is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 12, 26-03-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/ Aan \ / den Heer ' I behoort de aarde i l en haar I \ volheid. j \ Psalm 24:1 /

Tyd en Taak

ONAFHANKELIJK WE E ö'k* EVANGELIE EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER J JAARGA.NG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 26 Maart 1955 No. 12

Redactie: ds. J. J. Buskesjr. ds. L. H. Ruitenberg dr. J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid Telefoon 724386 p/a dr.J. G. Bomhoff

Vaste medewerking van prof. dr. W. Banning J. Huisebosch H. van Veen

dr. M. V. d. Voet ds. H.J.deWijs Mej. dr. M. H. v. d. Zeyde e.a.

mnement per j aar ƒ 5,—; halfjaar 2,75; kwartaal 1,50 plus f 0,15 incasso. Losse nrs f 0,15; Postgiro 21876; Gem.giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelueld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

Uiteindelijk gaat het om de mensen

Hoe het u gaat weet ik niet, maar wanneer je via pers en radio probeert de politieke ontwikkeling op onze aarde te volgen, dan bekruipt je elke keer weer het gevoel dat diegenen, die, zoals we dat uitdrukken, aan de politieke touwtjes trekken, dikwijls zijn als de jongens op straat die een boeiend ingewikkeld avontuurlijk spel spelen. Soms vinden deze een wat wonderlijk voorwerp dat bepaald eens geprobeerd moet worden. Als ouderen hun zeggen op te passen is het antwoord: „Neen, het is heus niet gevaarlijk,” want ja, ’t zou zo jammer zijn als het spel uit was!

’k Ben mij bewust dat ik de zaak simplificeer, wanneer ik de uitlating van de Amerikaanse regering dat de atoomproeven geen gevaar meebrengen, zo interpreteer, maar toch... ergens heeft het geheel van het politiek gebeuren het facet van een kat- en muisspel dat om zich zelf gespeeld wordt, al verschuilt men zich achter de grote woorden van verantwoordelijkheid voor de mensheid. Is die publicatie van de Jaltadocumenten geen mooie zet op het politieke schaakbord? En ach, ’t gaat toch om openheid en eerlijkheid tegenover het volk.

Zo speelt het in het groot, maar zo speelt het ook in de lagere regionen, in de partijen en in de verenigingen. Overal waar mensen met hun stapels paperassen, die vol staan met becijferingen en berekeningen zich neerzetten om te tillen aan de zware en minder zware problemen van onze wereld, raken zij geboeid door het tillen zelf en vergeten zij waar ’t om gaat. „’t Gaat uiteindelijk om mensen,” zo eindigde het hoofdartikel van dit blad 29 Januari. Maar het merkwaardige doet zich voor dat de mens, die ’t om de mens te doen is, diezelfde mens zoek laat raken. Daarbij is ’t griezelig dat we het dikwijls niet eens beseffen. Het is nl. niet eens nodig aan de persoonlijke eerlijkheid van bedoelingen te twijfelen (al behoeven wij er ons aan de andere kant geen illusies over te maken). De meest eenvoudige illustratie is de huisvrouw, die de perfectie van haar huis-

houden langzamerhand tot doel heeft, terwijl het haar in het begin te doen was om het bewoonbaar maken van haar huis voor de gezinsleden. Hoe komt het dat zij, die de aarde bewoonbaar willen maken toch de mensen voor wie zij dit nastreven uit het oog verliezen?

Ergens heeft deze vraag te maken met de tragiek van de hele cultuur. Zodra de mens zich opmaakt de natuur te beheersen is ’t alsof deze bezigheid hem er toe brengt steeds verder te gaan. Mét de natuur gaat hij ook de rest hanteren, de mens incluis. Ook de mens wordt een ding, waarmee gehandeld kan worden.

Er moet een bewoonbare aarde gemaakt worden, de vrede moet hersteld worden. Daartoe moeten een paar duizend „dingen” vernietigd. Maar die dingen zijn mannen, vrouwen en kinderen! Zij die ’t besluiten zijn niet slechter dan wij allen, want we realiseren ons allen niet wat we eigenlijk doen. Ook de eenvoudige ambtenaar bij het loket schuift een aantal kaartjes naar een andere bak als onbepaalde „dingen” en zoveel gezinnen krijgen voorlopig geen huis. Wij vergeten echter dat het onmogelijk is zonder gevaar voor ons zelf dit spel te spelen. De mens vergrijpt zich aan zich zelf, terwijl hij meent zich zelf te redden. Hoe meer hij dit beseft, hoe sterker wordt zijn pogen alles op alles te zetten en in een laatste greep naar de macht het spel te voltooien en alles op de plaats te zetten waar hij denkt dat alles behoort. Wanneer dat schijnbaar gelukt is, blijft hij eenzaam achter. Want geen eenzamer wezen is er dan degene, die alles tot dingen heeft gemaakt en geen tegenover meer heeft. Hij is ook zelf een niet-mens geworden. Ge kunt nl. niet én speler zijn aan het schaakbord der wereld én pion op dat zelfde bord. Practisch betekent dat, dat wij in ai onze organisaties, of die nu politiek of anders zijn georiënteerd, zitten met de grote vraag naar de zin van al ons praten en doen.

lemand drukte ’t zo uit „Onze existentie is voor een deel geworden een leven op de

rand van de zinneloosheid. Het gewone leven van de mens heeft voor het gevoel van velen bijna iets onwerkelijks gekregen, alsof ’t niet echt is.” Want in wezen voelen we ons de pionnen op een bord en voelen we ons geschoven, al naar het de spelers goed dunkt.

Maar die spelers zelf? Erich Kastner vertelt in een verhaal, hoe de dieren een conferentie beleggen om de staatslieden, die hun 87e vergadering houden te dwingen vrede te sluiten. Ze zijn niet erg gewillig deze staatslieden, want het spel is erg boeiend en de uniformen, die zij dragen, zouden zonder dat spel zo zinloos worden.

Dan beginnen de dieren hun ultimatum te stellen. Een wolk van motten zwermt de vergaderzaal binnen en heeft in weinige ogenblikken de uniformen geconsumeerd. Als de zwerm verdwenen is, lijkt het of het maar een droom was, maar de zaal ziet er nu merkwaardig uit, want ieder die een uniform droeg, zit naakt.

Er blijken achter onze uniformen (deze niet militair bedoeld in de eerste plaats) maar heel gewone mensen te zitten. Om die gaat het uiteindelijk.

lets van het besef daarvan breekt door in de onbepaalde ongerustheid, die vele mensen bevangen heeft.

De doodgewone mens gaat zich wat roeren en vindt het vandaag iets minder vanzelfsprekend dat de grote politiek door de regeringen alleen gevoerd wordt, ’t Benauwende is echter dat, dat ’t hier en daar doorbrekende besef geen vorm krijgt omdat men zich van te voren lamgeslagen voelt door machteloosheid.

Een tweede is dat we wel praten op allerlei conferenties over mens zijn en blijven, over vriendschap, over liefde, maar we gunnen ons geen tijd het te realiseren. Daarom moeten wij met de interpretatie van die ongerustheid voorzichtig zijn. Wanneer het spreken erover gaat dienen als verdovingsmiddel, om nl. te ontkomen aan de verwerkelijking, zijn we net zo ver als de staatslieden, die confereren ter wille van de bewoonbaarheid van de aarde en intussen de bewoners van de aarde, waartoe wij ook zelf behoren, eraan opofferen.

Toch zeggen wij, met name in onze kring, dat ’t ons blijft gaan om de menselijkheid en de doorbreking van het schijnbaar onafwendbare gevaar dat alle organiseren en vormen van macht doel in zich zelf wordt. Ons handelen en spreken zou in dit verband zin hebben.

Betekent dat dus ten slotte dat we ons gaan koesteren in de illusie dat het mogelijk is de utopie van een ideale ordening te verwerkelijken? ’k Meen dat we te nuchter geworden zijn dat te stellen. De hedendaagse mens kenmerkt zich door een re-