan een regering, die door een meerderheid is gekozen. Was dat niet het geval, dan zou de Sowjet-Unie in feite een democratie zijn, en ook het naziregime dat zijn geweest. Een meerderheid kan despotisch en totalitair zijn. De ware democratie evenwel berust op een wisselwerking tussen meerderheid én minderheid; op het langzaam voorwaarts schrijden van de regering na de situatie door gedachtenwisseling te hebben verhelderd, waarbij een verantwoordelijke critiek als het ware bij iedere stap als teugel fungeert; op het dulden van uiteenlopende meningen. Geen democratische regering zal er op staan enige dienst van haar burgers te verlangen, welke deze slechts in strijd met hun geweten kunnen verrichten en een regering, die dit wél doet, is geen democratische regering, doch een onzedelijke en in wezen zwakke regering.

Het feit alleen reeds, dat wetenschappelijke onderzoekingen voor militaire doeleinden geheim worden gehouden, diende voor de ménsen van de wetenschap een waarschuwend signaal te zijn, aangezien geheimhouding in strijd is met elke wetenschappelijke traditie. Het is de vertegenwoordiger van de wetenschap om waarheid te doen, en deze is niet het monopolie van een bepaald volk of een bepaalde tijd. ledere vertegenwoordiger van de wetenschap dankt de kennis, waarmee hij begint, aan de vrij-gepubliceerde resultaten van de wetenschappelijke arbeid van vorige

geslachten, en hij mist het recht om datgene, wat hy zelf ontdekt, te verbergen en aan anderen te onthouden. Ik beweer niet, dat hij het recht heeft een eenmaal gegeven belofte van geheimhouding te breken, doch ben wel van oordeel, dat hij dergelijke beloften niet behoort af te leggen.

Dit is de negatieve kant van de verantwoordelijkheid van de mensen van de wetenschap. Er zit echter ook nog een positieve kant aan. Alle kennis kan voor goede en kwade doeleinden worden gebruikt. Het gevaar, dat ons werk, hoewel het op zich zelf goed is en voor goede doeleinden kan worden gebruikt, ook voor andere doeleinden kan worden benut, bestaat altijd, en wij moeten dat eenvoudig aanvaarden. De qntdekkingen van Pasteur kunnen worden beschouwd als uitgangspunt van de bacteriologische oorlog maar zij hebben ook geleid tot de ontdekking van de penicilline. De individuele vertegenwoordiger van de wetenschap, die zich met de zuiverste bedoelingen aan zijn arbeid wijdt, kan niet voorkomen, dat deze wordt misbruikt, maar hij kan tenminste trachten te voorkomen dat dit gebeurt. Als hij een goed burger is, kan hij zich inwerken in de politieke en maatschappelijke problemen van zijn tijd, en al zijn invloed aanwenden om te bewerken, dat zijn wetenschap tot heil van het mensdom wordt gebruikt.

Hij moet er het zijne toe bijdragen, dat alle mensen kunnen profiteren van de vruchten van de vorderingen der wetenschap, zonder enig onderscheid van ras, kleur, maatschappelijke stand, politieke overtuiging of wat anders ook. Het is niet voldoende, dat de natuurkundigen brillen hebben uitgevonden: er zijn alleen reeds in het Britse rijk een millioen mensen, die blind zijn geworden door een ziekte, die had kunnen worden voorkomen. Ook daarvoor is de vertegenwoordiger van de wetenschap mede verantwoordelijk, en goede bedoelingen kunnen nooit de plaats innemen van juist handelen.

Noch de vertegenwoordiger van de wetenschap echter, noch enig ander mens is in staat zich op de juiste wijze van zijn verantwoordelijkheid te kwijten, wanneer zijn leven niet op een gezond fundament is gebaseerd. Men vertelt, dat een ler op zijn sterfbed werd aangespoord zich tot God te bekeren en de duivel de rug toe te keren; maar hij verontschuldigde zich met de opmerking, dat hij juist op dit plechtig ogenblik niet graag iemand zou beledigen. Hebben we niet allemaal iets weg van deze ler? We willen ons niet af vragen of het goede, dan wel het kwade de wereld regeert, noch aan welke kant we behoren te staan. En dus bepalen we ons tot het bewijzen van lippendiensten aan onze idealen, doch houden tegelijkertijd één hand op onze voorraad atoombommen voor het geval, dat wij ze misschien nodig zouden hebben.

Maar of we nu mensen van de wetenschap zijn of niet, we kunnen geen twee heren dienen. „Kiest u heden wie gij dienen wilt” lezen we in het boek Jozua. Wanneer we besluiten God te dienen of het goede, als men het liever zo noemt is dat iets zeer positiefs. We kunnen dan niet langer bezeten zijn door de gedachte aan onze eigen veiligheid, of aan die van ons eigen land, noch ons langer wijsmaken, dat we onze idealen kunnen redden door gebruik te maken van ontzettende wapens als napalm- en atoombommen. We zullen dan al onze wijsheid, al onze kracht, al ons enthousiasme gebruiken in de strijd tegen armoede, ziekte en onwetendheid, en ik ben overtuigd, dat we dan zullen ontdekken, dat in een dergelijke kruistocht heel de mensheid een gemeenschappelijk doel kan nastreven.” ROB LIMBURG