is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 21, 28-05-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALARM

n.a.v. Ton Schiliing: Ook üw kind. Een oproep tot bezinning. Uitgave H. Meulenhoff A’dam, 1955, 239 blz. ƒ 6,90.

Er verongelukken kinderen lichamelijk en geesteiijk. Ik weet niet of dit tegenwoordig meer gebeurt dan vroeger, maar diep treurig is het, en alles moet gedaan worden om deze ramp te beperken. Volwassenen verongelukken ook. Dat is niet minder erg, te meer omdat in de meeste gevaiien de misiukkingen der volwassenheid teruggaan op een ongelukkige jeugd en omdat misiukte volwassenen weer ouders kunnen zijn van kinderen, die ook slecht terechtkomen.

Men moet deze eenvoudige waarheden goed voor ogen houden. Dan zal men zich minder verbazen en is men in de goede stemming om zich bezig te houden met het jeugdprobleem. Ik geloof dat een boek, dat vertellen zou van de jeugd, die ondanks de ellendigste omstandigheden toch nog goed ontwikkeld de volwassenheid tegemoet treedt, heel wat leerzamer en boeiender zou zijn dan de rampzalige parade van verongelukten, die Ton Schilling in bovengenoemd boek opvoert.

Ik wil de zorg om de ontwortelde, om de massajeugd niet kleineren, maar ik vraag me af, wie er gebaat is met een sensationeei relaas van ongelukkige gevallen. We krijgen hier achtereenvolgens te lezen over jeugdpromiscuïteit, over een vandalenclub (een „gang”), over gevallen van sexuele vroeg-rijpheid, over wreedheid jegens dieren, over verwordingsverschijnselen op een kampeerboerderij, over meisjes verleid door uniformen van Amerikaanse verlofgangers, over een jongen die in homosexueel gezelschap terechtkomt, over een meisje verhandeid als blanke slavin, over jeugddiefstal en joyriding, over een jongen die in een ontaard artistenmilieu verzeild raakt. Al deze verhalen, zwaar aangezet in meiodramatische styi (zelfs de regen van deze rampzalige tijd deugt niet! blz. 29) worden begeleid door sombere toevoegingen in de trant van: de ouders van het kind wisten nergens van; het kan uw kind ook overkomen; deze gevallen zijn geen zeldzaamheid, enz.

Het is niet aardig om tegen een boek aan te schoppen, dat zo duideiijk vanuit een edele, diepgevoelde bezorgdheid geschreven is. Ik wil ook volstrekt niet de gevaren bagatelliseren, die de schrijver zo suggestief aanwijst. Maar ik vraag me wel af: voor wie is dit boek nu eigenlijk geschreven? En dan meen ik te mogen zeggen: alleen voor die ouders, die zo misdadig nonchaiant zijn, dat ze deze gevaren niet tellen, en voor de ouders, die zo dom of weltfremd zijn, dat ze deze gevaren niet

zien. Nu geef ik onmiddellijk toe, dat er heiaas veie van zulke ouders zijn, maar ik ben er van overtuigd, dat zij dit boek niet zullen lezen of het niet op zich zelf van toepassing zuilen achten.

Mén kan het de schrijver niet betwisten: de gevaren zijn er; er stranden heel wat jonge mensen; er is een zorgwekkend jeugdprobleem, maar dat wordt niet opgelost met elkaar gruwelverhaaltj es te vertellen, die we overigens, als we de krant lezen, allang kennen. Die krant is overigens ook een der tweederangsbronnen van de schrijver. En nu is dit het onvruchtbare van zulk soort gegevens: we lezen in de krant een ernstig geval van jeugdvandalisme, van morele verwording, die tot een rechtzaak uitgroeit; het feit zoals het er ligt, is ernstig, maar oorzaken en omstandigheden kennen we niet; we hebben ook geen oog voor de relatieve frequentie van het geval. Ik vraag: wat kunnen we dan met zo’n mededeling doen? We kunnen er alleen door in een paniekstemming komen I ledereen, die met de jeugd optrekt, zal u uit eigen werk wel een of ander kras staaltje kunnen vertellen. Is het verantwoord, zolang men niet meer weet, uw kinderen er op aan te zien, dat ze misdadigers in aanleg zijn? Is het verantwoord op goed geluk preventieve maatregelen te treffen, waardoor ge hun vrijheid inperkt, maar waarvan ge volstrekt niet weet, of ze enigermate doeltreffend zijn? Is het verantwoord de u toevertrouwde jeugd dof te beuken met vermaningen en aansporingen, die hen van u vervreemden, omdat ge bewijst hen helemaal niet te begrijpen?

Wat we nodig hebben is een helder inzicht in de oorzaken van de verwording en suggesties hoe deze verwording te keren. En ook in dit opzicht schiet dit boek, ondanks al zijn goede bedoelingen grenzenloos te kort. In zijn ijver om maar volledig te zijn, wijst hij allerlei oorzaken aan, die soms in hun algemeenheid nietszeggend zijn („het materialisme van deze tijd”), soms uiterst aanvechtbaar (de sociale voorzieningen, blz. 220!), soms volmaakt nietszeggend (het existentialisme, blz. 199). Hij geeft beurtelings aan alles en iedereen de schuld: aan de H-bom, aan film en radio, aan de stripverhalen, enz., enz., om telkens weer te eindigen met de machteloze kreet: we weten het niet.

Met jeremiëren over de slechte tijden komen we geen stap verder. We zullen moeten beginnen onze tijd en de jeugd critisch te aanvaarden en daar is begrip voor nodig. Dat begrip mis ik volkomen bij een auteur als dr. F. C. Dominicus, die hier als gezaghebbend criticus opgevoerd wordt omtrent moderne kunst. Deze rancuneuze „Burgerrechf’-auteur weet er nu

juist niets van. Dat Schilling deze schrijver biadzljden lang met ontzag citeert, is typisch voor zijn gezindheid, zo goed als die domme uitvailen tegen existentialisme en jazzmuziek (biz. 229). Mij ligt jazzmuziek niet erg; ik weet van jongeiui, die er bezeten van zijn en zich eraan vergooien, maar ik ken ook heel wat voorbeelden van jongemensen, voor wie deze muziek een zeer nobele, inspirerende liefhebberij is, die ik hun vast niet zou wiilen ontnemen.

Al nadenkend over het jeugdprobleem ben ik hoe langer hoe meer geneigd te denken, dat er geen jewfirdprobleem is. O zeker, de jeugd staat vandaag aan typische gevaren bloot. Laat ik er enkeie noemen, die ook Schilling vermeldt: de sensationale film, de ruwe stripverhalen, het veie zakgeld. Voor mij is het duidelijk, dat deze reëie gevaren typische voorbeelden van geestelijke verwaarlozing zijn. Wat zijn dat voor ouders die aan hun kinderen dergeiijke rommei te lezen en te zien geven? Wat zijn dat voor ouders, die hun apeniiefde en verwaarlozing camoufleren met royaal zakgeld? Er is geen jeugdprobleem; er is een volwassenehprobleem: dat der falende ouders. Ook Schilling wijst hierop, maar ik had het graag op een centrale plaats in zijn boek gezien. Over die taak der ouders nog een enkel woord. Voorop dit: we begaan allemaal fouten. Dit maakt ten eerste verklaarbaar, dat een enkele keer ook kinderen verongelukken, die uit een goed milieu stammen. Een sluimerende aanleg kan, buiten het gezin om, geactiveerd worden door een rampspoedige ontmoeting op school of fabriek. Vergeten we ten siotte niet, dat ook kinderen een vrije keuze hebben. Niet alle fouten der kinderen kan men de ouders aan wrijven. Gelukkig niet! Maar bepaald onjuist is de suggestie van dit boek, dat „ook üw kind” geheel onvoorzien zedeiijk en geestelijk kan ontsporen. In verreweg de meeste gevallen hadden de ouders het kunnen weten of althans vermoeden. „Jeugdmisdadigheid is een vorm van jeugdverwaariozing” las ik in „Het Gemeenebest”, dat pas een uitstekende aflevering wijdde aan „Kinderbescherming in overgangstijd”.

Het boek van Schilling is ook nog onvolledig. Hil had uitvoerig moeten beschrijven, en niet in een al te beknopte nota (blz. 234), wat er in Nederland op het gebied van kinderbescherming gedaan wordt; waar ouders terecht kunnen, die zich zorgen maken.

De jeugdverwaariozing is een probleem aller tijden. En met jeugdverwaariozing wordt dan bedoeid: gemis aan verstandige, liefdevol zorgende aandacht. Als de wereld der volwassen er niet zo best voor staat, ligt dat dan niet aan het feit dat die ouderen zeif ook een mislukte jeugd hebben gehad? Het is dan eigenlijk een wonder, dat er nog zoveel goede mensen en lieve kinderen zijn. Maar die jeugdverwaariozing wordt niet voorkomen door generaliserende alarmkreten. Men kan meer leren uit enkele opstellen van kinderen, waarin verteld wordt op hoe zielige, geestesarme wijze kinderen hun heerlijk vrije Zondag doorbrengen, dan uit krasse verhaien over sexuele ontsporingen.

Als de Zondag eens een styivol feest was, door heel het gezin gezamenlijk gevierd, als er eens minder echtscheidingen en kapotte huwelijken waren, als... en laat ons nu heel concrete tekortkomingen der voiwassenen noemen, dan, ja dan waren er, naar mijn steliige opvatting, minder jeugdproblemen.

J. G. B.